Thom deed zijn best om bij de bemanning elke gedachte aan muiterij te verjagen. Hij vertelde iedere ochtend en avond uitgebreide verhalen en in de tussentijd speelde hij elk verzoeknummer. Als bewijs dat Rhand en Mart leerden voor speelman, hield hij iedere dag wat tijd vrij voor lessen en dat was voor de bemanning ook een schouwspel. Natuurlijk stond hij niet toe dat een van de twee zijn harp aan raakte en hun lessen op de fluit veroorzaakten aanvankelijk pijnlijke gezichten bij de bootslui. Maar zelfs als de scheepsmaten hun handen over hun oren moesten houden, konden ze hun lachen niet inhouden.
Hij leerde de jongens enkele simpele verhalen, wat eenvoudig duikelwerk en natuurlijk jongleren. Mart klaagde over wat Thom van hen verlangde, maar Thom blies zijn snorpunten weg en keek hem kwaad aan.
‘Bij leren kan ik niet spelen, jongen. Of ik leer je iets, of niet. Goed! Zelfs een boerenpummel moet een simpele handstand kunnen maken. Vooruit, omhoog met die benen.’
De scheepslieden die niet aan het werk waren, dromden vaak samen en zaten in een kring rond het drietal op het dek. Sommigen waagden zich ook aan de lessen die Thom gaf, waarbij ze om hun eigen onhandigheid moesten lachen. Gelb hield zich afzijdig, keek donker en haatte hen allemaal.
Een groot deel van de dag bracht Rhand aan de reling door, waar hij naar de oever stond te staren. Niet dat hij echt verwachtte opeens Egwene of een van de anderen op de rivieroever te zullen zien, maar de boot voer zo langzaam dat hij er soms op hoopte. Ze konden hen gemakkelijk inhalen, zonder al te hard te hoeven rijden. Als ze tenminste ontsnapt waren. Als ze nog in leven waren.
De rivier stroomde langs hen heen zonder enig teken van leven, zonder dat er een ander schip in zicht kwam. Maar dat wilde niet zeggen dat er niets te zien viel of dat er niets was om je over te verbazen. Midden op de eerste dag voer de Arinelle wel een halve span tussen hoge kliffen op heide oevers door. Over de gehele lengte waren figuren in de rots uitgehakt, mannen en vrouwen van wel honderd voet hoog, met kronen die duidelijk maakten dat het hier koningen en koninginnen betrof. Geen twee beelden in die koninklijke stoet waren hetzelfde en vele jaren scheidden de eerste van de laatste koningsgestalten. Wind en regen hadden die in het noorden gepolijst en hun gelaatstrekken vrijwel weggesleten, terwijl de gezichten en bijzonderheden verder naar het zuiden toe steeds duidelijker werden. Het rivierwater schuurde langs de voeten van de beelden, waste ze tot gladde knobbels, als ze tenminste niet allang verdwenen waren. Hoe lang zouden ze hier hebben gestaan? Hoe lang duurt het voor de rivier zoveel steen afschuurt? Niemand van de bemanning keek op van zijn werk; ze hadden het oeroude beeldhouwwerk al zo vaak gezien.
Een andere keer – de oostelijke oever was weer vlak grasland dat af en toe onderbroken werd door groepjes bomen – glinsterde het zonlicht op iets in de verte. ‘Wat zou dat kunnen zijn?’ vroeg Rhand zich hardop af. ‘Het ziet eruit als metaal.’
Schipper Domon kwam net voorbij en hij bleef met samengeknepen ogen naar de schittering staan kijken. ‘Het is inderdaad metaal,’ zei hij. Zijn woorden werden nog steeds snel achter elkaar uitgesproken, maar Rhand begreep het nu zonder dat hij eerst diep moest nadenken. ‘Een toren van metaal. Ik heb hem van dichtbij gezien. Schippers gebruiken hem als baken. We zitten tien dagen van Wittebrug af zoals we nu varen.’
‘Een metalen toren?’ zei Rhand, en Mart, die met gekruiste benen tegen een ton had zitten piekeren, stond op om mee te luisteren. De schipper knikte. ‘Inderdaad. Glanzend staal, zo te zien en voelen, zonder een spoor van roest. Tweehonderd voet hoog is de toren, even omvangrijk als een huis en niemand heeft ooit een opening gevonden.’
‘Ik wed dat er schatten liggen,’ zei Mart. Hij stond op en bekeek de verre toren terwijl de rivier de Schuimvlok meevoerde. ‘Zo’n ding moet opgetrokken zijn om iets waardevols te beschermen.’
‘Kan zijn, jongen,’ gromde de schipper. ‘Maar er zijn merkwaardiger dingen dan dit hier. Op Tremalkin, een van de eilanden van het Zeevolk, steekt een stenen hand van zo’n vijftig voet uit een heuvel. Hij omklemt een kristallen bol zo groot als een vaartuig. Als er ergens schatten zijn te vinden, dan zou er een onder die heuvel moeren liggen, maar de eilanders willen niet hebben dat daar gegraven wordt en het Zeevolk heeft alleen maar belangstelling voor het zeilen en het zoeken naar de Coramoor, hun Uitverkorene.’
‘lk zou wel graven,’ zei Mart. ‘Hoe ver is dat-.. Tremalkin?’ Een bosje bomen gleed voor de glanzende toren langs, maar hij bleef kijken of hij hem nog steeds kon zien.
Schipper Domon schudde het hoofd. ‘Nee jongeman, het zijn niet de schatten die het waard maken om in de wereld rond te kijken. Als je een handvol goud vindt of wat juwelen van een dode koning, dan is dat goed en wel, maar het is het vreemde dat je ziet dat je naar de volgende verte doet trekken. In Tanchico – da’s een haven aan de Arythische Oceaan – is, naar men beweert, een deel van het paleis van de panarch gebouwd in de Eeuw der Legenden. D’r zou een muur zijn met een fries waarop dieren staan die geen levend mens ooit heeft gezien.’
‘leder kind kan een dier tekenen dat niemand ooit heeft gezien,’ zei Rhand en de schipper grinnikte.
‘Inderdaad, jongen, dat kan. Maar kan een kind ook de beenderen van die dieren maken? In Tanchico hebben ze die en ze zijn zo aan elkaar bevestigd dat je kunt zien hoe het dier eens was. Ze staan in een deel van het Panarchenpaleis waar iedereen kan komen kijken Het Breken heeft duizenden wonderen achtergelaten en er zijn handenvol keizerrijken of koninkrijken geweest, sommige even groots als dat van Artur Haviksvleugel, en elk heeft dingen nagelaten die je kunt vinden en bekijken. Lichtstokjes en mesweb en hartsteen. Een kristallen web dat een eiland bedekt en geluid maakt als de maan aan de hemel staat. Een berg die uitgehold is tot een kom, met in het midden een zilveren piek van wel honderd stap hoog, en iedereen die binnen een span van dat ding komt, sterft. Verroeste bouwvallen en gebroken onderdelen en voorwerpen die van de zeebodem worden opgevist, dingen waar zelfs de oudste boeken geen verklaring voor geven. Ik heb er zelf enkele verzameld. Dingen waar je nooit van hebt gedroomd, op meer plaatsen dan je in tien levens kunt bezoeken. Dat is het vreemde dat je verder zal voeren.’
‘Vroeger hebben we wel eens botten opgegraven in de Zandheuvels,’ zei Rhand langzaam. ‘Vreemde botten. Eens een keer een stuk van een vis – ik denk tenminste dat het een vis is geweest – zo groot als deze boot. Sommigen zeggen dat het ongeluk brengt om in de heuvels te graven.’
De schipper keek hem sluw aan. ‘Sta je nu al aan thuis te denken, jongen? En je bent nog maar net de wereld ingetrokken. De wereld zal jou aan de haak slaan. Je zult de zonsondergang najagen, je zult het zien... en als je ooit terugkeert, is het dorp niet groot genoeg meer om je vast te houden.’
‘Nee!’ Hij schrok. Hoe lang was het geleden dat hij voor het laatst aan thuis had gedacht, aan Emondsveld? En aan Tham? Het moest al dagen geleden zijn en het leken wel maanden. ‘Op een dag ga ik naar huis, als ik dat kan. Ik ga schapen fokken zoals... zoals mijn vader, en als ik er nooit meer wegga, is het me nog te vroeg. Is het niet zo, Mart? Zo gauw het kan, gaan we naar huis en vergeten we dat dit allemaal bestaat.’
Met zichtbare inspanning hield Mart op met zijn stroomopwaartse gestaar, in de richting van de achter de horizon verdwenen toren.
‘Wat? O. Ja, natuurlijk. We gaan weer naar huis. Natuurlijk.’
Toen hij zich omdraaide om weg te lopen, hoorde Rhand hem zachtjes zeggen: ‘Ik wed dat hij gewoon niet wil dat iemand anders achter die schat aan gaat.’ Mart scheen niet te beseffen dat ze hem hadden gehoord.