‘Een paar,’ zei Bartim langzaam. ‘Er komen altijd wel wat vreemdelingen langs, zowel uit het oosten als westen.’ Hij keek hen stuk voor stuk aan, opeens behoedzaam. ‘Hoe zien ze eruit, die vrienden van je?’
Rhand deed zijn mond al open, maar Thom, opeens weer terug vanwaar hij met zijn gedachten was geweest, keek hem scherp aan, zodat hij zijn mond hield. Met een vermoeide zucht wendde de speelman zich tot de herbergier. ‘Twee mannen en drie vrouwen,’ zei hij terughoudend. ‘Ze kunnen samen zijn of ook niet.’ Hij gaf een ruwe beschrijving, tekende ieder met slechts enkele woorden, voldoende voor iedereen die ze had gezien om ze te herkennen, zonder dat hij zei wie ze waren.
Bartim wreef met zijn hand over zijn hoofd en maakte zijn dunne haren nog meer in de war en stond langzaam op. ‘Vergeet wat ik zei over optreden, speelman. Feitelijk zou ik het op prijs stellen als u uw wijn opdronk en wegging. Vertrek uit Wittebrug als u slim bent.’
‘Iemand anders heeft naar ze gevraagd?’ Thom nam een slok, alsof het antwoord de onbenulligste zaak ter wereld was en trok een wenkbrauw op terwijl hij de herbergier aankeek. ‘Wie zou dat zijn?’
Bartim krabde weer met zijn hand door zijn haren en schuifelde met zijn voeten alsof hij op het punt stond weg te lopen, maar knikte toen in zichzelf. ‘Ongeveer een week geleden, voor zover ik het nog weet, kwam er een man de brug over, net een wezel. Een gek, dacht iedereen. Praatte voortdurend in zichzelf en had geen moment rust, zelfs niet als hij zat of stond. Vroeg naar dezelfde mensen... naar enkelen daarvan. Hij vroeg het of het belangrijk was en deed dan weer net of het hem niet kon schelen wat hij te horen kreeg. De ene keer zei hij dat hij hier op ze moest wachten en de volgende dat hij verder moest, omdat hij haast had. Het ene moment stond hij te janken en te smeken en het volgende deelde hij bevelen uit of hij de koningin was. Haalde zich een paar keer bijna een pak slaag op de hals, of hij nou gek was of niet. De stadswacht had hem bijna opgesloten, voor zijn eigen veiligheid. Hij ging diezelfde dag nog naar Caemlin, in zichzelf pratend en huilend. Een gek, zoals ik al zei.’
Rhand keek Thom en Mart vragend aan en beiden schudden hun hoofd. Als dat wezelachtige mannetje hen zocht, dan was het niet iemand die ze kenden.
‘Weet u zeker dat hij naar dezelfde mensen vroeg?’ zei Rhand.
‘Een paar daarvan. Een grote krijgsman en een vrouw in zijde. Maar over die twee maakte hij zich niet zo druk. Het ging hem om drie boerenjongens.’ Zijn ogen gleden over Rhand en Mart en schotel toen weer weg, zo snel dat Rhand niet eens zeker wist of de man hem echt had aangekeken of dat hij het zich had verbeeld. ‘Hij wilde ze wanhopig graag vinden. Maar hij was gek, zoals ik zei.’
Rhand huiverde en vroeg zich af wie die gek kon zijn en waarom hij naar hen zocht. Een Duistervriend? Zou Ba’alzamon Duistervrienden gebruiken?
‘Ja, die was krankzinnig, maar die andere...’ Bartims ogen schoten ongerust opzij en hij liet zijn tong langs zijn lippen glijden, alsof hij geen speeksel meer had om ze nat te maken. ‘De dag daarop... de dag daarop kwam die ander voor het eerst.’ Hij zweeg.
‘Die ander?’ spoorde Thom hem aan.
Bartim keek rond, hoewel hun kant van het vertrek verder nog leeg was. Hij ging zelfs op zijn tenen staan om over de tussenmuur te kijken. Toen hij weer begon te praten, was het gejaagd en fluisterend. ‘Helemaal in het zwart, die laatste. Hield de kap van zijn mantel omhoog zodat je zijn gezicht niet kon zien, maar je kon voelen dat hij je bekeek, het voelde als een ijspegel die in je merg wordt gedrukt. Hij... hij sprak tegen mij.’ Hij kromp in elkaar en stopte om op zijn lip te bijten. ‘Klonk alsof er een slang door dode bladeren kwam aanglibberen. Echt, of mijn maag in ijs veranderde. En iedere keer als hij terugkwam, stelde hij dezelfde vragen. Dezelfde vragen die die gek vroeg. Niemand zag hem ooit aankomen – opeens stond hij er, overdag of ‘s avonds, en liet je ter plekke bevriezen. Mensen begonnen om zich heen te kijken. En het ergste is: de poortwachters beweren dat hij nog nooit door een poort is gekomen, niet naar binnen en ook niet naar buiten.’
Rhand deed alle mogelijke moeite zijn gezicht nietszeggend te houden; hij klemde zijn tanden op elkaar tot ze pijn deden. Mart gromde en Thom keek aandachtig naar zijn wijn. Het woord dat geen van hen wilde zeggen, hing loodzwaar boven de tafeclass="underline" Myrddraal.
‘Ik denk dat ik het me wel zou kunnen herinneren als ik ooit zo iemand had ontmoet,’ zei Thom na lang zwijgen.
Bartims hoofd ging heftig op en neer. ‘Drakenvuur, maar dat zou u zeker. Zo waar als het Licht, dat zou u zeker. Hij... hij vroeg naar hetzelfde stel als die gek, alleen zei hij dat er een meisje bij was. En...’ hij keek van opzij naar Thom, ‘en een speelman met wit haar.’
Thoms wenkbrauwen schoten omhoog, volgens Rhand een teken van echte verrassing. ‘Een speelman met wit haar? Nou, ik ben echt niet de enige speelman in de wereld die op jaren is gekomen. Ik verzeker u dat ik die kerel niet ken en volgens mij heeft hij geen enkele reden om naar me te zoeken.’
‘Wat u zegt, wat u zegt,’ zei Bartim gemelijk. ‘Hij zei het niet met zoveel woorden, maar ik kreeg de indruk dat hij niet in zijn schik zou zijn als iemand probeerde die mensen te helpen of ze voor hem te verbergen. In ieder geval vertelde ik hem wat ik jullie verteld heb. Ik heb niemand gezien, noch van niemand over ze gehoord, en dat is de waarheid. Niemand!’ besloot hij nadrukkelijk. Abrupt wierp hij Thoms geld terug op de tafel. ‘Drink gewoon uw wijn op en vertrek. Goed? Goed?’ En hij hobbelde weg zo snel hij kon terwijl hij over zijn schouder keek.
‘Een Schim,’ hijgde Mart toen de herbergier uit het zicht verdwenen was. ‘Ik had kunnen weten dat ze hier naar ons zouden zoeken.’
‘En hij komt terug,’ zei Thom, zich over de tafel buigend en zachter pratend. ‘Ik zou zeggen: laten we terugglippen naar de boot en het aanbod van schipper Domon aannemen. De jacht zal zich op de weg naar Caemlin richten terwijl wij op weg naar Illian zijn, duizend span van waar de Myrddraal ons verwachten.’
‘Nee,’ zei Rhand vastberaden. ‘We wachten in Wittebrug op Moiraine en de anderen of we gaan verder naar Caemlin. Het een of het ander, Thom. Dat hebben we afgesproken.’
‘Gekkenwerk, jongen. De dingen liggen nu anders. Luister goed. Wat die herbergier ook zegt, als een Myrddraal hem aanstaart, zal hij alles tot de laatste kleinigheid spuien: zelfs wat we dronken en hoeveel stof we op onze laarzen hadden.’ Rhand huiverde en herinnerde zich de oogloze blik van de Schim. ‘Wat Caemlin betreft... Denk jij echt dat de Halfman niet weet dat je naar Tar Valon wil? Dit is een geschikte tijd om op een boot naar het zuiden te zitten.’
‘Nee, Thom.’ Rhand moest de woorden eruit wringen, terwijl hij dacht aan duizend span afstand tussen hem en de Schimmen, maar hij haalde diep adem en slaagde erin vastberaden te klinken: ‘Nee.’
‘Denk na, jongen! Illian! Er is geen grootsere stad op de wereld. En de Grote Jacht op de Hoorn! Er is al bijna vierhonderd jaar geen Jacht op de Hoorn meer geweest. Een heel nieuwe reeks verhalen ligt daar te wachten om gemaakt te worden. Denk eens na. Van zoiets heb je je hele leven nog niet gedroomd. Tegen de tijd dat de Myrddraal hebben uitgezocht waar je naartoe bent gegaan, ben je oud en grijs en zo moe van het spelen met je kleinkinderen dat het je niet meer kan schelen of ze je vinden.’
Rhands gezicht stond koppig. ‘Hoeveel keer moet ik “nee” zeggen? Ze vinden ons, waar we ook heen gaan. Ook in Illian zouden Schimmen ons opwachten. En hoe kunnen we de dromen ontsnappen? Ik wil weten wat er met mij aan de hand is, Thom, en waarom. Ik ga naar Tar Valon. Met Moiraine als ik kan, zonder haar als ik moet. Alleen, als dat moet. Ik moet het weten.’
‘Maar Illian, jongen! En een veilige ontsnappingsweg, de rivier af terwijl ze jullie in een andere richting zoeken. Bloed en as, een droom doet je geen pijn.’
Rhand hield zijn mond. Een droom doet geen pijn’ Prikken droomdoorns tot bloedens toe’ Hij wilde bijna dat hij Thom ook over die droom had verteld. Durf je het iemand te vertellen? Ba’alzamon is in je dromen, maar is er nog echt verschil tussen waken en dromen? Wie durf je te vertellen dat de Duistere je aanraakt?