‘Waarom hier?’ wilde Mart weren. ‘We zijn langs andere herbergen gekomen die er schoner uitzagen.’
‘Loop de brug over,’ zei Thom, ‘en je staat op de weg naar Caemlin. Iedereen die door Wittebrug komt, gaat dit plein over, tenzij men over het water reist en we weten dat jullie vrienden dat niet doen. Als we hier niets van ze horen, is er gewoon niets te horen. Laat het praten maar aan mij over. Dit moet omzichtig gedaan worden.’
Net op dat moment verscheen de herbergier met drie gedeukte tinnen pullen in zijn hand. In de andere had hij een doek waarmee hij over de rafel veegde, waarna hij de pullen neerzette en Thoms geld aanpakte. ‘Als u blijft zijn de drankjes gratis. Goede wijn, hier.’
Thoms glimlach bereikte slechts één mondhoek. ‘Ik zal erover denken, herbergier. Nog nieuws hier? We hebben al lange tijd niets kunnen horen.’
‘Groot nieuws, zeker. Groot nieuws.’
De herbergier sloeg de doek over zijn schouder en trok een stoel bij. Hij sloeg zijn armen op de tafel over elkaar, schoof met een diepe zucht heen en weer en vertelde hoe heerlijk het was even te kunnen zitten. Zijn naam was Bartim en hij nam alle bijzonderheden van zijn voeten door, van zijn likdoorns tot aan zijn eeltknobbels, en hoe lang hij wel niet stond en in wat voor voetbad hij ze ’s avonds deed, tot Thom hem aan het nieuws herinnerde, waarna hij daar vrijwel naadloos op doorging.
Het nieuws was inderdaad, zoals hij zei, groot. Logain, de valse Draak, was na een grote veldslag bij Lugard gevangengenomen toen hij probeerde zijn leger van Geldan naar Tyr te verplaatsen. De Voorspellingen, begrepen ze dat? Thom knikte en Bartim ging verder. De wegen naar het zuiden waren vol mensen, de gelukkigsten met wat ze konden dragen op hun rug. Duizenden vluchtten alle kanten op.
‘Niemand,’ grinnikte Bartim, ‘had natuurlijk Logain gesteund. O nee, je zult er niet veel tegenkomen die dat toegeven, nu niet. Alleen vluchtelingen die een veilige plek proberen te vinden tijdens de moeilijkheden.’
Natuurlijk waren er Aes Sedai betrokken geweest bij de gevangenneming van Logain. Bartim spoog op de vloer toen hij dat zei en opnieuw toen hij vertelde dat ze de valse Draak meenamen naar het noorden, naar Tar Valon. Bartim was een nette man, zei hij, een gerespecteerd man, en de Aes Sedai mochten helemaal naar de Verwording lopen, waar ze vandaan kwamen, en Tar Valon met zich meenemen, wat hem betrof. Hij zou nog geen honderd span in de buurt van een Aes Sedai willen komen als hij het voor het zeggen had. Natuurlijk stopten ze op hun weg in alle dorpen en steden om Logain te tonen, had hij gehoord. Om de mensen te laten zien dat de valse Draak gevallen en de wereld weer veilig was. Dat zou hij graag willen zien, zelfs als het betekende dat hij dicht bij Aes Sedai zou moeten komen. Hij had wel zin om naar Caemlin te gaan.
‘Ze brengen hem erheen om hem aan koningin Morgase te laten zien.’
De herbergier tikte even uit achting tegen zijn voorhoofd. ‘Ik heb de koningin nog nooit gezien. Een mens behoort toch eens zijn eigen koningin te gaan zien, nietwaar?’
Logain kon ‘dingen’ doen en de manier waarop Bartims ogen ronddraaiden en zijn tong over zijn lippen gleed, maakte duidelijk wat hij bedoelde. Hij had de vorige valse Draak gezien, twee jaar geleden, toen die in het land aan het volk was getoond, maar dat was gewoon een kerel die dacht dat hij zich tot koning kon uitroepen. Toen waren er geen Aes Sedai nodig geweest. Soldaten hadden hem op een kar geketend. Een nors uitziende vent die midden op de karbodem zat te janken en zijn armen om zijn hoofd sloeg als mensen stenen gooiden of hem met stokken porden. Het waren er velen geweest en de soldaten hadden niets gedaan om het tegen te gaan, zolang ze die vent maar niet doodden. Het was het beste de mensen te laten zien dat hij eigenlijk niks bijzonders was. Hij kon geen... dingen doen.
Die Logain, die zou de moeite van het bekijken waard zijn. Iets waar Bartim zijn kleinkinderen over kon vertellen. Als hij maar een tijdje van de herberg weg kon.
Rhand luisterde met een belangstelling die niet geveinsd was. Toen Padan Fajin voor het eerst in Emondsveld had verteld over een valse Draak, een man die echt de Kracht geleidde, was dat in Tweewater het grootste nieuws sinds jaren geweest. Wat er daarna was gebeurd, had dat nieuws naar de achtergrond geschoven, maar het was nog steeds het soort nieuws waarover de mensen nog jaren zouden spreken en dat ze aan hun kleinkinderen zouden vertellen. Bartim zou de zijne waarschijnlijk vertellen dat hij Logain had gezien, of het nou waar was of niet. Niemand zou ooit denken dat dat wat er met dorpslui uit Tweewater gebeurde de moeite van het vertellen waard was, behalve dan de mensen van Tweewater zelf.
‘Daar zou nou een verhaal van te maken zijn,’ zei Thom, ‘een verhaal dat nog duizend jaar lang verteld zou worden. Ik wou dat ik erbij was geweest.’ Hij liet het klinken of het de zuivere waarheid was en Rhand nam dat ook zonder meer aan. ‘Misschien ga ik wel proberen hem te zien. U hebt niet verteld welke wegen ze bereizen. Zijn er mogelijk nog reizigers in de buurt? Misschien weten die welke steden ze aandoen.’
Bartim wuifde afwijzend met een groezelige hand. ‘Naar het noorden, dat is alles wat hier bekend is. Ga naar Caemlin, als u hem wilt zien. Dat is het enige dat ik weet en als er iets te weten valt in Wittebrug, dan weet ik het.’
‘Daar twijfel ik niet aan,’ zei Thom gladjes. ‘Ik denk dat er heel wat vreemdelingen op doortocht hier stoppen. Ik zag uw bord al onder aan de Witte Brug.’
‘O, ze komen niet alleen uit het westen moet u weten. Twee dagen terug was hier een man, een Illianer, met een bekendmaking vol zegels en linten. Las hem hier midden op het plein voor. Zei dat hij het nieuws tot aan de Mistbergen zou verspreiden, misschien zelfs tot aan de randen van de Arythische Oceaan, als de passen begaanbaar zijn. Zei dat ze boden hebben gestuurd om het in alle landen van de wereld voor te lezen.’ De herbergier schudde zijn hoofd. ‘De Mistbergen. Ik hoor dat die het hele jaar met mist zijn bedekt en dat er dingen in die mist zijn die het vlees van je botten rijten voor je “Licht” kunt zeggen.’ Mart proestte het uit, wat hem een scherpe blik van Bartim opleverde.
Thom boog zich gespannen naar de man toe. ‘Wat stond er in de bekendmaking?’
‘Hè? De Jacht op de Hoorn, natuurlijk!’ riep Bartim uit. ‘Had ik dat nog niet gezegd? De Illianers roepen iedereen die zijn leven aan de Jacht wil wijden op om in Illian bijeen te komen. Kunt u het zich voorstellen? Zweren dat je je leven aan een legende wijdt? Ik vermoed dat ze wel wat dwazen kunnen vinden. Er zijn altijd gekken voor zoiets te vinden. Deze kerel beweerde dat het einde van de wereld naderde. De laatste strijd tegen de Duistere.’ Hij grinnikte, maar het klonk leeg, als een man die zichzelf ervan probeert te overtuigen dat er iets te lachen valt. ‘Ze zullen wel denken dat de Hoorn van Valere moet worden gevonden voor dat gebeurt. Wat zeggen jullie me daarvan?’ Hij beet even bedachtzaam op een knokkel. ‘Natuurlijk weet ik niet of ik er na deze winter nog iets van kan zeggen. Zo’n winter en die kerel Logain, en die andere twee daarvoor. Waarom zijn er de laatste jaren zoveel lui die beweren dat ze de Draak zijn? En dan deze winter. Moet toch iets betekenen. Wat denkt u?’
Thom leek hem niet te horen. Zacht begon de speelman een vers op te zeggen.
‘Dat is het.’ Bartim grijnsde alsof hij al voor zich zag hoe talloze klanten hem hun geld gaven terwijl ze naar Thom luisterden. ‘Dat is het. De Grote jacht op de Hoorn. Als je dat verhaal vertelt, hangen ze desnoods aan de nokbalken. Iedereen heeft van de bekendmaking gehoord.’
Thom leek nog steeds duizend span ver weg, dus zei Rhand: ‘We zijn op zoek naar enkele vrienden die deze kant op zouden komen. Uit het westen. Zijn er de laatste paar weken veel vreemdelingen langsgekomen?’