Elyas kwam met zijn schaarse bezittingen terug en Raen stapte verder omlaag. ‘We moeten een andere richting voor onze trek kiezen, oude vriend.’ De Zoeker keek weer ongerust naar de hemel. ‘We gaan vandaag een nieuwe kant op. Komen jullie met ons mee?’ Elyas schudde zijn hoofd en Raen knikte alsof hij het al die tijd had geweten. ‘Nou, pas op, oude vriend. Er is vandaag iets...’ Hij wilde weer omhoogkijken, maar richtte zijn ogen op het kamp voor zijn blik verder had kunnen reiken dan de daken van de wagens. ‘Ik denk dat de wagens naar het oosten gaan. Misschien helemaal tot aan de Rug van de Wereld. Misschien komen we langs een stedding en blijven er een poosje.’
‘Er komen nooit problemen de stedding binnen,’ beaamde Elyas. ‘Maar de Ogier staan niet echt open voor vreemdelingen.’
‘Iedereen staar open voor het Trekkende Volk,’ zei Raen en hij grinnikte. ‘Bovendien hebben zelfs Ogier kapotte potten en pannen. Kom, laten we ontbijten en erover praten.’
‘Geen tijd,’ zei Elyas. ‘Wij gaan ook verder vandaag. Zo gauw mogelijk; het lijkt of dit een dag voor reizen is.’
Raen probeerde hem over te halen om ten minste nog lang genoeg te blijven om wat te eten en Ila, die samen met Egwene uit de wagen kwam, deed hetzelfde, maar minder vasthoudend dan haar echtgenoot. Ze zei wel de juiste woorden, maar haar beleefdheid was afgemeten en het was overduidelijk dat ze blij zou zijn Elyas’ rug te zien, hoewel ze het jammer vond dat ze die van Egwene dan ook zou zien.
Egwene merkte de spijtige zijdelingse blikken van Ila niet op. Ze vroeg wat er aan de hand was en Perijn bereidde zich erop voor te horen dat ze bij de Tuatha’an wilde blijven, maar toen Elyas het uitlegde, knikte ze slechts nadenkend en haastte zich de wagen in om haar spullen te halen.
Eindelijk gaf Raen het met opgestoken handen op. ‘Goed dan. Ik kan me niet herinneren dat ik ooit een bezoeker zonder afscheidsfeest heb laten vertrekken, maar...’ Onzeker richtte hij zijn blik weer op de hemel. ‘Nou, wij moeren zelf ook vroeg vertrekken, denk ik. Misschien eten we wat tijdens de trek. Maar laat iedereen tenminste afscheid van jullie nemen.’
Elyas wilde bezwaren opperen, maar Raen haastte zich al van wagen tot wagen, bonzend op deuren waarachter niemand wakker was. Tegen de tijd dat een Trekker Bela voorleidde, waren alle kampbewoners in hun mooiste en felste kleren toegestroomd, een kleurenfeest waarnaast de rood-gele wagen van Ila en Raen haast grauw leek. De grote honden zwierven met hun tong uit hun bek tussen de mensen rond en zochten iemand die achter hun oren wilde krabbelen, terwijl Perijn en de anderen pijnlijke handen en ruggen kregen van het handen schudden en omarmen. De meisjes die iedere nacht hadden gedanst, waren niet tevreden met slechts een handje, en hun omhelzingen lieten Perijn plotseling wensen dat hij helemaal niet weg hoefde – tot hij zich herinnerde hoeveel anderen toekeken, en toen paste de kleur van zijn gezicht volmaakt bij Raens wagen.
Aram trok Egwene wat opzij. Perijn kon door de herrie van het afscheid niet horen wat hij tegen haar zei, maar ze bleef haar hoofd schudden, eerst langzaam, vervolgens meer vastbesloten toen hij smekend begon te gebaren. Zijn gezicht veranderde van smekend in ruziënd, maar ze bleef koppig haar hoofd schudden. Uiteindelijk werd Egwene gered door Ila, die enkele scherpe opmerkingen maakte tegen haar kleinzoon. Nijdig liep Aram weg en liet de rest van het afscheid voor wat het was. Ila zag hem weglopen, aarzelde en wilde hem terugroepen. Zij is ook opgelucht. Opgelucht dat hij niet met ons, met Egwene mee wil.
Toen hij elke hand minstens eenmaal had geschud en ieder meisje minstens tweemaal had omhelsd, ging het Volk wat achteruit, waardoor er een kleine open plek ontstond rond Raen en Ila en de drie bezoekers.
‘Jullie kwamen in vrede,’ zong Raen, formeel buigend met zijn handen op zijn borst. ‘Ga nu in vrede. Altijd zullen onze vuren u in vrede verwelkomen. De Weg van het Blad is vrede.’
‘Vrede zij altijd met u,’ antwoordde Elyas, ‘en met heel het Volk.’ Hij aarzelde en voegde er toen aan toe: ‘Ik zal het lied vinden of een ander zal het lied vinden, maar het lied zal worden gezongen, dit jaar of in een komend jaar. Zoals het eenmaal was, zo zal het weer zijn, een wereld zonder einde.’
Raen stond verrast met zijn ogen te knipperen en Ila leek helemaal van haar stuk gebracht, maar alle andere Tuatha’an mompelden als antwoord: ‘Wereld zonder einde. Wereld en tijd zonder einde.’ Raen en zijn vrouw zeiden het de anderen gehaast na.
Toen was het echt tijd om te gaan. De laatste groeten, de laatste raadgevingen om op te passen, de laatste glimlachjes en knipoogjes en toen liepen ze het kamp uit. Raen begeleidde hen tot aan de laatste rij bomen en een stel honden liep stoeiend met hem mee.
‘Echt, oude vriend, je moet heel goed oppassen. Deze dag... Er is slechtheid los in de wereld, vrees ik, en hoe je je ook voordoet, je bent niet zo gemeen of het kan je verslinden.’
‘Vrede zij met je,’ zei Elyas.
‘En met jou,’ zei Raen bedroefd.
Toen Raen weg was, keek Elyas korzelig naar de Emondsvelders, die hem aangaapten. ‘Ik geloof dus niet in hun stomme lied,’ gromde hij.
‘Geen reden om hen zich rot te laten voelen door hun ceremonie te verknoeien, of wel? Ik heb jullie gezegd dat ze soms prijs stellen op ceremonies.’
‘Natuurlijk,’ zei Egwene zacht. ‘Helemaal geen reden.’ Elyas wendde zich in zichzelf mopperend af.
Vlek, Wind en Springer kwamen Elyas begroeten, niet rondspringend als de honden, maar een waardige ontmoeting van gelijken. Perijn ving op wat er tussen hen werd uitgewisseld. Brandende ogen. Pijn. Hartsvanger. Dood. Hartsvanger. Perijn wist waarover ze het hadden. De Duistere. Ze vertelden over zijn droom. Hun droom. Hij huiverde toen de wolven vooruitsprongen om de weg te verkennen. Het was Egwenes beurt om op Bela te rijden en hij liep naast haar. Elyas leidde als gewoonlijk, met een gestage, afstand vretende pas.
Perijn wilde niet aan zijn dromen denken. Hij had gedacht dat de wolven ze veilig hadden gemaakt. Niet helemaal. Aanvaard het. Heel je hart. Heel je geest. Je vecht er nog tegen. Alleen als je het geheel aanvaardt.
Hij dwong de wolven uit zijn gedachten en was daar zelf door verrast. Hij had niet geweten dat hij dat kon. Hij besloot ze niet meer toe te laten. Zelfs niet in je dromen? Hij wist niet of deze gedachte van hem of van hen was.
Egwene droeg nog steeds de ketting van blauwe kralen die Aram haar had gegeven en een klein twijgje van iets met kleine helderrode blaadjes in haar haren, een ander geschenk van de jonge Tuatha’an. Perijn wist zeker dat Aram had geprobeerd haar over te halen om bij het Trekkende Volk te blijven. Hij was blij dat ze niet had toegegeven, maar hij wilde dat ze niet zo innig aan die kralen voelde.
Ten slotte zei hij: ‘Waar hebben jij en Ila toch al die tijd over gepraat? Als je niet aan het dansen was met die langbenige kerel, was je met haar aan het praten, alsof jullie het over een of ander geheim hadden.’
‘Ila gaf me raad over hoe je een vrouw moet zijn,’ antwoordde Egwene afwezig. Hij begon te lachen en ze wierp hem een donkere, gevaarlijke blik toe die hij niet zag.
‘Raad! Niemand vertelt ons hoe we mannen moeten zijn. We zijn het gewoon.’
‘En daardoor komt het,’ zei Egwene, ‘dat jullie het zo slecht doen.’
Voor hen begon Elyas kakelend te lachen.
28
Sporen in lucht
Nynaeve staarde verwonderd naar wat voor hen over de rivier lag. De Witte Brug glom melkachtig in het zonlicht. Weer een legende, dacht ze en ze keek even naar de zwaardhand en de Aes Sedai die vlak voor haar reden. Weer een legende en het lijkt hen niet eens op te vallen. Ze besloot niet te staren als zij keken. Ze zullen me uitlachen als ze me als een boerenmeid naar die brug zien gapen. Het drietal reed in de stilte naar de befaamde Witte Brug.