Ila hoefde hem maar één keer aan te kijken toen hij zich ineengedoken uit de wind haastte en haalde toen een dikke, donkergroene wolmantel uit haar wagen, een kleur die hem beviel na al dat rood en geel. Toen hij de mantel omsloeg en bedacht dat de mantel hem wonderlijk goed paste, zei Ila zuinig: ‘Hij zou beter kunnen passen.’ Ze keek even naar de bijl aan zijn gordel en toen ze haar ogen weer opsloeg, glimlachte ze droevig. ‘Hij zou veel beter kunnen passen.’ Alle ketellappers deden dat. Hun glimlachjes verdwenen nooit, ze aarzelden nooit hem uit te nodigen om wat te drinken of naar hun muziek te luisteren, maar altijd gleden hun ogen naar de bijl en dan kon hij hun gedachten voelen. Gemaakt voor geweld. Er is nooit enige reden om geweld te gebruiken tegen een ander mens. De Weg van het Blad.
Soms wilde hij het ze toeschreeuwen. Er waren Trolloks in de wereld, en Schimmen. Er waren mensen die ieder blad zouden afhakken. De Duistere was daarbuiten en de Weg van het Blad zou in Ba’alzamons ogen in vlammen opgaan. Koppig hield hij het vol en droeg voortdurend de bijl. Hij nam de gewoonte aan zijn mantel terug te slaan, zelfs als er veel wind stond, zodat het halvemaanvormige blad zichtbaar was. Nu en dan keek Elyas verwonderd naar het wapen dat zwaar aan zijn zijde hing en schonk hem dan een grijns. Die gele ogen leken zijn geest te lezen. Wat er weer bijna voor zorgde dat hij zijn bijl bedekte. Bijna.
Was het kamp van de Tuatha’an een bron van voortdurende ergernis, zijn dromen waren er tenminste gewoon. Soms werd hij bezweet wakker uit een droom waarin Trolloks en Schimmen het kamp in stroomden en regenboogkleurige wagens door rondgeslingerde fakkels in vlammen opgingen, mensen in plassen bloed neervielen, mannen en vrouwen en kinderen schreeuwend rondrenden en stierven, maar geen enkele poging deden zichzelf te verdedigen tegen houwende zeisvormige zwaarden. Elke nacht schoot hij in het donker overeind, zwaar ademend en naar zijn bijl grijpend voor hij besefte dat de wagens niet in brand stonden, dat er geen bloederige muilen grauwden boven uiteengereten en verminkte lichamen die overal in het rond lagen. Maar dat waren gewone nachtmerries, in zekere zin vreemd geruststellend. Als er ooit ruimte was voor de Duistere om in zijn dromen door te dringen, dan was het wel in deze dromen, maar hij kwam er niet in voor. Niet Ba’alzamon. Het waren slechts gewone nachtmerries.
Maar als hij wakker was, voelde hij de aanwezigheid van de wolven. Ze bleven ver van het kamp en van de trekkende karavaan, maar hij wist altijd dat ze er waren. Hij kon voelen hoe ze de honden verachtten die de Tuatha’an bewaakten. Lawaaiige beesten die waren vergeten waarvoor hun kaken dienden, die de smaak van warm bloed waren vergeten. Ze konden mogelijk mensen afschrikken, maar ze zouden op hun buik wegkruipen als het wolvenpak zich zou laten zien. Elke dag werd zijn besef helderder, scherper.
Vlek werd met iedere zonsondergang ongeduldiger. Dat Elyas die mensen naar het zuiden wilde brengen, maakte het de moeite waard, maar als dat dan moet, laat het dan snel gebeuren. Maak een einde aan deze trage reis. Wolven waren bedoeld om rond te zwerven en ze hielden er niet van zo lang van hun pak weg te blijven. Ook Wind was ongeduldig. De jacht was slechter dan slecht hier en hij verafschuwde het van veldmuizen te moeten leven. Welpjes mochten veldmuizen besluipen als ze leerden jagen, en ze waren geschikt voedsel voor de ouden die geen hert meer konden neertrekken of geen wilde os meer kreupel konden maken. Soms dacht Wind dat Blaar gelijk had; laat de mensenzorgen aan de mens over. Maar hij schermde die gedachten af als Vlek in de buurt was en zelfs nog sterker rond Springer. Springer was een getekende en vergrijsde vechter, ondoorgrondelijk, met een jarenlange kennis en een listigheid die meer dan goedmaakte waar zijn leeftijd hem van beroofd had. Hij gaf niets om mensen, maar Vlek wilde dit afhandelen en Springer zou wachten als zij wachtte en meerennen als zij rende. Wolf of man, stier of beer, wat Vlek ook uitdaagde, het zou de kaken van Springer tegenkomen om hem tot de lange slaap te brengen. Dat was de betekenis van zijn leven voor Springer, en dat zorgde ervoor dat Wind op zijn hoede bleef. Vlek leek de gedachten van beide te negeren.
Dit lag allemaal scherp in Perijns geest. Hij verlangde vurig naar Caemlin, naar Moiraine en Tar Valon. Zelfs als er daar geen antwoorden waren, dan kon er een eind aan dit alles komen. Elyas keek naar hem en hij was er zeker van dat de geelogige man het wist. Alsjeblieft, laat er een eind aan komen.
De droom begon plezieriger dan de meeste andere dromen van de laatste dagen. Hij zat met een steen zijn bijl te wetten aan de keukentafel van Alsbet Lohan. Van vrouw Lohan mocht smidswerk of iets wat erop leek nooit binnen gebeuren. Baas Lohan moest zelfs de messen buiten slijpen. Maar ze was aan het koken en zei niets over de bijl. Ze zweeg zelfs toen een wolf uit een andere kamer binnenkwam en tussen Perijn en de deur naar het erf ging liggen. Perijn ging door met wetten; de tijd om de bijl te gebruiken was nabij.
Opeens stond de wolf op. Er klonk een rommelend gegrom van achter uit zijn keel en zijn dikke borstelige nekharen stonden rechtovereind. Van het erf stapte Ba’alzamon de keuken in. Alsbet Lohan ging verder met koken.
Perijn sprong op en hief zijn bijl, maar Ba’alzamon negeerde het wapen en lette alleen op de wolf. Vlammen dansten op de plaats waar zijn ogen hoorden te zitten. ‘Is dit wat je als bescherming hebt? Nou, ik heb er al eerder tegenover gestaan. Vele malen.’
Hij kromde een vinger en de wolf huilde. Vlammen sloegen uit zijn ogen, oren en bek en vuur verbrandde zijn huid. De stank van verbrand vlees en haar vulde de keuken. Alsbet Lohan tilde het deksel van de pan en roerde met een houten lepel.
Perijn liet de bijl vallen, sprong naar voren en probeerde de vlammen met zijn handen te doven. De wolf verpulverde tot zwarte as tussen zijn handpalmen. Hij keek naar de vormeloze hoop as op de aangeveegde vloer van vrouw Lohans keuken en schoof achteruit. Hij wilde dat hij het vettige roet van zijn handen kon vegen, maar als hij dacht aan het roet op zijn kleren, werd hij misselijk. Hij griste zijn bijl en greep de steel zo stevig beet dat zijn knokkels kraakten.
‘Laat me met rust!’ schreeuwde hij. Vrouw Lohan sloeg de lepel af op de rand van de pan en legde het deksel terug, steeds maar in zichzelf neuriënd.
‘Je kunt me niet ontvluchten,’ zei Ba’alzamon. ‘Je kunt je niet voor me verbergen. Als jij die ene bent, dan ben je de mijne.’ De hitte van de vlammen op zijn gezicht dwong Perijn achteruit tot hij met zijn rug tegen de keukenmuur stond. Vrouw Lohan deed de oven open om naar het brood te kijken. ‘Het Oog van de Wereld zal je verteren,’ zei Ba’alzamon. ‘Ik kerf mijn teken in je!’ Hij zwaaide zijn gebalde vuist alsof hij iets gooide; toen zijn vingers opengingen, pikte een raaf in Perijns gezicht. Perijn krijste toen de zwarte snavel zijn linkeroog doorboorde... ... en zat rechtop, omklemde zijn gezicht, omringd door de slapende wagens van het Trekkende Volk. Langzaam liet hij zijn handen zakken. Er was geen pijn, geen bloed. Maar hij wist het allemaal nog, herinnerde zich nog de stekende, gruwelijke pijn.
Hij sidderde en opeens hurkte Elyas naast hem neer in de vroege schemer, met een uitgestoken hand alsof hij hem had willen wakker schudden. Achter de bomen in de buurt van de wagens huilden de wolven, één scherp gehuil uit drie kelen. Hij deelde hun gevoelens. Vuur. Pijn. Vuur. Haat. Haat! Dood!
‘Ja,’ zei Elyas zachtjes. ‘Het is tijd. Sta op, jongen. Het is tijd om te gaan.’
Perijn krabbelde onder de dekens vandaan. Terwijl hij nog bezig was zijn dekenrol bijeen te binden, kwam Raen zijn wagen uit en wreef de slaap uit zijn ogen. De Zoeker keek naar de hemel en bleef halverwege het trapje als verlamd staan, zijn handen nog vlak voor zijn gezicht. Alleen zijn ogen bewogen toen hij gespannen de hemel afzocht, hoewel Perijn niet begreep waar hij naar keek. In het oosten hingen wolkjes, die aan de onderkant roze werden gekleurd door de zon die nog moest opkomen, maar verder was er niets te zien. Raen leek ook te luisteren en de lucht op te snuiven, maar er was geen enkel geluid behalve de wind in de bomen en geen geur behalve de zwakke rookresten van de kampvuren van de vorige avond.