Выбрать главу

De nekharen van de bulhonden stonden rechtovereind, hun oren lagen plat naar achteren en hun gegrom klonk als een aardbeving. Opeens hief Elyas een vinger op tot zijn schouder en floot, een lang schril fluiten dat hoger en hoger klonk en niet ophield. Het gegrom hield abrupt op. De honden stapten jankend achteruit en draaiden hun koppen of ze weg wilden maar niet konden. Hun ogen bleven strak gericht op Elyas’ vinger.

Langzaam liet Elyas zijn hand zakken, tegelijk met de toon van zijn gefluit. De honden volgden, tot ze plat op de grond lagen met hun lange tongen uit hun bek. Drie staarten kwispelden.

‘Zie je,’ zei Elyas, die naar de honden liep. ‘Wapens zijn niet nodig.’

De bulhonden likten zijn handen en hij krabde hun grote koppen en speelde met hun oren. ‘Ze zien er vervaarlijker uit dan ze zijn. Ze zijn bedoeld om ons af te schrikken en hadden ons niet gebeten, tenzij we hadden geprobeerd dat bos in te lopen. In ieder geval hoeven we ons nu geen zorgen meer te maken. We kunnen voor het echt donker is wel een volgend bos bereiken.’

Toen Perijn naar Egwene keek, zag hij dat ze met open mond zat te staren. Hij deed de zijne zo snel dicht dat zijn tanden op elkaar klapten.

Terwijl hij de honden nog steeds klopjes gaf, bekeek Elyas de bomen vlak voor hen. ‘Er zullen daar Tuatha’an zitten. Het Trekkende Volk. Trekkers.’ Ze keken hem niet-begrijpend aan en hij voegde eraan toe: ‘Ketellappers.’

‘Ketellappers?’ riep Perijn uit. ‘Ik heb altijd ketellappers willen zien. Ze slaan soms hun kamp op aan de andere kant van de rivier bij Tarenveer, maar voor zover ik weet, komen ze nooit in Tweewater. Ik weet niet waarom.’

Egwene snoot. ‘Misschien omdat de mensen in Tarenveer even grote dieven zijn als de ketellappers. Ongetwijfeld plukken ze elkaar volkomen kaal. Baas Elyas, als er echt ketellappers in de buurt zijn, moeten we dan niet verder? We willen niet dat Bela wordt gestolen en... nou, zoveel hebben we niet, maar iedereen weet dat ketellappers altijd alles stelen.’

‘Waaronder kleuters?’ vroeg Elyas droog. ‘En ze ontvoeren kinderen en zo?’ Hij spuwde op de grond en Egwene bloosde. Die verhalen over kinderroof werden soms verteld, voornamelijk door Cen Buin of een van de Kopins of Kongars. De andere verhalen kende iedereen. ‘De Trekkers maken me soms doodziek, maar ze stelen niet meer dan anderen. En heel wat minder dan sommige mensen die ik ken.’

‘Het zal gauw donker zijn, Elyas,’ zei Perijn. ‘We moeten ergens ons kamp opslaan. Waarom niet bij hen, als ze het goedvinden?’ Vrouw Lohan had een pan die door hen was opgelapt en die naar haar zeggen veel beter was dan nieuw. Baas Lohan was niet al te gelukkig met de lof van zijn vrouw voor ketellapperswerk, maar Perijn wilde graag eens zien hoe ze dat deden. Toch bespeurde hij iets van aarzeling bij Elyas, wat hij niet begreep. ‘Is er een reden om het niet te doen?’

Elyas schudde ontkennend zijn hoofd, maar Perijn voelde nog steeds de aarzeling aan de manier waarop hij zijn schouders hield en zijn mond dichtkneep. ‘Kunnen het net zo goed doen. Maar let niet op wat ze zeggen. Karren vol dwaasheid. Vaak handelt het Trekkende Volk zaken heel ongedwongen af, maar er zijn tijden dat ze buitengewoon vormelijk zijn, dus doe mij na. En houd je geheimen voor je. Het heeft geen zin de halve wereld alles te vertellen.’

De honden liepen kwispelstaartend mee, toen Elyas hen voorging tussen de bomen. Perijn voelde hoe de wolven achterbleven en wist dat ze niet zouden volgen. Ze waren niet bang voor de honden – die verachtten ze omdat ze hun vrijheid hadden opgegeven om naast een vuur te kunnen slapen – maar ze vermeden mensen.

Elyas liep vastberaden door, alsof hij de weg kende, en dicht bij het midden van het bos verschenen de wagens van de Trekkers, verspreid tussen de eiken en essen.

Net als ieder ander in Emondsveld had Perijn al heel wat over ketellappers gehoord, al had hij er nog nooit een gezien, en het kamp was precies wat hij verwachtte. Hun wagens waren kleine huisjes op wielen, grote vierkante houten bouwsels die gelakt en geschilderd waren in felle tinten: rood, blauw, geel, groen en enkele tinten waarvoor hij geen naam wist. Het Trekkende Volk was bezig met klusjes die teleurstellend alledaags waren: koken, naaien, op kinderen passen, paardentuigen herstellen. Hun kleren waren zelfs nog kleurrijker dan de wagens – en schijnbaar willekeurig gekozen; soms vloekten jas en kniebroek of rok en sjaal zo verschrikkelijk dat het pijn deed aan zijn ogen. Ze zagen eruit als vlinders in een veld vol wilde bloemen.

Op verschillende plekken in het kampement speelden vier of vijf mannen op vedels en fluiten, en enkele mensen dansten als regenboogkleurige honingvogels. Kinderen en honden renden spelend tussen de kookvuren door. De honden waren bulhonden, net als de drie die de reizigers tot staan hadden gebracht, maar de kinderen trokken aan hun oren of staarten en klommen op hen en de enorme honden stonden alles rustig toe. De drie honden bij Elyas – nog steeds met hun tong uit hun bek – keken naar hem op alsof hij hun beste vriend was.

Perijn schudde zijn hoofd. Ze waren zo groot dat ze met gemak bij de keel van een man konden zonder dat ze op hun achterpoten hoefden te gaan staan.

Opeens hield de muziek op en hij besefte dat alle ketellappers hem en zijn medereizigers aankeken. Zelfs de kinderen en honden stonden stil en keken behoedzaam toe, alsof ze op het punt stonden te vluchten.

Heel even klonk er geen enkel geluid. Toen stapte een kleine, magere, grijze man naar voren om een formele buiging voor Elyas te maken. Hij droeg een rode jas met een hoge kraag en een bolle lichtgroene broek met de pijpen in zijn hoge laarzen.

‘U bent welkom bij onze vuren. Kent u het lied?’

Elyas boog op dezelfde manier, met zijn handen tegen zijn borst gedrukt. ‘Uw welkom verwarmt mijn geest, Mahdi, zoals uw vuren mijn vlees verwarmen, maar ik ken het lied niet.’

‘Dan zoeken wij nog,’ zong de man. ‘Zoals het was zal het zijn, als we het maar herinneren, zoeken en vinden.’ Zijn arm zwaaide naar de kookvuren en zijn stem klonk opgewekt en licht. ‘Het eten is haast klaar. Kom erbij, alsjeblieft.’

Alsof dat een teken was geweest, klonk de muziek weer op en lachten de kinderen weer en speelden ze verder met de honden. Alle bewoners in het kamp gingen door met hun bezigheden, alsof de nieuwkomers oude betenden waren.

De grijsharige man aarzelde even en keek naar Elyas. ‘Je... andere vrienden? Blijven zij weg? Ze maken de arme honden zo bang.’

‘Ze blijven weg, Raen.’ In het hoofdschudden van Elyas lag een zweem van minachting. ‘Dat zou je onderhand moeten weten.’

De grijsharige man stak zijn handen uit, alsof hij wilde zeggen dat niets ooit zeker was. Toen hij zich omdraaide om hen voor te gaan, stapte Egwene af en liep naar Elyas toe. ‘Jullie tweeën zijn vrienden.’

Een glimlachende Trekker verscheen om Bela over te nemen. Egwene gaf de teugels met tegenzin af, na een droog gesnuif van Elyas.

‘Wij kennen elkaar,’ antwoordde de man in bont kortaf.

‘Is zijn naam Mahdi?’ vroeg Perijn.

Elyas gromde binnensmonds. ‘Hij heet Raen. Mahdi is z’n titel. Zoeker. Hij is de leider van deze groep, je mag hem Zoeker noemen als de titel je vreemd in de oren klinkt. Hij vindt het niet erg.’

‘Wat was dat over een lied?’ vroeg Egwene.

‘Daarom trekken zij,’ zei Elyas, ‘dat zeggen ze tenminste. Ze hopen een lied te vinden dat de Mahdi zoekt. Ze zeggen dat ze het verloren tijdens het Breken van de Wereld en dat het paradijs van de Eeuw der Legenden zal terugkeren als ze het hebben gevonden.’ Hij liet zijn ogen over het kamp dwalen en snoof. ‘Ze weten niet eens wat het lied is; ze beweren dat ze het zullen herkennen als ze het vinden. Ze weten ook niet hoe het dat paradijs zou moeten terugbrengen, maar ze zoeken er nu al zo’n drieduizend jaar naar, al sinds het Breken. Ik verwacht dat ze zullen zoeken tot het Rad niet meer draait.’

Toen waren ze bij Raens vuur, in het midden van het kamp. De wagen van de Zoeker was geel, afgezet met rood, en de spaken van de hoge, roodgerande wielen waren beurtelings rood en geel. Een plompe vrouw, even grijs als Raen maar nog steeds met een gave huid, kwam de wagen uit en bleef staan op het trapje aan de voorkant, terwijl ze op haar schouders een sjaal met blauwe franje verschikte. Ze droeg een geel buis en een rode rok, beide felgekleurd. Perijn knipperde met zijn ogen bij deze combinatie en Egwene maakte een gesmoord geluid.