‘Een geweldige prijs, schipper,’ antwoordde Thom met een ingewikkelde buiging en een zwierige zwaai van zijn mantel waardoor de lapjes opwaaiden, ‘en geweldige spelen die terecht speelmannen uit de hele wereld aantrekken. Maar,’ voegde hij er droogjes aan toe, ‘ik ben bang dat we ons uw vaarprijzen niet kunnen veroorloven.’
‘Tja, nou, wat dat betreft...’ De schipper haalde een leren buidel tevoorschijn uit zijn jaszak en gooide die Thom toe. Hij rinkelde toen Thom hem opving. ‘Het geld dat u hebt betaald, en nog wat erbij. De schade was niet zo groot als ik dacht en u hebt meer dan uw steentje bijgedragen, met uw verhalen en uw harp. Ik kan mogelijk weer evenveel verdienen als u aan boord blijft tot de Zee der Stormen. En ik zet u dan af in Illian. Een goede speelman kan daar, ook zonder de spelen, zijn fortuin maken.’
Thom aarzelde, woog de beurs op zijn hand, tot Rhand van zich liet horen. ‘We zullen hier vrienden ontmoeten, schipper, en dan gaan we samen verder naar Caemlin. We zullen Illian een andere keer moeten bezoeken.’
Thom glimlachte zuinig. Toen blies hij zijn lange snorpunten weg en stak de beurs in zijn zak. ‘Misschien. Als degenen die we zouden ontmoeten er niet zijn, schipper.’
‘Goed,’ zei Domon zuur. ‘Denk erover na. Het is jammer dat ik Gelb niet meer aan boord heb om de boosheid van de anderen op te vangen, maar ik doe wat ik beloof. Ik neem aan dat ik het nu rustiger aan zal moeten doen, zelfs al betekent dat dat ik er drie keer zo lang over doe om in Illian te komen. Nou, misschien achtervolgden die Trolloks écht jullie drieën.’
Rhand knipperde met zijn ogen en hield zijn mond, maar Mart was niet zo voorzichtig.
‘Waarom denkt u van niet?’ wilde hij weten. ‘Ze zaten achter dezelfde schat aan als wij.’
‘Kan zijn,’ gromde de schipper, die niet overtuigd klonk. Hij kamde met zijn dikke vingers door zijn baard en wees toen op de zak waarin Thom de beurs had gestoken. ‘Het dubbele als je terugkomt om de gedachten van de mannen af te leiden van het feit dat ik ze zo hard laat werken. Denk erover na. Ik gooi morgenochtend met het eerste licht los.’ Hij draaide zich op zijn hakken om en ging met wijd open armen terug naar de kooplieden, alsof hij zich wilde verontschuldigen dat hij hen had laten wachten.
Thom aarzelde nog, maar Rhand trok hem mee de loopplank af, zonder hem de kans te geven tegen te stribbelen en de speelman liet zich meevoeren. Een gefluister trok door de menigte in de haven toen men de lapjesmantel van Thom zag. Sommigen riepen naar hem, omdat ze wilden weten waar hij ging spelen. Ons meteen al vergeten zijn, ja, ja, dacht Rhand. Tegen de avond zou heel Wittebrug weten dat er een speelman in de stad was. Maar hij trok Thom snel mee. Die hulde zich in wrokkig zwijgen en probeerde het niet eens langzamer aan te doen, zodat hij met al die aandacht kon pronken.
De koetsiers keken vanaf hun hoge bokken belangstellend neer op Thom, maar blijkbaar verbood de waardigheid van hun rang hen om te schreeuwen. Zonder dat Rhand goed wist waar ze heen moesten, sloeg hij de straat langs de rivier in en ging onder de brug door.
‘We moeten Moiraine en de anderen vinden,’ zei hij. ‘En snel ook. We hadden eraan moeten denken Thom een andere mantel te geven.’
Thom vermande zich opeens en bleef stokstijf staan. ‘Een herbergier kan ons vertellen of ze hier zijn of dat ze langs zijn gekomen. De juiste herbergier. Herbergiers beschikken over alle nieuwtjes en roddeltjes. Als ze er niet zijn...’ Hij keek van Mart naar Rhand. ‘Wij moeten eens praten, wij drieën.’ Met zijn mantel flapperend rond zijn enkels liep hij de stad in, weg van de rivier. Rhand en Mart moesten sneller gaan lopen om hem bij te houden.
De brede melkwitte boog waaraan de stad zijn naam ontleende, overheerste Wittebrug van dichtbij evenzeer als vanaf de rivier, maar toen Rhand eenmaal door de straten liep, besefte hij dat de stad zeker zo groot was als Baerlon, hoewel er minder mensen op straat waren. Enkele karren werden rondgetrokken door een paard, os, ezel of man, maar er waren geen rijtuigen. Die waren waarschijnlijk van de kooplieden en stonden nu allemaal in de haven. Er bevonden zich allerlei soorten winkels in de straten en veel vaklui werkten voor hun nering onder de uithangborden die heen en weer zwaaiden in de wind. Ze kwamen langs een man die pannen herstelde en een kleermaker die voor een klant lappen stof legen het licht hield. Een schoenmaker zat in zijn deuropening op de hak van een laars te hameren. Straatventers boden aan om messen en scharen te slijpen of probeerden voorbijgangers te interesseren voor hun karige bakjes met vruchten en groenten, maar ze leken weinig zaken te doen. Winkels die voedsel verkochten, toonden dezelfde armzalige producten die Rhand zich nog van Baerlon herinnerde. Zelfs de visboeren hadden maar kleine hoeveelheden ondermaatse vis, ondanks al die boten op de rivier. Het waren nog niet echt moeilijke tijden, maar iedereen kon zien wat er zou gebeuren als het weer niet gauw zou omslaan en de gezichten die nog geen zorgelijke frons vertoonden, staarden naar iets onzichtbaars, iets zeer onprettigs.
Waar de Witte Brug eindigde, midden in de stad, lag een groot plein, met straatstenen die door generaties voeten en wagenwielen waren afgesleten. Overal rond het plein zag hij herbergen, winkels en hoge huizen van rode baksteen. De uithangborden bij de huizen toonden dezelfde namen als Rhand op de rijtuigen in de haven had gezien. Thom dook een schijnbaar willekeurig gekozen herberg in. Het bord boven de deur toonde aan de ene kant een wandelaar met een bundel op zijn rug en aan de andere kant dezelfde man met zijn hoofd op een kussen. Op beide zijden van het bord stond de naam van de herberg: Reizigers Rust.
De gelagkamer was vrijwel leeg. Een dikke herbergier tapte bier uit een vat en achterin zaten twee mannen in ruwe werkkledij die nors in hun pullen op de tafel staarden. Alleen de herbergier keek op toen ze binnenstapten. Een schouderhoge muur verdeelde het vertrek van voor naar achter in tweeën, met aan elke kant tafels en een brandende haard. Rhand vroeg zich terloops af of alle herbergiers dik en kalend waren.
Terwijl hij zijn handen stevig wreef, maakte Thom een opmerking tegen de herbergier over de aanhoudende kou, bestelde een hete kruidenwijn en voegde er toen snel aan toe: ‘Heb je nog een plekje waar ik en mijn vrienden ongestoord kunnen praten?’
De herbergier knikte in de richting van de scheidingsmuur. ‘De andere kant, da’s het beste wat ik je kan aanbieden, tenzij jullie een kamer willen hebben. De muur is voor als de bootslieden van de rivier komen. Het lijkt wel of de helft van de bemanningen een grief heeft tegen de andere helft. Ik wil niet dat mijn zaak door gevechten in elkaar geslagen wordt, dus houd ik ze gescheiden.’ Hij had al die tijd naar Thoms mantel staan staren; nu hield hij zijn hoofd scheef en keek hem sluw aan. ‘Blijven jullie hier? Heb al een tijd geen speelman meer gehad. Mensen zouden heel goed betalen voor iets wat hun gedachten een beetje afleidt. Ik zou zelfs uw kamer en maaltijden wat goedkoper kunnen aanbieden.’
Onopgemerkt, dacht Rhand schamper.
‘U bent te edelmoedig,’ zei Thom met een beleefde buiging. ‘Misschien neem ik uw aanbod wel aan. Maar voor nu graag een rustig plekje.’
‘Ik zal uw wijn brengen. Een speelman kan hier goed geld verdienen.’
De tafeltjes aan de andere kant van de muur waren allemaal leeg, maar Thom koos er een in het midden van de ruimte. ‘Dan kan niemand meeluisteren zonder dat we het merken,’ legde hij uit. ‘Hoorde je die vent? Wat goedkoper kunnen aanbieden! Licht, ik verdubbel zijn omzet al door hier te gaan zitten. Elke eerlijke herbergier geeft een speelman een kamer en eten, en nog wat meer dan dat.’
De kale tafel was niet al te schoon en de vloer was al dagen, misschien wel weken niet geveegd. Rhand keek rond en maakte een grimas. Meester Alveren zou zijn herberg niet zo laten vervuilen, al moest hij ervoor van zijn ziekbed opstaan. ‘We willen alleen inlichtingen, weet je nog?’