Выбрать главу

25

Het Trekkende Volk

Bela liep rustig onder de bleke zon, alsof de drie wolven even verderop niet meer waren dan dorpshonden, maar aan de manier waarop haar ogen steeds weer naar de wolven rolden en het oogwit rondom zichtbaar werd, was te zien dat ze zich niet op haar gemak voelde. Egwene, die op de merrie zat, voelde zich al evenmin prettig. Ze bleef voortdurend vanuit haar ooghoeken naar de wolven kijken en soms draaide ze zich om in het zadel, zodat ze achter zich kon kijken. Perijn wist zeker dat ze de rest van het wolvenpak zocht, maar als hij iets in die richting opperde, ontkende ze het boos, ontkende dat ze bang was voor de wolven die met hen meeliepen, ontkende dat ze bezorgd was over de andere wolven en over hetgeen die uitspookten. Ze ontkende het en keek dan meteen weer met half dichtgeknepen ogen rond, terwijl ze haar lippen aflikte.

De rest van de troep was heel ver weg. Dat kon hij haar vertellen. Maar wat hielp dat? Zelfs al gelooft ze me. Zeker als ze me gelooft. Als het niet nodig was, wilde hij die slangenkuil zeker niet openen.

Hij wilde niet nadenken over hóé hij het wist. De man in het bont sprong voor hen uit, hij leek soms zelf haast een wolf en hoewel hij nooit opkeek als Vlek, Springer en Wind verschenen, wist hij het ook.

De Emondsvelders waren die eerste ochtend in de dageraad wakker geworden en hadden Elyas nog meer konijnenvlees zien klaarmaken. Hij had naar hen gekeken zonder dat er boven zijn volle baard veel van zijn gezicht viel af te lezen. Afgezien van Vlek, Springer en Wind was er geen wolf te bekennen. In het bleke, vroege ochtendlicht hing de diepe schaduw nog steeds onder de grote eik en de kale bomen verderop leken vingers die tot op het bot waren afgekloven.

‘Ze zijn ergens’ antwoordde Elyas toen Egwene vroeg waar de andere wolven waren. ‘Dichtbij genoeg om te helpen als het nodig is. Ver genoeg weg om te vermijden dat we problemen krijgen met mensen die we tegenkomen. Vroeg of laat zijn er altijd moeilijkheden als er twee mensen bij elkaar zijn. Als we ze nodig hebben, zullen ze er zijn.’

Perijn werd zich van iets bewust toen hij een stuk geroosterd konijnenvlees losscheurde. Een vaag gevoelde richting. Natuurlijk! Daar hebben ze... Het vlees in zijn mond verloor elke smaak. Hij pakte de knollen die Elyas in de as had bereid – ze smaakten een beetje als worteltjes – maar zijn eetlust was hij kwijt.

Toen ze vertrokken, had Egwene erop aangedrongen dat ze om beurten zouden rijden en Perijn had geen enkele moeite gedaan ertegenin te gaan.

‘Jij gaat eerst’ zei hij tegen haar.

Ze knikte. ‘En dan u, Elyas.’

‘Mijn eigen benen zijn goed genoeg voor mij,’ antwoordde Elyas. Hij keek naar Bela en de merrie rolde met haar ogen alsof hij een van de wolven was. ‘Bovendien denk ik niet dat ze mij op haar rug wil.’

‘Onzin’ zei Egwene vastberaden. ‘Het heeft geen zin daar koppig over te doen. Het is verstandig dat ieder een keertje rijdt. Volgens u hebben we nog een lange weg te gaan.’

‘Ik zei nee, meisje.’

Ze haalde diep adem en Perijn vroeg zich af of het haar zou lukken Elyas zo te koeioneren als zij hem deed, tot hij besefte dat ze er met openhangende mond het zwijgen toe deed. Elyas keek haar aan met die gele wolfsogen. Egwene stapte achteruit voor de knokige man, bevochtigde haar lippen en deed nog een stap naar achteren. Voor Elyas zich had omgedraaid, had ze het hele stuk naar Bela achteruit gelopen en was ze op de rug van de merrie geklauterd. Toen de man zich omdraaide om hen naar het zuiden voor te gaan, meende Perijn een grijns te zien die veel weg had van die van een wolf.

Drie dagen lang trokken ze zo verder. Ze liepen en reden de hele dag naar het zuidoosten en stopten alleen wanneer de schemering al was gevallen. Elyas bezag de haast van stadsmensen weliswaar honend, maar hij geloofde met in tijd verknoeien als je ergens heen moest.

De drie wolven waren zelden ergens te bespeuren. Elke nacht kwamen ze een tijdje bij het vuur liggen en soms lieten ze zich overdag kort zien. Ze waren vlakbij als je ze het minst verwachtte, maar even snel weer verdwenen. Perijn wist echter dat ze er waren en waar ze zich bevonden. Hij wist het als ze de weg voor hen verkenden en als zij het spoor achter hen nazochten. Hij wist het toen ze de gebruikelijke jachtgronden van het pak verlieten en Vlek het pak terugstuurde om op haar te wachten. Soms vervaagde in zijn geest het drietal dat bleef maar lang voor ze zo dichtbij waren dat hij ze kon zien, voelde hij het als ze eraan kwamen. Toen het bos overging in uitgestrekte velden van winterdood gras met slechts hier en daar een eenzame groep bomen, leken ze net geesten als ze niet gezien wilden worden, maar hij kon op elk moment aanwijzen waar ze waren. Hij kon niet verklaren hoe hij het wist en probeerde zichzelf wijs te maken dat het gewoon zijn verbeelding was die een loopje met hem nam, maar het hielp niet. Hij wist het gewoon, net zoals Elyas het wist.

Hij probeerde niet aan wolven te denken, maar desondanks slopen ze toch zijn gedachten binnen. Hij had niet meer van Ba’alzarnon gedroomd sinds hij Elyas en de wolven was tegengekomen. Voor zover hij zich ‘s-ochtends zijn dromen nog herinnerde, gingen ze over alledaagse dingen, zoals hij thuis had gedroomd... voor Baerlon... voor Winternacht. Gewone dromen, op één ding na. In elke droom die hij zich herinnerde, was er een moment waarop hij zich oprichtte van het smidsvuur van baas Lohan om het zweet van zijn gezicht te vegen, of ophield op de Brink met een dorpsmeisje te dansen, of hij de haard opkeek van zijn boek. En altijd, of het nu binnen of buiten was, was er een wolf in de buurt. De rug van de wolf was steeds naar hem toegekeerd en hij wist altijd – in de dromen leek het gewoon bij al het andere te horen, zelfs aan de eettafel van Alsbet Lohan – dat de gele wolfsogen uitkeken naar wat komen kon, waakten tegen wat komen kon. Pas bij het wakker worden leken de dromen vreemd.

Drie dagen trokken ze verder, met Vlek, Springer en Wind die konijnen en eekhoorns brachten en Elyas die eetbare planten aanwees, waarvan Perijn er maar weinig kende. Een keer sprong een konijn bijna recht onder Bela’s hoeven weg, maar voor Perijn een steen in de slinger had, wist Elyas het dier op twintig pas afstand aan zijn lange mes te spietsen. Een andere keer schoot Elyas met zijn boog een dikke fazant neer die opvloog. Ze aten veel beter dan toen hij alleen met Egwene reisde, maar Perijn had het liever zonder hun reisgezellen gedaan, ook als dat inhield dat hij er zijn broekriem voor moest aanhalen. Hij wist niet zeker hoe Egwene zich voelde, maar hij was best bereid weer honger te hebben als hij de wolven daardoor kwijt kon raken. Het was de middag van de derde dag.

Voor hen lag een groep bomen, groter dan de andere die ze gezien hadden, zo’n vier span wijd. De zon stond laag aan de westelijke hemel en wierp schuine schaduwen naar hun rechterkant. De wind stak op. Perijn voelde dat de wolven niet langer achter hen aan liepen, maar hen zonder al te veel haast inhaalden. Ze hadden niets gevaarlijks gezien of geroken. Egwene was aan de beurt om Bela te berijden. Het werd tijd om uit te kijken naar een kampplek voor de nacht en dat bos daarginds leek precies geschikt.

Toen ze dichterbij kwamen, stormden drie bulhonden uit hun dekking, honden met een brede bek. Ze waren even groot maar zwaarder dan de wolven en gromden luid met ontblote tanden. Ze bleven meteen staan toen ze op het veld kwamen, maar niet meer dan dertig voet scheidde hen van de drie mensen en hun donkere ogen vonkten moordzuchtig.

Bela, die al onrustig was door de wolven, hinnikte en gooide Egwene bijna uit het zadel. In een oogwenk had Perijn zijn slinger aan het draaien. Het had geen zin de bijl tegen honden te gebruiken, maar een steen tegen zijn ribben bracht de gevaarlijkste hond aan het rennen. Elyas wuifde met zijn hand zonder dat hij zijn ogen afwendde van de honden, die met stijve poten naar hen stonden te grommen. ‘Sssst! Niet doen!’

Perijn keek hem vragend aan, maar liet de slinger trager draaien tot die weer slap naast hem hing. Egwene slaagde erin Bela te kalmeren en zij en de merrie keken afwachtend naar de honden.