Выбрать главу

Sinds die ochtend na Shadar Logoth, toen ze Moiraine en Lan op de oever van de Arinelle had gevonden, hadden zij en de Aes Sedai niet echt meer gepraat. Er was natuurlijk wel iets gezegd, maar voor zover Nynaeve het kon beoordelen, was dat niet echt iets belangrijks. Moiraine had bijvoorbeeld gepoogd haar over te halen naar Tar Valon te komen. Tar Valon. Ze zou erheen gaan, als het moest, en daar oefenen, maar niet om de reden die de Aes Sedai dacht. Als Moiraine Egwene en de jongens in het ongeluk had gestort...

Een enkele keer merkte Nynaeve dat ze tegen haar zin zat te denken aan wat een Wijsheid met de Ene Kracht kon doen. Maar telkens als het tot haar doordrong wat ze in haar hoofd had, schroeide een flits boosheid het weg. De Kracht was iets smerigs. Ze wilde er niets mee te maken hebben. Tenzij ze moest.

Dat vervloekte mens wilde alleen met haar over Tar Valon en haar opleiding praten. Moiraine wilde haar niets vertellen! Het was niet alsof ze er zoveel van wilde weten- Ze herinnerde zich dat ze nadrukkelijk had gevraagd: ‘Hoe denkt u hen te vinden?’

‘Zoals ik je heb gezegd,’ antwoordde Moiraine zonder de moeite te nemen haar aan te kijken, ‘zal ik het weten wanneer ik in de buurt ben van de twee die hun munten zijn kwijtgeraakt.’ Het was niet de eerste keer dat Nynaeve het had gevraagd, maar de stem van de Aes Sedai was als een stille vijver die weigerde te rimpelen, hoeveel stenen Nynaeve er ook in wierp. Iedere keer dat ze hem hoorde, bracht die stem het bloed van de Wijsheid aan het koken. Moiraine praatte verder alsof ze Nynaeves ogen niet op haar rug voelde branden. Nynaeve wist dat ze dat moest voelen, zo fel keek ze naar die rug.

‘Hoe langer het duurt, hoe dichter ik in de buurt moet komen, maar ik zal het weten. Wat degene betreft die zijn munt nog heeft; zolang die in zijn bezit is, kan ik hem zonodig over de halve wereld volgen.’

‘En dan? Wat zijn uw plannen als u ze hebt gevonden, Aes Sedai?’

Ze geloofde geen moment dat de Aes Sedai er zo op gebrand zou zijn om hen te vinden als ze geen plannen had.

‘Tar Valon, Wijsheid.’

‘Tar Valon, Tar Valon. Dat is het enige dat u steeds zegt, en ik word...’

‘Een deel van de lessen die je in Tar Valon zult ontvangen, Wijsheid, zal je leren je luimen te beheersen. Je kunt niets met de Ene Kracht doen als je je geest niet beheerst.’ Nynaeve wilde wat terugzeggen, maar de Aes Sedai richtte zich tot Lan. ‘Lan, ik moet even met je praten.’

De twee hielden hun hoofden bij elkaar en Nynaeve bleef achter met een stuurs gezicht, dat ze eigenlijk verafschuwde. Ze keek te vaak zo wanneer de Aes Sedai haar vragen handig naar een ander onderwerp leidde, met gemak haar valletjes in het gesprek ontweek of haar uitroepen negeerde tot die in stilte eindigden. Daardoor voelde ze zich net een meisje dat op malligheid was betrapt door iemand van de vrouwenkring. Dat was een gevoel waar Nynaeve niet aan gewend was en de kalme glimlach op Moiraines gezicht verergerde het alleen maar.

Bestond er maar een manier om dat mens kwijt te raken. Lan alleen zou veel beter zijn – een zwaardhand zou in staat zijn te doen wat nodig was, zei ze snel tegen zichzelf toen ze voelde hoe ze opeens een blos voelde opkomen; alleen daarom – maar de een was er vanwege de ander.

En toch maakte Lan haar nog woedender dan Moiraine. Ze kon maar niet begrijpen hoe het hem zo gemakkelijk lukte haar het bloed onder de nagels vandaan te halen. Hij zei zelden iets – soms nog geen tien woorden per dag – en hij mengde zich nooit in een van de... twistgesprekken met Moiraine. Hij reed vaak alleen weg om het land te verkennen, maar ook als hij er wel was, reed hij een beetje apart en hield hen beiden in de gaten alsof hij naar een duel keek. Nynaeve wilde dat hij ermee ophield. Als dit een duel was, dan had ze nog geen punt gewonnen, en Moiraine leek niet eens te beseffen dat ze in gevecht was. Nynaeve had geen behoefte aan zijn koele blauwe ogen, zelfs niet aan een zwijgend gehoor.

Zo was het de hele reis gegaan, voor het grootste deel althans. Stil, behalve als ze haar drift niet kon bedwingen, en als ze schreeuwde, leek het geluid van haar stem soms de stilte te verpulveren als brekend glas. Het land zelf was stil, alsof de wereld lag te wachten tot ze op adem was gekomen. De wind huilde door de bomen, maar voor de rest was alles stil. De wind leek ook ver weg, zelfs als hij door haar mantel heen sneed.

Aanvankelijk was de stilte rustgevend na alles wat er was gebeurd. Het leek wel of ze na Winternacht geen moment rust meer had gekend. Tegen het einde van haar eerste dag alleen met de Aes Sedai en de zwaardhand keek ze echter telkens om en zat ze in haar zadel te schuiven alsof er midden op haar rug een onbereikbare jeukplek zat. De stilte leek net kristal dat gedoemd was om in scherven te vallen, en het wachten op het eerste barstje maakte haar prikkelbaar.

Het drukte ook op Moiraine en Lan, hoe onverstoorbaar ze er ook uitzagen. Ze besefte algauw dat onder hun kalme uiterlijk de spanning uur na uur toenam, als klokveren die tot het uiterste waren opgewonden. Moiraine scheen naar dingen te luisteren die er niet waren en wat ze hoorde, veroorzaakte een rimpel in haar voorhoofd. Lan bekeek het woud en het water alsof de bladerloze bomen en het brede trage water iets zouden verraden van vallen of hinderlagen die hen wachtten.

Een deel van haar was blij dat zij niet de enige was die dat wachten-op-de-rand-van-het-gebeuren voelde, maar als dat hen allemaal beïnvloedde, betekende het dat het echt was; en een ander deel wilde niets liever dan dat het gewoon verbeelding was. Iets ervan prikkelde de hoeken van haar geest, zoals wanneer ze naar de wind luisterde, maar ze wist dat dat iets te maken had met de Ene Kracht en ze kon zich er niet toe brengen die rimpels aan de rand van haar gedachten te onderzoeken.

‘Het is niets,’ zei Lan kalm toen ze ernaar vroeg. Hij keek haar daarbij niet aan; zijn ogen hielden nooit op met rondspeuren. In tegenspraak met wat hij had gezegd, voegde hij er toen aan toe: ‘Je zou moeten teruggaan naar je Tweewater, zodra we in Wittebrug komen en de Caemlinweg oprijden. Het is hier te gevaarlijk, maar niets zal proberen jou tegen te houden als je teruggaat.’ Het was de langste toespraak die hij de hele dag had gehouden.

‘Ze is een deel van het Patroon, Lan,’ zei Moiraine berispend. Haar blik was ook naar elders gericht. ‘Het is de Duistere, Nynaeve. De storm is van ons weggetrokken... voorlopig tenminste.’ Ze hief haar hand alsof ze de lucht voelde en veegde die toen onbewust aan haar gewaad af, alsof ze iets smerigs had aangeraakt. ‘Hij kijkt echter nog steeds toe,’ zuchtte ze, ‘en zijn blik is sterker. Niet op ons maar op de wereld gericht. Hoe lang nog, voor hij sterk genoeg is om...’

Nynaeve lier haar schouders zakken; opeens kon ze haast voelen hoe iemand naar haar rug keek. Dit was nou een uitleg die ze liever niet van de Aes Sedai had gekregen.

Lan verkende hun weg langs de rivier, maar waar hij eerder de weg had gekozen, deed nu Moiraine het, even zeker alsof ze een onzichtbaar spoor volgde, voetafdrukken in lucht, de geur van de herinnering. Lan onderzocht alleen het pad dat ze wilde gaan, om te zien of dat veilig was. Nynaeve had het gevoel dat zelfs als hij zei dat het niet veilig was, Moiraine toch die weg zou kiezen. En hij zou ook gaan, dat wist ze zeker. Verder langs de rivier tot...

Met een schok keerde ze terug uit haar gedachten. Ze stonden aan de voet van de Witte Brug. De bleke boog glansde in het zonlicht, een melkachtig spinnenweb, te teer om hoog boven de Arinelle te blijven staan. Het gewicht van een mens kon het laten instorten, laat staan dat van een paard. Het zou zeker elk ogenblik door zijn eigen gewicht omlaag komen.

Moiraine en Lan reden onbezorgd over de glanzend witte oprit van de brug, met kletterende hoeven. Het klonk niet als staal op glas, maar als staal op staal. Het oppervlak van de brug leek even glad als glas, maar de paarden stapten er stevig en zeker overheen.