Выбрать главу

Thom leek het te begrijpen. Het gezicht van de speelman werd zachter. ‘Zelfs dié dromen, kerel. Het zijn toch maar gewoon dromen, niet? Omwille van het Licht, Mart, praat met hem. Ik weer dat jij in ieder geval niet naar Tar Valon wilt gaan.’

Marts gezicht werd rood, half verlegen en half boos. Hij vermeed het Rhand aan te kijken en snauwde in plaats daarvan nijdig tegen Thom: ‘Waarom al dit geklets en gezeur? Je wilt terug naar de boot? Ga dan terug naar de boot. Wij zorgen wel voor onszelf.’

De magere schouders van de speelman schudden van stil gelach, maar zijn stem klonk kwaad en gespannen. ‘Denk jij dat je genoeg van Myrddraal weet om alleen te kunnen ontsnappen? Denk jij dat je klaar bent om in je eentje Tar Valon binnen te stappen en jezelf aan de genade van de Amyrlin Zetel over te geven? Kun jij zelfs maar de ene Ajah van de andere onderscheiden? Moge het Licht me branden, jongen, als je denkt dat je in je eentje zo ver komt als Tar Valon. Als je dat denkt, zeg dan maar tegen me dat ik kan gaan.’

‘Ga,’ grauwde Mart en liet zijn hand onder zijn mantel glijden. Rhand besefte geschokt dat hij de dolk uit Shadar Logoth vasthield, misschien zelfs bereid was hem te gebruiken.

Rauw gelach barstte los aan de andere kant van de lage muur en een minachtende stem sprak luid: Trolloks? Verkleed je als speelman, grappenmaker! Je bent dronken! Trolloks? Fabeltjes uit de Grenslanden!’

De woorden blusten hun boosheid als een vat ijskoud water. Zelfs Mart draaide zich met grote ogen half naar de muur.

Rhand richtte zich net genoeg op om over de muur te kijken en dook toen weer neer, met een zwaar gevoel in zijn maag. Floran Gelb zat aan de andere kant, aan het tafeltje met de twee mannen die er bij hun binnenkomst al zaten. Ze zaten hem uit te lachen, maar ze luisterden wel. Bartim veegde een tafel af, keek niet naar Gelb en de twee anderen, maar stond wel te luisteren, want hij bleef met zijn doek steeds maar hetzelfde plekje boenen en boog zich zo ver opzij naar het tafeltje van Gelb dat hij bijna omviel.

‘Gelb!’ siste Rhand toen hij zich in zijn stoel liet terugvallen, en de anderen verstrakten. Thom nam snel hun kant van het vertrek op. Aan de andere kant van de tussenmuur klonk de stem van de tweede man. ‘Nee, nee, vroeger waren daar Trolloks. Maar ze zijn allemaal gesneuveld in de Trollok-oorlogen.’

‘Fabeltjes uit de Grenslanden,’ herhaalde de eerste.

‘Het is waar, ik zeg het je,’ protesteerde Gelb luid. ‘Ik ben in de Grenslanden geweest. Ik heb Trolloks gezien en dat waren Trolloks, zo zeker als ik nu hier zit. Die drie beweerden dat ze achterna werden gezeten door Trolloks, maar ik weet wel beter. Daarom wilde ik niet op de Schuimvlok blijven. Ik had al enige tijd zo mijn verdenkingen tegen Baile Domon, maar die drie zijn Duistervrienden, zo zeker als wat. Laat mij jullie eens...’ Gelach en ruwe moppen overstemden de rest van war Gelb wilde vertellen.

Hoe lang, vroeg Rhand zich af, zou het duren voor de herbergier een beschrijving kreeg van ‘die drie’? Als hij die al niet had. Als hij al niet meteen dacht aan de drie vreemden die hij net had gesproken.

De enige deur in hun helft van de gelagkamer lag vlak bij het tafeltje van Gelb.

‘Misschien is die boot nog niet zo’n gek idee,’ fluisterde Mart, maar Thom schudde ontkennend zijn hoofd.

‘Niet meer.’ De speelman sprak zachtjes en gehaast. Hij trok de leren beurs tevoorschijn die schipper Domon hem had gegeven en verdeelde haastig de munten in drie stapeltjes. ‘Dat verhaal gaat binnen een uur de hele stad door, of iemand het nou gelooft of niet, en de Halfman zal het gauw genoeg te weten komen. Domon zeilt pas morgenochtend vroeg uit. Op zijn best heeft hij de hele weg naar Illian Trolloks aan zijn roer hangen. Nou, om de een of andere reden verwacht hij dat al zo’n beetje, maar dat helpt ons niet. Voor ons zit er niets anders op dan ervandoor te gaan, en snel ook.’

Mart stopte snel de munten die Thom hem toeschoof in zijn zak. Rhand pakte zijn stapel langzamer op. De munt van Moiraine zat er niet hij. Domon had hen hetzelfde gewicht aan zilver gegeven, maar Rhand wou om een reden die hij niet kon begrijpen, dat hij de munt van de Aes Sedai had teruggekregen. Hij schoof het geld in zijn zak en keek de speelman vragend aan.

‘Voor het geval we elkaar kwijtraken,’ legde Thom uit. ‘Zal wel niet, waarschijnlijk, maar voor het geval dat... nou ja, jullie tweeën zullen het samen wel rooien. Jullie zijn een goed stel. Maar blijf uit de buurt van Aes Sedai, als je leven je lief is.’

‘Ik dacht dat u bij ons bleef,’ zei Rhand.

‘Blijf ik ook, jongen, blijf ik ook. Maar ze zitten ons nu op de hielen en het Licht mag het weten. Nou ja, niet belangrijk. Waarschijnlijk gebeurt er niets.’ Thom zweeg en keek Mart aan. ‘Ik hoop dat je het niet erg meer vindt dat ik bij jullie blijf,’ zei hij droog.

Mart schokschouderde. Hij keek Rhand en Thom aan en haalde toen opnieuw de schouders op. ‘Ik ben wat gespannen. Ik schijn het maar niet kwijt te kunnen raken. Telkens als we even stoppen om op adem te komen, zijn ze er om ons op te jagen. Ik heb het gevoel alsof er steeds iemand achter mij naar me staat te loeren. Wat zullen we doen?’

Aan de andere kant van de muur barstte opnieuw gelach los, dat weer werd onderbroken door Gelb. Hij probeerde de andere twee er luidkeels van te overtuigen dat hij de waarheid sprak. Hoeveel tijd nog? vroeg Rhand zich af. Vroeg of laat zou Bartim verband leggen tussen Gelbs drietal en hun drieën.

Thom schoof zachtjes zijn stoel naar achteren en stond op, maar zorgde ervoor dat hij niet boven de muur uitstak. Iemand die er van de andere kant overheen keek, kon hem niet per ongeluk zien. Hij gebaarde dat ze hem moesten volgen en fluisterde: ‘Wees heel stil.’

De vensters aan weerszijden van de schouw aan hun kant van de muur keken uit op een steeg. Thom bestudeerde een van de ramen nauwkeurig voor hij het hoog genoeg optrok om erdoorheen te kunnen kruipen. Hij maakte amper geluid, niets wat aan de andere kant van de lage afscheiding, drie voet verder, gehoord kon worden boven het lachende geruzie uit.

Eenmaal in de steeg wilde Mart meteen naar het plein lopen, maar Thom greep hem bij zijn arm. ‘Niet zo snel,’ zei de speelman. ‘Niet tot we weten wat we gaan doen.’ Thom liet het raam van buitenaf weer zo ver mogelijk zakken en draaide zich toen om, zodat hij de steeg kon bekijken.

Rhand volgde Thoms ogen. Met uitzondering van een paar regentonnen tegen de herberg en de kleermakerij ernaast was de steeg leeg; het ingeklonken zand was droog en stoffig.

‘Waarom doet u dit?’ wilde Mart weer weten. ‘U bent veiliger als u alleen gaat. Waarom blijft u bij ons?’

Thom staarde hem enkele tellen aan. ‘Ik had een neef, Owijn,’ zei hij vermoeid, terwijl hij zijn mantel afklopte. Nadat hij zijn mantel op zijn dekenrol had gelegd, zette hij daar voorzichtig zijn instrumentkistjes op. ‘De enige zoon van mijn broer, mijn enige verwant. Hij kreeg last met de Aes Sedai, maar ik had het te druk met... met andere zaken. Ik weet niet wat ik had kunnen doen, maar toen ik het ten slotte probeerde, was het te laat. Owijn stierf enkele jaren later. Je zou kunnen zeggen dat de Aes Sedai hem gedood hebben.’ Hij ging rechtop staan, maar keek hen niet aan. Zijn stem was nog vlak, maar Rhand zag tranen in zijn ogen toen hij zijn hoofd afwendde.

‘Als ik jullie tweeën buiten Tar Valon kan houden, zal ik misschien niet meer aan Owijn denken. Wacht hier.’ Hij bleef hun ogen ontwijken en haastte zich naar het andere eind van de steeg, waar hij zijn pas vertraagde. Na een vlugge blik in het rond stapte hij ongedwongen de straat in en verdween om de hoek.

Mart kwam half omhoog om hem te volgen, maar ging toen weer zitten. ‘Hij laat deze dingen niet achter,’ zei hij en hij legde zijn hand op de leren kistjes. ‘Geloof jij dat verhaal?’