Выбрать главу

Perijn kon zich echter niet ontspannen, ’s Nachts zwierf hij piekerend tussen de regenboogwagens en zijn gespannenheid werd erger doordat niemand anders zich waar dan ook zorgen over leek te maken, De Tuatha’an zongen en dansten, kookten en aten bij hun kampvuren – vruchten en noten, bessen en groenten; ze aten geen vlees – en hielden zich bezig met ontelbare huishoudelijke klusjes, alsof er geen zorgen bestonden. Overal speelden en holden kinderen, ze speelden verstoppertje russen de wagens, klommen in de bomen rond het kamp, lachten en rolden met de honden over de grond. Geen zorgen, voor niemand.

Terwijl hij rondkeek, kriebelde de drang om weg te komen. Ga weg voor we de jagers hierheen brengen. Ze hebben ons opgenomen en als dank voor hun vriendelijkheid brengen wij hen in gevaar Zij hebben tenminste een reden om opgewekt te zijn. Niemand maakt jacht op hen. Maar wij drieën...

Hij kreeg bijna geen kans om met Egwene te spreken. Of ze liep met Ila te praten, waarbij ze hun hoofden dicht bij elkaar hielden, wat hem zei dat mannen niet welkom waren. Of ze was met Aram aan het dansen en zwierde in het rond op de muziek van fluiten, vedels en trommels, op melodietjes die de Tuatha’an over de gehele wereld hadden opgedaan of op de schelle, trillende liedjes van het Trekkende Volk zelf, die altijd fel klonken, of ze nu vlug of langzaam waren. Ze kenden vele liederen en enkele herkende hij van thuis, hoewel vaak onder andere namen dan in Tweewater. Drie meisjes in de wei noemden de ketellappers bijvoorbeeld Mooie dansende meisjes en ze zeiden dat De wind uit het noorden in sommige landen De regen slaat neer werd genoemd en in andere Berins terugtocht. Toen hij een keer onnadenkend om De ketellapper heeft mijn pannen vroeg, rolden ze over elkaar van het lachen. Ze kenden het wel, maar dan als Gooi de veren op.

Hij kon begrijpen waarom hij zo graag op de liedjes van het Volk wilde dansen. Thuis in Emondsveld vond niemand hem een bijzonder goede danser, maar deze liedjes deden zijn voeten kriebelen en hij dacht dat hij zijn hele leven nog nooit zo lang of zo vurig of zo goed had gedanst. Het leek wel toverij, en zijn bloed klopte ritmisch met de trommels mee.

Het was op de tweede avond dat Perijn voor het eerst vrouwen zag dansen op enkele trage liedjes. De vuren brandden laag en de nacht hing diep en zwart rond de wagens en vingers roffelden een traag ritme op de trommels. Eerst één, toen een tweede, tot iedere trommel in het kamp dezelfde doordringende maat aanhield. Op de trommels na was het verder doodstil. Een meisje in een rode jurk zwierde het licht in en maakte haar sjaal los. Kralenkettingen hingen in haar haren en ze had haar schoenen uitgeschopt. Een fluit zette een zacht klagende melodie in, en het meisje danste. Met gestrekte armen hield ze de sjaal achter haar rug; haar heupen wiegden en haar blote voeten schuifelden op de slag van de trommels. De donkere ogen van het meisje richtten zich op Perijn en haar glimlach was even traag als haar dans. Ze draaide in kleine rondjes rond en glimlachte hem over haar schouder toe.

Hij slikte hevig. De hitte op zijn gezicht kwam niet van het vuur. Een ander meisje voegde zich bij het eerste, de franje aan hun sjaals trilde op de maat van de trommels en het trage bewegen van hun heupen. Ze glimlachten naar hem en hij schraapte hees zijn keel. Hij durfde niet rond te kijken; zijn gezicht was zo rood als een gekookte biet en iedereen die niet naar de danseressen keek, zat hem waarschijnlijk uit te lachen. Hij wist het zeker.

Zo onopvallend als hij kon, gleed hij van het houtblok af, alsof hij het zich slechts gemakkelijk maakte. Hij zorgde ervoor dat hij uiteindelijk de andere kant op kon kijken, weg van het vuur, weg van hun dans. Zoiets hadden ze niet in Emondsveld. Het dansen met de meisjes op de Brink op een feestdag haalde het hier niet bij. Voor het eerst wenste hij dat de wind aanwakkerde, zodat hij kon afkoelen.

De meisjes dansten zijn gezichtsveld weer binnen, maar nu waren het er al drie. Eentje knipoogde hem lonkend toe. Zijn ogen schoten paniekerig heen en ween Licht. Wat moet ik nu? Wat zou Rhand doen? Hij heeft slag van meisjes.

De dansende meisjes lachten zachtjes; kralen tikkelden, terwijl hun lange haren rond hun schouders zwierden, en hij dacht dat de vlammen uit zijn wangen sloegen. Toen voegde zich een iets oudere vrouw bij de meisjes, om hen te laten zien hoe het moest. Hij gromde, gaf het helemaal op en sloot zijn ogen. Zelfs met gesloten ogen zag hij hen nog voor zich. Zweet parelde op zijn voorhoofd en hij verlangde naar de wind.

Volgens Raen dansten de meisjes deze dans niet vaak en de vrouwen deden het zelden, en volgens Elyas kwam het door de blosjes op Perijns wangen dat ze het daarna iedere avond deden.

‘Ik moet je dankbaar zijn,’ vertelde Elyas hem nuchter en plechtig. ‘Met jonge kerels als jij is het anders, maar op mijn leeftijd is er meer nodig dan een vuur om mijn botten te warmen.’ Perijn was nijdig. Toen Elyas wegliep, kon je aan zijn rug zien dat hij inwendig zat te lachen.

Weldra leerde Perijn dat hij maar beter niet kon wegkijken van de dansende vrouwen en meisjes, al zorgden de knipoogjes en glimlachjes er nog steeds voor dat hij dat wel wilde. Eentje zou misschien nog gaan – maar vijf of zes terwijl iedereen toekeek... Het lukte hem nooit zijn blozen helemaal te overwinnen.

Toen wilde Egwene de dans leren. Twee meisjes van die eerste avond leerden hem haar en klapten het ritme, terwijl Egwene de schuifelende stappen nadeed met een geleende sjaal die achter haar zwierde. Perijn wilde er iets van zeggen, maar besloot toen dat het verstandiger was zijn kaken op elkaar te houden. Toen de meisjes de heupbewegingen toevoegden, begon Egwene te lachen en de drie meisjes vielen giechelend in elkaars armen. Maar Egwene bleef volhouden, met glinsterende ogen en vuurrode plekjes op haar wangen. Aram zat naar haar dans te kijken met een verhitte, hongerige blik. De knappe jonge Tuatha’an had haar een ketting van blauwe kralen gegeven die ze dag en nacht droeg. Ila glimlachte nu niet meer, maar sloeg de belangstelling van haar kleinzoon voor Egwene bezorgd gade. Perijn besloot jongeheer Aram goed in het oog te houden. Eenmaal slaagde hij erin Egwene alleen te spreken te krijgen, naast een wagen die geel en groen was gelakt, ‘je vermaakt je nogal, niet?’ vroeg hij.

‘Waarom niet?’ Ze speelde met de blauwe kralen om haar hals en glimlachte hem toe. ‘Dat jij nou moeite doet om je ellendig te voelen, wil nog niet zeggen dat wij dat ook moeten. Als je de kans krijgt om je te vermaken, dan hoef je die toch niet te laten lopen?’

Aram stond iets verder – hij was nooit ver weg van Egwene – en had zijn armen over elkaar geslagen, een klein glimlachje rond zijn mond, zelfgenoegzaamheid vermengd met een uitdaging. Perijn ging zachter praten. ‘Ik dacht dat je naar Tar Valon wilde. Hier zul je geen Aes Sedai worden.’

Egwene wierp het hoofd in de nek. ‘En ik dacht dat je niet graag had dat ik Aes Sedai werd,’ zei ze al te liefjes.

‘Bloed en as, geloof jij dat we hier veilig zijn? Brengen wij niet de veiligheid van deze mensen in gevaar? Elk moment kan een Schim ons vinden.’

De hand op de kralen trilde. Ze liet de kralen zakken en haalde diep adem. ‘Wat er ook gaat gebeuren zal gebeuren, of we nu vandaag vertrekken of volgende week. Daar geloof ik in. Maak plezier, Perijn. Het zou wel eens onze laatste kans kunnen zijn.’

Ze streek bedroefd met haar vingers langs zijn wang. Toen stak Aram zijn hand naar haar uit en huppelde ze weer lachend naar hem toe. Toen ze in de richting van de spelende vedels wegholden, gleed er een triomfantelijke grijns over Arams gezicht toen hij omkeek naar Perijn, alsof hij wilde zeggen: ze is niet de jouwe, maar ze wordt de mijne.

Ze raakt steeds meer in de ban van het Volk’ dacht Perijn. Elyas heeft gelijk. Ze hoeven niet te proberen ons te bekeren tot hun Weg van het Blad. Het sijpelt in je.