Выбрать главу

Toen ze de mensen achter Raen zag, stapte de vrouw met een hartelijke glimlach omlaag. Zij was Ila, de vrouw van Raen, een hoofd groter dan haar echtgenoot, en ze deed Perijn al snel de kleuren van haar kleren vergeten. Ze had iets moederlijks over zich, dat hem aan vrouw Alveren deed denken, en vanaf haar eerste glimlach voelde hij zich welkom.

Ila begroette Elyas als een oude bekende, maar met een afstandelijkheid die Raen leek te hinderen. Elyas schonk haar een glimlach en een knikje. Perijn en Egwene stelden zichzelf voor en Ila pakte hun handen in beide handen vast – met meer warmte dan ze Elyas had gegund; Egwene omarmde ze zelfs.

‘Nee maar, jij bent mooi, kind,’ zei ze en ze hield glimlachend Egwenes kin omhoog. ‘En verkleumd tot op het bot, neem ik aan. Ga lekker dicht bij het vuur zitten, Egwene. Jullie allemaal, ga zitten. Het eten is bijna klaar.’

Stukken boomstam waren als zitplaatsen rond het vuur gezet. Elyas wees zelfs die aanpassing aan de beschaving af. In plaats daarvan maakte hij het zich op de grond gemakkelijk. Aan ijzeren driepoten hingen twee kleine ketels boven de vlammen en een oventje stond aan de rand van de houtskool die door Ila even werd opgepord.

Toen Perijn en de anderen gingen zitten, stapte een slanke jongeman in groengestreepte kleren naar het vuur. Hij omhelsde Raen, kuste Ila en keek koeltjes naar Elyas en de Emondsvelders. Hij was van ongeveer dezelfde leeftijd als Perijn en hij bewoog alsof elke volgende stap een danspas kon worden.

‘Nou, Aram,’ glimlachte Ila vol genegenheid, ‘je hebt dus besloten voor de afwisseling eens bij je grootouders te eten?’ Haar glimlach gleed even langs Egwene toen ze zich vooroverboog om in de ketel boven het kookvuur te roeren. ‘Ik vraag me af waarom.’

Aram ging op een stammetje tegenover Egwene zitten, met zijn armen over zijn knieën. ‘Ik heet Aram,’ fluisterde hij op vertrouwelijke toon. Hij leek zich er niet meer van bewust te zijn dat er behalve haar nog anderen waren. ‘Ik heb op de eerste roos van de lente gewacht en nu vind ik die bij mijn grootvaders vuur.’

Perijn verwachtte een proestende Egwene, maar zag toen dat ze strak naar Aram keek. Hij wierp weer een blik op de jonge Trekker. Aram zag er meer dan goed uit, moest hij toegeven. Even later wist Perijn weer aan wie de jongen hem deed denken. Als hij uit Devenrit naar Emondsveld kwam, kreeg Wil Alseen het altijd voor elkaar dat alle meiden achter zijn rug stonden te fluisteren en hem aangaapten. Wil maakte ieder meisje dat hij zag het hof en slaagde er altijd in haar ervan te overtuigen dat hij slechts beleefd was tegen alle anderen.

‘Die honden van jullie,’ zei Perijn keihard, waardoor Egwene overeind schoot, ‘lijken wel beren. Het verbaast me dat jullie de kinderen ermee laten spelen.’

Arams glimlach zakte weg maar toen hij Perijn aankeek, kwam die weer terug, nog zekerder dan eerst. ‘Ze doen je geen kwaad. Ze maken veel kabaal om het gevaar af te schrikken en ons te waarschuwen, maar ze zijn geoefend om de Weg van het Blad te volgen.’

‘De Weg van het Blad?’ vroeg Egwene. ‘Wat is dat?’

Aram gebaarde naar de bomen, maar bleef haar strak aankijken. ‘Het blad leeft de tijd die het toegemeten is en verzet zich niet tegen de wind die het meevoert. Het blad doet geen kwaad en valt uiteindelijk neer om nieuwe bladeren te voeden. Zo zou het moeten zijn met alle mannen. En vrouwen.’ Egwene staarde hem strak aan en een zwakke blos kleurde haar wangen.

‘Maar wat houdt dat in?’ vroeg Perijn. Aram keek hem even geërgerd aan, maar het was Raen die antwoord gaf.

‘Het betekent dat geen mens een ander kwaad zou moeten doen, om welke reden dan ook.’ De ogen van de Zoeker schoten even naar Elyas. ‘Er is geen verontschuldiging voor geweld. Geen enkele. Nooit.’

‘En als iemand je aanvalt?’ hield Perijn vol. ‘Stel dat iemand je slaat, of je wil bestelen, of doden?’

Raen zuchtte geduldig, alsof Perijn gewoon niet begreep wat voor hem overduidelijk was. ‘Als iemand mij slaat, zou ik hem vragen waarom hij zoiets doet. Als hij me nog steeds wil slaan, zou ik weghollen, wat ik ook zou doen als hij me wilde beroven of doden. Het is veel beter dat ik hem laat pakken wat hij wil, zelfs mijn leven, dan dat ik geweld gebruik. En ik zou hopen dat hij niet te veel zou lijden.’

‘Maar u zei dat u hem geen kwaad zou doen,’ zei Perijn.

‘Ik niet, maar geweld doet degene die het gebruikt evenveel kwaad als degene waartegen het gebruikt wordt.’ Perijn toonde zijn twijfel.

‘Je kunt een boom omhakken met je bijl,’ zei Raen. ‘De bijl pleegt geweld tegen de boom en ontsnapt onbeschadigd. Zie jij het zo? Hout is zacht vergeleken met staal, maar het scherpe staal wordt bot van het hakken en het sap van de boom laat het roesten en bladderen. De machtige bijl pleegt geweld tegen de hulpeloze boom en wordt erdoor beschadigd. Zo is het bij mensen, hoewel het de geest is die beschadigd wordt.’

‘Maar...’

‘Genoeg,’ onderbrak Elyas hem grommend. ‘Raen, het is al erg genoeg dat je probeert de dorpsjeugd tot je onzin te bekeren. Bijna overal waar jullie komen, brengt het je in moeilijkheden, niet? Ik heb dit stel niet meegenomen zodat jij ze om kunt praten. Laat ze met rust.’

‘Om ze aan jou over te laten?’ zei Ila, die kruiden tussen haar handpalmen fijn wreef en ze in een van de ketels liet vallen. Haar stem klonk rustig, maar haar handen wreven de kruiden woedend fijn. ‘Ga je ze jouw manier leren? Doden of gedood worden? Leid jij ze naar het lot dat jijzelf verkiest, in eenzaamheid te sterven met alleen de raven en je... je vrienden om over je lichaam te vechten?’

‘Bewaar de vrede, Ila,’ zei Raen vriendelijk, alsof hij dit alles al honderden keren had gehoord. ‘Hij is welkom geheten aan ons vuur, mijn vrouw.’

Ila berustte, maar Perijn merkte dat ze zich niet verontschuldigde. In plaats daarvan keek ze Elyas aan en schudde bedroefd haar hoofd, sloeg toen haar handen af en haalde lepels en kommen van aardewerk uit een rode kist aan de zijkant van de wagen.

Raen wendde zich weer tot Elyas. ‘Oude vriend, hoe vaak moet ik je nog zeggen dat we niet proberen iemand te bekeren? Als dorpsvolk nieuwsgierig is naar onze weg, beantwoorden we hun vragen. Het zijn vaak de jongeren die het vragen, dat is waar, en soms gaat een van hen met ons mee als we verder trekken, rnaar dat is uit eigen vrije wil.’

‘Probeer dat maar eens duidelijk te maken aan een boerenvrouw die net gehoord heeft dat haar zoon of dochter met jullie is weggelopen,’ zei Elyas droog, ‘juist daarom mogen jullie in de grotere plaatsen zelfs onder de wallen niet je kamp opslaan. De dorpen laten jullie toe omdat je dingen herstelt, maar de steden hebben jullie niet nodig en ze hebben niet graag dat hun jongelui weglopen.’

‘Ik zou niet weten wat de steden toestaan.’ Raens geduld leek onuitputtelijk. Hij maakte zeker niet de indruk dat hij misschien kwaad werd. ‘Er zijn altijd gewelddadige mensen in de steden. In ieder geval denk ik niet dat het lied in een stad kan worden gevonden.’

‘Ik wil u niet beledigen, Zoeker,’ zei Perijn langzaam, ‘maar... Kijk, ik ben niet op zoek naar geweld. Ik denk niet dat ik in jaren zelfs maar met iemand geworsteld heb, behalve dan tijdens een spel op een feest. Maar als iemand mij slaat, sla ik terug. Als ik dat niet deed, zou ik hem enkel in de gedachte steunen dat hij me kan slaan wanneer hij dat wil. Sommige mensen denken dat ze zich ten koste van anderen kunnen bevoordelen en als je hen niet laat merken dat ze dat niet kunnen, gaan ze gewoon verder met iedereen lastig te vallen die zwakker is dan zij.’

‘Sommige mensen,’ zei Aram met diepe droefheid, ‘kunnen nooit hun lagere gevoelens overwinnen.’ Hij zei het met een blik die duidelijk maakte dat hij het niet had over de bullebakken waarover Perijn sprak.