Выбрать главу

Rhands aandacht was helemaal gericht op wat voor hen lag, op wat duidelijk in zicht kwam nu ze een flauwe bocht van de Arinelle rondden. Hij had ervan gehoord, in liederen en vertellingen, in de verhalen van de kramers, maar nu zou hij die legende echt zien.

De Witte Brug boog zich hoog over het brede water, meer dan tweemaal zo hoog als de mast van de Schuimvlok, en van het ene eind naar het andere glom hij melkachtig wit in het zonlicht en leek licht op te nemen tot hij gloeide.

Ragfijne pijlers van hetzelfde materiaal stortten zich in de sterke stroom, schijnbaar te teer om gewicht en lengte van de brug te dragen. Hij scheen uit één stuk te bestaan, alsof hij was gehouwen uit een enkele steen of gevormd door een reuzenhand, zo breed en hoog. Hij leek over de rivier te springen met een luchtige gratie die ervoor zorgde dat je de grootte bijna vergat.

Het geheel maakte van de stad die zich rond de oostelijke oprit op de oever uitstrekte een speelgoedstadje, hoewel Wittebrug een stuk groter was dan Emondsveld, met huizen van natuur- en baksteen, net zo hoog als die in Tarenveer, en met houten havenpieren die als dunne vingers de rivier in staken. Kleine bootjes zwierven overal op de Arinelle rond, met vissers die hun netten ophaalden. En boven dit alles uit torende de glanzende Witte Brug.

‘Hij ziet eruit als glas,’ zei Rhand, eigenlijk tegen niemand in het bijzonder.

Schipper Domon bleef achter hem staan en haakte zijn duimen achter zijn brede riem. ‘Welnee, knaap. Wat het ook is, het is zeker geen glas. Hoe hard de regens ook vallen, de brug is nooit glad en de beste beitel en de sterkste arm kunnen er nog geen krasje in maken.’

‘Een overblijfsel van de Eeuw der Legenden,’ zei Thom. ‘Ik heb altijd gedacht dat het dat moest zijn.’

De schipper gromde zuur. ‘Kan zijn. Maar dan toch wel nuttig. Kan zijn dat iemand anders hem heeft gebouwd. Fortuin hale me, het hoeft niet het werk van Aes Sedai te zijn. En het hoeft zeker niet zo oud te zijn. Span je eens wat in, stomme dwaas!’ Hij haastte zich weg.

Rhand bleef met nog grotere verbazing staan kijken. Uit de Eeuw der Legenden. Dus gemaakt door Aes Sedai. Daarom had schipper Domon dat gevoel, ondanks zijn gepraat over alle wonderen en vreemde dingen van de wereld. Werk van Aes Sedai. Het was één ding om ervan te horen, een tweede het te zien en aan te raken. Dat weet je toch? Heel even meende Rhand dat er een schaduw door het melkwitte bouwsel rimpelde. Hij keek de andere kant op, naar de naderende havenkaden, maar in een hoekje van zijn gezichtsveld rees de brug nog steeds op.

‘We hebben het gehaald, Thom,’ zei hij en dwong zichzelf te lachen. ‘En zonder muiterij.’

De speelman kuchte slechts en blies zijn snorpunten weg, maar twee bootslui die vlakbij een kabel klaar hielden, wierpen een scherpe blik op Rhand en bogen zich toen weer snel over hun werk. Hij hield op met lachen en probeerde niet meer naar die twee te kijken terwijl de boot het laatste stukje naar Wittebrug aflegde.

De Schuimvlok boog vloeiend om de eerste pier, dikke balken op zware geteerde pijlers, en stopte door het achteruitslaan van de riemen die het water rond hun bladen tot schuim sloegen. Toen de riemen werden ingetrokken, gooiden scheepsmaten kabels naar de mannen op de kade. Die legden ze handig vast, terwijl andere bemanningsleden de wolzakken over de zijkant slingerden om de romp tegen de stootbalken te beschermen.

Nog voor de boot keurig aangemeerd lag, verschenen er grote, glanzend zwartgelakte rijtuigen aan het einde van de kaden. Op de portieren van elk rijtuig was in grote gouden en scharlaken letters een naam geschilderd. De inzittenden van de rijtuigen haastten zich de loopplank op zodra die was uitgelegd. Mannen met gladde gezichten in lange fluwelen jassen, met zijde gevoerde mantels en stoffen schoenen werden gevolgd door eenvoudig geklede dienaren die met ijzer beslagen geldkisten droegen’

Ze liepen naar schipper Domon toe met gemaakte glimlachjes, die spoorloos verdwenen toen hij opeens midden in hun gezicht bulderde: ‘Jij!’ Hij wees met een dikke vinger langs hen heen en Floran Gelb bleef aan de andere kant van de boot stokstijf staan. De blauwe plek op Gelbs voorhoofd, afkomstig van Rhands laars, was allang verdwenen, maar nog steeds raakte hij de plek af en toe aan, alsof hij hem niet wilde vergeten. ‘Jij hebt voor het laatst tijdens je wacht op mijn schip geslapen! Of op elk schip, als ik het voor het zeggen heb. Kies je eigen kant maar uit, de kade of de rivier, maar je gaat nu van mijn schip af!’

Gelbs schouders zakten omlaag en zijn ogen schitterden van haat voor Rhand en zijn vrienden; vooral Rhand kreeg een giftige blik. De magere man keek het dek rond of hij steun zocht, maar er lag weinig hoop in zijn blik. Een voor een stond iedereen die iets aan het doen was op en keek Gelb koel aan. Gelb dook zichtbaar in elkaar, maar toen kwam zijn woede terug, tweemaal zo sterk als eerst. Met een gemompelde vloek schoot hij het vooronder in. Domon stuurde grommend twee mannen achter hem aan, zodat hij niets zou kunnen uithalen. Toen de schipper zich weer omdraaide, lachten en bogen de kooplieden weer alsof er niets was voorgevallen.

Op een teken van Thom begonnen Mart en Rhand hun spullen in te pakken. Afgezien van de kleren die ze droegen, was er niet veel mee te nemen, voor geen van hen. Rhand had zijn dekenrol en zadeltassen en het zwaard van zijn vader. Hij hield het zwaard even vast en hij voelde zo’n heimwee dat zijn ogen prikten. Hij vroeg zich af of hij Tham ooit weer zou zien. Of hij ooit weer zou thuiskomen. Thuis.

De rest van je leven op de vlucht blijven, steeds op de vlucht en bang zijn voor je eigen dromen. Met een trillende zucht sloeg hij de riem om zijn middel.

Gelb kwam het dek weer op, gevolgd door zijn twee schaduwen. Hij keek recht voor zich uit, maar Rhand kon toch de golven van haat voelen. Met een stijve rug en een donker gezicht liep Gelb met stramme benen de loopplank af en baande zich ruw een weg door de kleine groep mensen op de kade. Even later was hij uit het zicht, verdwenen achter de rijtuigen van de kooplieden.

Er waren niet erg veel mensen op de kade. Een gemengde groep in eenvoudige kleren, werklui, vissers die netten boetten en enkele stadsmensen die naar de eerste boot kwamen kijken die dit jaar uit Saldea de rivier af was gekomen. Geen van de meisjes was Egwene en niemand had ook maar iets weg van Moiraine, of Lan, of van een van de anderen die Rhand hoopte aan te treffen.

‘Misschien zijn ze niet naar de haven gekomen,’ zei hij.

‘Misschien,’ antwoordde Thom kortaf. Hij hees zijn instrumentkistjes zorgvuldig op zijn rug. ‘Kijk uit voor die Gelb. Als hij kan, zal hij problemen veroorzaken. We willen stilletjes door Wittebrug trekken, zodat ze ons na vijf minuten weer vergeten zijn.’

Toen ze naar de loopplank liepen, fladderden hun mantels in de wind. Mart droeg zijn boog schuin voor zijn borst. Zelfs na al hun dagen op de boot viel deze boog de bemanning nog steeds op omdat hun eigen bogen maar klein waren.

Schipper Domon liet de kooplieden staan om Thom bij de loopplank op te vangen. ‘U vertrekt nu, speelman? Ik kan u niet overhalen verder mee te reizen? Ik zak de hele rivier af, tot Illian, waar de mensen een speelman op waarde schatten. Er is voor uw kunst geen betere plaats ter wereld. Ik zorg ervoor dat u daar ruim op tijd komt voor het feest van Sefan. De spelen, weet u wel. Honderd gouden marken voor de beste verteller van De Grote Jacht op de Hoorn.’