Op de vierde dag van hun reis over de rivier zat Rhand boven in de mast, met zijn benen om de stag geslagen. De Schuimvlok deinde zachtjes op het water, maar hier, vijftig voet erboven, liet die trage deining de top van de mast in wijde bogen heen en weer zwaaien. Hij gooide zijn hoofd in zijn nek en lachte in de wind die hem in het gezicht blies.
De riemen waren uit en op die plaats leek de boot op een twaalfpotige spin die de Arinelle afkroop. Hij was al eens eerder zo hoog geweest, in bomen in Tweewater, maar nu waren er geen takken die zijn uitzicht belemmerden. Alles op het dek – de roeiers aan de riemen, de mannen die op het dek geknield de planken schuurden met puimsteen, de dekknechten die bezig waren met touwen en luiken – leek zo vreemd als je het van recht erboven bekeek. Alles was zo plat en vertekend dat hij een hele tijd grinnikend zat toe te kijken.
Hij grinnikte telkens als hij omlaag keek, maar nu keek hij voornamelijk naar de rivieroevers die voorbijgleden. Daar leek het tenminste op: de oevers bewogen en hij zat stil – afgezien van het heen en weer deinen natuurlijk. Hij zat roerloos en de wereld schoof langs hem heen.
Een plotselinge bevlieging deed hem zijn benen uit de stag aan de mast halen. Hij stak zijn armen en benen opzij en hield zich in evenwicht ondanks het deinen van het schip. Drie zwaaien lang wist hij zo zijn evenwicht te behouden en toen verloor hij het opeens. Met maaiende armen en benen sloeg hij voorover en greep de fokkenstag beet. Met zijn benen uitgestrekt langs de mast hielden alleen zijn beide handen aan de stag hem op zijn hachelijke plek, maar hij lachte. Hij ademde diepe teugen frisse koude wind in en lachte uitgelaten om zijn toestand.
‘Jongeman,’ klonk de hese stem van Thom, ‘jongen, als je probeert die stomme nek van je te breken, doe het dan niet door boven op mij te vallen.’
Rhand keek omlaag. Thom hield zich net onder hem aan een weeflijn vast en keek hem grimmig over de laatste paar voet aan. Net als Rhand had de speelman zijn mantel op het dek gelaten. Thom,’ zei hij opgetogen, ‘Thom, wanneer ben jij naar boven geklommen?’ ‘Toen je helemaal niet luisterde naar de mensen die naar je riepen. Drakenvuur, jongen, iedereen denkt dat je gek bent geworden.’
Hij keek omlaag en zag verbaasd dat alle gezichten naar hem opkeken. Alleen Mart, die in kleermakerszit op de boeg zat met zijn rug naar de mast, keek niet naar hem. Zelfs de mannen aan de riemen hadden hun ogen op hem gericht, waardoor het ritme van hun slag gebroken was. En er was niemand die hen de les las. Rhand boog zijn hoofd om onder zijn arm door omlaag te kijken naar de achtersteven. Schipper Domon stond aan het roer, met hamgrote vuisten op zijn heupen, en keek woest naar hem. Rhand keek weer naar voren en grijnsde Thom toe. ‘Dus je wilt dat ik naar beneden kom?’ Thom knikte heftig. ‘Dat zou ik buitengewoon op prijs stellen.’
‘Goed.’ Hij verplaatste zijn handen op de fokkenstag en sprong van de mast af. Hij hoorde Thom een vloek inslikken toen zijn val gebroken werd en hij aan zijn handen aan de fokkenstag bungelde. De speelman schold hem uit en hield een hand uitgestrekt om hem op te vangen. Hij grijnsde opnieuw naar Thom. ‘Ik ga nu omlaag’. Hij zwaaide zijn benen omhoog, haakte een knie om het dikke touw dat van de mast naar de boeg liep, sloeg er toen zijn arm omheen en liet beide handen los. Eerst langzaam, maar toen steeds sneller gleed hij omlaag. Vlak voor de boeg sprong hij er keurig af en kwam met beide voeten vlak voor Mart tot stilstand. Hij moest nog een stap doen om zijn evenwicht te bewaren, maar keerde zich toen met zijn gezicht naar de boot en spreidde zijn armen, zoals Thom na een duikelkunstje deed.
Hier en daar klonk geklap van de bemanning, maar hij keek verrast naar Mart, naar wat Mart in zijn handen had, door zijn lichaam voor iedereen verborgen. Een kromme dolk met een gouden schede waarop vreemde symbolen stonden. Om de greep was dun gouddraad gewikkeld, erbovenop zat een robijn zo groot als Rhands duimnagel, terwijl goudgeschubde slangen met ontblote giftanden de spaken vormden.
Mart ging nog even door met het in en uit zijn schede laten glijden van de dolk. Nog steeds met de dolk spelend hief hij langzaam zijn hoofd op; zijn ogen staarden in de verte. Opeens leek hij Rhand te zien, schrok en stopte de dolk onder zijn jas weg.
Rhand hurkte neer en sloeg zijn armen om zijn knieën. ‘Waar heb je die vandaan?’ Mart zei niets, maar keek snel rond of er iemand in de buurt was. Wonderlijk genoeg waren ze alleen. ‘Je hebt die toch niet uit Shadar Logoth meegenomen, hè?’
Mart keek hem strak aan. ‘Het is jouw schuld. Die van jou en Perijn. Jullie tweeën hebben me van de schat weggetrokken, en ik had hem in mijn hand. Mordeth heeft hem me niet gegeven. Ik heb hem gepakt, dus telt die waarschuwing van Moiraine over zijn geschenken niet. Je mag het niemand vertellen, Rhand. Anders stelen ze hem misschien’
‘Ik zal het niemand vertellen’ zei Rhand. ‘Ik denk dat schipper Domon eerlijk is, maar van de anderen weet ik het zo net nog niet, zeker van Gelb niet.’
‘Niemand,’ drong Mart aan. ‘Domon niet, Thom niet, niemand. Wij zijn de enige twee Emondsvelders die over zijn, Rhand. We kunnen het ons niet veroorloven iemand anders te vertrouwen.’
‘Ze leven, Mart! Egwene en Perijn. En de Wijsheid. Ik weet dat ze in leven zijn.’ Mart keek beschaamd. ‘Maar ik zal je geheim bewaren. Alleen wij tweeën, We hoeven ons tenminste nu geen zorgen meer te maken over geld. We kunnen hem zo duur verkopen dat we als koningen naar Tar Valon kunnen reizen.’
‘Natuurlijk,’ zei Mart na een lange stilte. ‘Als dat nodig is. Maar vertel het aan niemand tot ik zeg dat het mag.’
‘Ik heb het al beloofd. Luister, heb jij op de boot nog boze dromen gehad? Net als in Baerlon? Dit is de eerste kans die ik heb om het je te vragen zonder dat er zes mensen om ons heen staan.’
Mart wendde zijn hoofd af en keek hem van opzij aan. ‘Misschien.’
‘Wat bedoel je met misschien? Je hebt ze gehad of je hebt ze niet gehad.’
‘Goed, goed, rustig maar. Ik heb ze gehad. Ik wil er niet over praten. Ik wil er zelfs niet eens aan denken. Daar komt niets goeds van.’
Voor een van beiden nog wat kon zeggen, kwam Thom met grote stappen over het dek naar hen toe, met zijn mantel over zijn arm. De wind liet zijn witte haren rondwapperen en zijn lange snorpunten leken nijdig op te wippen. ‘Het is me gelukt de schipper ervan te overtuigen dat je niet gek bent,’ begon hij, ‘en dat het deel uitmaakte van de lessen.’ Hij greep de fokkenstag en schudde die heen en weer. ‘Die stomme waaghalzerij van jou, dat omlaagglijden langs het touw hielp, maar je hebt geluk gehad dat je die stomme nek van je niet hebt gebroken.’
Rhands ogen gingen naar de fokkenstag en vervolgens langs het touw omhoog naar het topje van de mast. Langzaam zakte zijn mond open. Hij was omlaag gegleden. En hij had daarbovenop... Opeens zag hij zichzelf daarboven zitten, met de armen en benen gespreid. Hij liet zich op het dek neerploffen en kon nog net voorkomen dat hij plat op zijn rug kwam te liggen. Thom keek hem nadenkend aan.
‘Ik wist niet dat je zo’n goed gevoel voor hoogte had, jongen. We zouden daarmee op kunnen treden in Illian of in Ebo Dar, in Tyr zelfs. Mensen in de grote steden in het zuiden houden van koorddansers en kunstenaars op het slappe koord.’
‘Maar we gaan naar...’ Op het laatste moment herinnerde Rhand zich dat hij moest rondkijken of er iemand dichtbij genoeg was om het te horen. Verschillende bootslieden stonden toe te kijken, waaronder Gelb met een woeste blik in zijn ogen, maar niemand kon horen wat hij zei. ‘Naar Tar Valon.’ Mart haalde zijn schouders op, alsof het hem niet kon schelen waar ze heen gingen.
‘Momenteel wel, jongen’ zei Thom, die naast hen ging zitten, ‘maar morgen? Wie weet? Zo gaat het in het leven van een speelman.’ Hij haalde een handvol gekleurde ballen uit een van zijn wijde mouwen. ‘Nu ik je uit de lucht heb geplukt, zullen we aan de driedubbele kruisworp gaan werken.’
Rhands ogen gleden weer naar het topje van de mast en hij huiverde. Wat is er met me aan de hand? Licht! Wat? Hij moest het ontdekken. Hij moest naar Tar Valon voor hij echt gek werd.