‘Ik wed dat jullie vaak moeten vluchten,’ zei Perijn en het gezicht van de jonge ketellapper verstrakte op een manier die niets met de Weg van het Blad te maken had.
‘Ik vind het interessant,’ zei Egwene met een boze blik op Perijn, ‘om iemand te ontmoeten die niet gelooft dat spieren elk probleem kunnen oplossen.’
Arams goede humeur keerde terug en hij stak, terwijl hii glimlachend opstond, zijn handen naar haar uit. ‘Ik wil je ons kamp laten zien. Er zal gedanst worden.’
‘Dat zou ik leuk vinden.’ Ze glimlachte terug.
Ila ging rechtop staan bij de kleine ijzeren oven waar ze net broodjes uithaalde. ‘Maar de maaltijd is klaar, Aram.’
‘Ik eet wel bij moeder,’ zei Aram omkijkend terwijl hij Egwene aan haar hand wegvoerde. ‘We eten allebei wel bij moeder!’ riep hij met een flitsende overwinningsglimlach naar Perijn. Egwene holde lachend met hem mee. Perijn stond op, maar bleef toen staan. Er kon haar toch niets overkomen, niet als de kampbewoners de Weg van het Blad volgden, zoals Raen zei. Hij keek naar Raen en Ila die hun kleinzoon gelaten nakeken en zei: ‘Het spijt me. Ik ben uw gast en ik had niet...’
‘Doe niet zo dwaas,’ zei Ila sussend. ‘Het was zijn schuld, niet die van jou. Ga zitten en eet met ons mee.’
‘Aram is een gekwelde jongeman,’ voegde Raen er bedroefd aan toe. ‘Hij is een goede jongen, maar soms denk ik dat hij de Weg van het Blad een moeilijke weg vindt. Sommigen overkomt dat, vrees ik. Goed. Mijn vuur is het jouwe. Mag ik je...’
Perijn ging langzaam weer zitten en voelde zich opgelaten. ‘Wat gebeurt er met iemand die de Weg niet kan volgen?’ vroeg hij. ‘Een Trekker, bedoel ik.’
Raen en Ila wisselden een bezorgde blik en Raen zei: ‘Ze verlaten ons. De Verlorenen gaan in een dorp wonen.’
Ila staarde in de richting waarin haar kleinzoon was verdwenen. ‘De Verlorenen kunnen niet gelukkig worden.’ Ze zuchtte, maar haar gezicht stond weer kalm toen ze de kommen en lepels ronddeelde.
Perijn staarde naar de grond en wilde dat hij het niet had gevraagd.
Er werd niet meer gepraat toen Ila hun kommen vulde met een dikke groentestamppot en dikke sneden knapperig brood doorgaf. De stamppot was verrukkelijk en Perijn at drie kommen leeg voor hij stopte. Met een grijns merkte hij dat Elyas er vier wist weg te werken.
Na de maaltijd vulde Raen zijn pijp en ook Elyas vulde zijn pijp uit de leren buil van Raen. Toen het aansteken, aanstampen en opnieuw aansteken achter de rug was, maakten ze het zich zwijgend gemakkelijk. Ila pakte haar breiwerk op. De zon was nog maar een rode gloed boven de boomtoppen in het westen. Het kamp maakte zich klaar voor de nacht, maar de drukte werd niet minder, alleen anders. De muzikanten die aan het spelen waren geweest toen zij binnenkwamen, waren door anderen opgevolgd en in het licht van de vuren dansten er nu zelfs nog meer mensen dan ‘s-middags. Hun schaduwen gleden springend over de wagens. Ergens steeg een koor van mannenstemmen op. Perijn liet zich van het stammetje afglijden en voelde zich al snel soezerig.
Na een tijdje zei Raen: ‘Heb je nog iemand van de Tuatha’an bezocht, Elyas, sinds je vorige lente bij ons was?’
Perijns ogen schoven open en vielen weer dicht.
‘Nee,’ antwoordde Elyas, de steel van zijn pijp in zijn mond geklemd.
‘Ik hou er niet van bij te veel mensen tegelijk te zijn.’
Raen grinnikte. ‘En zeker geen mensen die op een manier leven die zo volkomen haaks op de jouwe staat, hè? Nee, oude vriend, maak je geen zorgen. Ik heb al jaren geleden de hoop opgegeven dat je onze Weg zou bewandelen. Maar ik heb een verhaal gehoord sinds onze laatste ontmoeting en als je dat nog niet ter ore is gekomen, heb je er mogelijk belangstelling voor. Ik vind het belangrijk en ik heb het verhaal vele malen gehoord, telkens als we anderen van het Volk ontmoetten.’
‘Ik luister.’
‘Het begint in het voorjaar van twee jaren terug, bij een groep van het Volk die langs de noordelijke paden de Woestenij doorkruiste.’ Perijns ogen schoten open. ‘De Woestenij? De Aielwoestenij? Ze staken de Woestenij over?’
‘Sommige mensen kunnen de Woestenij binnenkomen zonder te worden lastiggevallen,’ zei Elyas. ‘Speelmannen. Marskramers, als ze eerlijk zijn. De Tuatha’an trekken voortdurend door de Woestenij. Vroeger ook kooplieden uit Cairhien, voor de Boom dan, en de Aiel-oorlog.’
‘De Aielmensen ontwijken ons,’ zei Raen droevig, ‘hoewel velen van ons hebben geprobeerd met hen te praten. Ze kijken uit de verte naar ons, maar komen niet bij ons en staan ons ook niet toe in hun nabijheid te verkeren. Soms maak ik me zorgen dat ze mogelijk het lied kennen, hoewel ik dat niet erg aannemelijk vind. Bij de Aiel zingen mannen niet, weet je. Is dat niet vreemd? Zodra een Aieljongen man wordt, zingt hij alleen nog strijdliederen of een klaagzang voor de gevallenen. Ik heb ze bij hun doden horen zingen en bij hen die ze hebben gedood. Dat lied kan zelfs stenen laten huilen.’ Ila luisterde mee en knikte instemmend boven haar breiwerk.
Perijn moest zijn ideeën herzien. Hij had gedacht dat de ketellappers voortdurend bang zouden zijn, met al hun gepraat over vluchten, maar iemand die echt bang was, zou er zelfs niet over peinzen de Aielwoestenij over te steken. Van wat hij uit alle verhalen gehoord had, zou niemand met enig verstand proberen de Woestenij door te trekken.
‘Als dit weer een verhaal over een lied is,’ begon Elyas, maar Raen schudde zijn hoofd.
‘Nee, oude vriend, geen lied. Ik weet niet eens zeker waar het over gaat.’ Hij richtte zijn aandacht weer op Perijn. ‘Jonge Aiel reizen vaak naar de Verwording. Sommige jongemannen gaan alleen, omdat ze om de een of andere reden denken dat ze geroepen zijn de Duistere te vernietigen. De meesten gaan in kleine groepjes. Om op Trolloks te jagen.’ Raen schudde bedroefd zijn hoofd en toen hij verder vertelde, klonk zijn stem dof. Twee jaar geleden stuitte een groep van het Volk zo’n honderd span ten zuiden van de Verwording in de Woestenij op een van die groepjes.’
‘Jonge vrouwen,’ bracht Ila naar voren, even verslagen als haar echtgenoot. ‘Haast nog meisjes.’
Perijn maakte een verbaasd geluid en Elyas grijnsde hem droogjes toe.
‘Aielmeisjes hoeven niet te koken of het huis bij te houden als ze dat niet willen, jongen. Wie liever krijger wil worden, sluit zich aan bij een van de krijgsgenootschappen – de Far Dareis Mai, de Speervrouwen – en vecht zij aan zij met de mannen.’
Perijn schudde zijn hoofd. Elyas grinnikte bij het zien van zijn gezicht.
Raen nam de draad van het verhaal weer op, terwijl afkeer en verbijstering in zijn stem doorklonken. ‘De jonge vrouwen waren, op één na, allemaal dood en die enig overgeblevene was stervende. Ze kroop naar de wagens toe. Het was duidelijk dat ze wist dat wij van de Tuatha’an waren. Haar afkeer was sterker dan haar pijn, maar ze had een boodschap die zo belangrijk voor haar was dat ze die voor ze stierf moest doorgeven, desnoods aan ons. De mannen gingen nog kijken om te zien of ze iemand konden helpen – ze konden het spoor van haar bloed volgen – maar ze waren allen dood, net als driemaal zoveel Trolloks.’
Elyas ging rechtop zitten, waarbij de pijp bijna uit zijn mond viel. ‘Honderd span diep de Woestenij in? Onmogelijk! De Trolloks noemen hem Djevik K’Shar, de Stervensgrond. Ze zouden geen honderd span de Aielwoestenij intrekken, zelfs niet als alle Myrddraal van de Verwording ze opdreven.’
‘U weet wel veel van Trolloks, Elyas,’ zei Perijn.
‘Ga verder met je verhaal.’ baste Elyas tegen Raen.
‘Uit de zegetekenen die de Aiel bij zich hadden, bleek duidelijk dat ze terugkwamen uit de Verwording. De Trolloks waren hen gevolgd, maar aan de sporen te zien, zijn er maar weinig teruggekeerd nadat ze de Aiel hadden gedood. Wat het meisje betreft, ze stond niet toe dat iemand van ons haar aanraakte, zelfs niet om haar wonden te verzorgen. Maar ze greep de Mahdi bij zijn jas en dit is wat ze zei, woord voor woord: “Bladbruiner wil het Oog van de Wereld verblinden, Verlorene. Hij wil het Grote Serpent doden. Waarschuw het Volk, Verlorene. Zichtzieder komt. Vertel hun dat ze gereed moeten staan voor Hij die komt met de Dageraad. Vertel hun...” En toen stierf ze. Bladbruiner en Zichtzieder,’ voegde Raen er voor Perijn aan toe, ‘zijn Aielnamen voor de Duistere, maar verder begrijp ik er niets van. Toch vond zij het belangrijk genoeg om mensen te benaderen die ze duidelijk verachtte om met haar laatste adem die boodschap door te geven. Maar voor wie? Wij zijn onszelf, het Volk, maar ik kan me amper voorstellen dat ze ons bedoelde. De Aiel? Ze zouden ons de kans niet geven om het te vertellen als we dat wilden.’ Hij zuchtte diep. ‘Ze noemen óns de Verlorenen. Ik heb nooit geweten hoe groot hun afkeer van ons is.’ Ila liet haar breiwerk op haar schoot zakken en raakte zijn hoofd liefkozend aan.