Ba’alzamon stak zijn hand uit en opeens wist Rhand hoe hij kon ontsnappen. Het was een nevelige, half gevormde herinnering die gevaar krijste, maar lang niet zo gevaarlijk was als door de Duistere aangeraakt te worden.
‘Een droom!’ schreeuwde Rhand. ‘Dit is een droom!’
Ba’alzamons ogen werden groot, verbaasd of kwaad of allebei, toen schemerde de lucht en vervaagden zijn gezichtstrekken tot ze verdwenen. Rhand keerde zich ter plekke om en keek naar zijn eigen spiegelbeeld, dat duizenden keren naar hem terugkeek. Tienduizend keer. Daarboven en daaronder was het zwart, maar overal stonden spiegels om hem heen, spiegels in alle mogelijke hoeken, spiegels zo ver het oog reikte, en allemaal vertoonden ze zijn beeld, gebukt en ronddraaiend, met opengesperde en angstige ogen.
Een rood waas dreef over de spiegels. Hij tolde rond en probeerde het te pakken, maar in iedere spiegel trok het waas achter zijn eigen beeld langs en verdween. Toen was het weer terug, maar niet langer vaag. Ba’alzamon schreed door de spiegels, tienduizend zoekende Ba’alzamons, in de zilveren spiegels heen en weer lopend.
Hij merkte dat hij naar de weerspiegeling van zijn eigen gezicht staarde, bleek en rillend in de vlijmscherpe koude. Ba’alzamons beeld groeide achter hem, staarde hem aan, zag hem niet, maar bleef staren. In iedere spiegel woedden de vlammen van Ba’alzamons gezicht achter zijn beeld, wikkelden zich om hem heen, verteerden hem, versmolten met hern. Hij wilde schreeuwen, maar zijn keel was dichtgesnoerd. Er was slechts één gezicht in die eindeloze spiegels. Zijn eigen gezicht. Ba’alzamons gezicht. Eén gezicht.
Rhand bewoog zich en opende zijn ogen. Duisternis, nauwelijks verminderd door een bleek licht. Amper ademend bleef hij liggen en bewoog alleen zijn ogen. Een ruwe wollen deken bedekte hem tot aan zijn schouders en zijn hoofd lag op zijn armen. Onder zijn handen kon hij gladde houten planken voelen. Dekplanken. Het want kraakte in de nacht. Hij liet met een lange zucht zijn adem gaan. Hij was op de Schuimvlok. Het was voorbij, deze nacht tenminste.
Zonder na te denken stopte hij zijn vinger in zijn mond. Toen hij bloed proefde, stokte zijn adem. Langzaam hield hij zijn hand vlak voor zijn ogen tot hij het druppeltje bloed op zijn vingertop zag verschijnen. Bloed van een doornprik.
De Schuimvlok voer traag de Arinelle af. De wind was sterk, maar kwam uit richtingen die de zeilen nutteloos maakten. Ondanks alle bevelen van schipper Domon om snelheid te maken, kroop het vaartuig verder. In de nacht wierp de uitkijk bij een lantaarn een dieptelood uit en riep de afstand naar de roerganger, terwijl de rivier het schip tegen de wind in en met gestreken riemen verder stroomafwaarts voerde. In de Arinelle hoefde je niet bang te zijn voor rotsen, maar er waren meer dan genoeg ondiepten en banken, waardoor een schip dat zo diep lag vast kon lopen en niet meer uit de modder zou loskomen voordat er hulp kwam. Als die hulp er tenminste als eerste bij was. Overdag werkten de roeiers van zonsopgang tot zonsondergang, maar de wind werkte tegen alsof het schip weer teruggeblazen moest worden.
Ze legden niet aan, overdag niet en ’s nachts niet. Baile Domon dreef schip en bemanning ongenadig voort, schold op de tegenwinden en vervloekte hun traagheid. Hij tierde dat de scheepsmaten aan de riemen slappelingen waren en iedere keer dat het tuig verkeerd reageerde, maakte hij ze uit voor alles wat lelijk was. Zijn harde basstem dreigde met Trolloks van tien voet hoog die op het dek iedereen de keel zouden opensnijden. Twee dagen lang was dat voldoende om iedere man op te jagen. Toen vervaagde de herinnering aan de Trolloks en begonnen de mannen te mompelen over een uurtje om de benen te strekken op de wal en over de gevaren van het in het donker de rivier afvaren.
De bemanning hield het gemopper echter voor zich en loerde uit de ooghoeken of schipper Domon niet in de buurt was en hen kon horen, maar hij leek alles op te vangen wat er op het schip werd gezegd. Iedere keer dat het mopperen begon, haalde hij zwijgend het lange, zeisachtige zwaard en de bijl met de wrede haken tevoorschijn, die na de aanval op het dek waren gevonden. Die hing hij dan een tijd aan de mast en dan voelden de gewonden aan hun verband en stierf het gemopper weg... voor die dag tenminste, tot iemand van de bemanning weer hardop begon te denken dat ze de Trolloks nu zeker ver achter zich hadden gelaten en dan begon het hele gedoe opnieuw.
Rhand merkte dat Thom Merrilin uit de buurt van de scheepsmaten bleef als ze samen stonden te fluisteren en te fronsen, hoewel hij hen meestal op de schouders sloeg en grappen vertelde en praatjes verkocht op een manier die zelfs de hardste werker een grijns ontlokte.
Thom hield het stiekeme gefluister behoedzaam in de gaten, terwijl hij volkomen verdiept leek in het aansteken van zijn lange pijp, het stemmen van de harp of wat dan ook. Hij deed van alles, behalve aandacht aan de bemanning schenken. Rhand begreep niet waarom. De bootslui leken eerder Floran Gelb de schuld te geven dan het drietal dat achtervolgd door de Trolloks aan boord was gesprongen. De eerste paar dagen kon men Gelb met zijn magere lijf haast voortdurend zien praten met elk bemanningslid dat hij in een hoek had weten te drijven, waarbij hij zijn eigen verhaal vertelde over de nacht dat Rhand en de anderen aan boord waren gesprongen. Terwijl hij probeerde hun de schuld te geven veranderde Gelbs manier slinks van bluffen tot klagen en weer terug, altijd haatdragend als hij naar Mart of Thom wees, en helemaal als hij het over Rhand had.
‘Het zijn vreemden,’ betoogde Gelb zacht, uitkijkend dat de schipper hem niet hoorde. ‘Wat weten we nou van ze? De Trolloks kwamen met ze mee, dat weten we. Ze werken samen.’
‘Fortuin, Gelb, klap dat luik van je dicht,’ grauwde een man met zijn haar in een staart en met een kleine blauwe ster op zijn wang getatoeëerd. Hij keek Gelb niet aan terwijl hij met zijn tenen op de dekplanken een touw oprolde. ‘Je zou je eigen moeder nog een Duistervriend noemen als je erdoor kon niksen. Maak dat je wegkomt!’ Hij spoog op Gelbs voet en werkte verder aan de rol touw.
Elke scheepsmaat herinnerde zich de wacht die Gelb niet had gelopen en de anderen reageerden minder vriendelijk dan de man met het staartje. Niemand wilde nog met Gelb samenwerken. Hij zag zich veroordeeld tot eenmansklussen, allemaal smerig, zoals het schrobben van de vettige pannen in de kombuis of het zoeken naar lekken, waarbij hij op zijn buik de ruimen in moest kruipen, tussen slijm dat vele jaren aangekoekt was. Algauw praatte hij met niemand meer. Zijn schouders zakten in een mokkend protest en zijn hele houding drukte een verongelijkte stilte uit – hoe meer mensen keken hoe verongelijkter hij deed, hoewel het hem nooit meer dan een grom opleverde.
Als Gelbs blik echter op Rhand viel, of op Mart of Thom, glom er een moordlustige uitdrukking in de ogen boven zijn scherpe neus. Toen Rhand het er met Mart over had dat Gelb hun vroeger of later problemen zou bezorgen, keek Mart de boot rond en zei: ‘Kunnen we eigenlijk wel iémand vertrouwen?’ Waarna hij wegliep naar een plekje waar hij alleen kon zijn, althans zo alleen als mogelijk was op deze boot. Van de hoge boeg tot aan de achtersteven waaraan de helmstokken hingen, was het vaartuig nog geen dertig pas lang.
Rhand vond dat Mart zich veel te vaak afzonderde sinds die nacht in Shadar Logoth.
Thom zei: ‘Eventuele moeilijkheden zullen niet van Gelb komen, jongen, tenminste nu nog niet. Niemand van de bemanning steunt hem en hij heeft niet de moed iets alleen te proberen. Maar de anderen, tja... Domon schijnt haast te denken dat de Trolloks hem persoonlijk achternazitten, maar de anderen beginnen te geloven dat het gevaar voorbij is. Ze zouden wel eens kunnen besluiten dat ze er genoeg van hebben. Zoals de zaken er nu voor staan, lopen we op het randje.’ Hij trok zijn lapjesmantel op en Rhand kreeg het gevoel dat hij zijn verborgen messen nakeek – zijn op een na beste stel. ‘Bij een muiterij, jongen, laten ze niemand in leven om het na te vertellen. Het geschreven woord van de koningin zal zo ver van Caemlin niet veel kracht hebben, maar zelfs een dorpsmeester zou dan iets ondernemen.’ Daarna zorgde ook Rhand ervoor dat ze hem niet naar de bemanningsleden zagen kijken.