‘Maar...’
‘Wijsheid, hoe bang ze ook waren, in welke richting ze ook gevlucht zijn, uiteindelijk zullen ze weer aan Caemlin denken en daar zal ik ze dus vinden. Maar ik ga nu eerst degene helpen die ik kan vinden.’
Nynaeve wilde weer wat zeggen, maar Lan onderbrak haar. ‘Ze hadden reden om bang te zijn.’ Hij keek rond en fluisterde: ‘Er was een Halfman hier.’ Hij grimaste zoals hij op het plein had gedaan. ‘Ik kan hem nog steeds overal ruiken.’
Moiraine zuchtte. ‘Ik blijf hopen tot ik weet dat er geen hoop meer is. Ik weiger te geloven dat de Duistere zo gemakkelijk kan winnen. Ik zal ze alle drie gezond en wel terugvinden. Ik moet dat geloven.’
‘Ik wil de jongens ook vinden,’ zei Nynaeve, ‘maar hoe staat het met Egwene? U noemt haar nooit en u negeert me als ik ernaar vraag. Ik dacht dat u haar mee zou nemen naar – ze keek rond naar de andere tafels en praatte zachter – naar Tar Valon.’
De Aes Sedai bestudeerde even het tafelblad voor ze haar ogen opsloeg naar Nynaeve en toen ze dat deed, schoof Nynaeve achteruit voor die laaiende ogen. Toen rechtte ze haar rug en nam haar eigen boosheid toe, maar voor ze iets kon zeggen, zei de Aes Sedai koud:
‘Ik hoop Egwene ook gezond en wel te vinden. Jonge vrouwen met zoveel kundigheid geef ik niet gemakkelijk op als ik ze eenmaal heb gevonden. Maar het zal zijn zoals het Rad weeft.’
Nynaeve voelde een koude prop onder in haar maag. Ben ik een van die jonge vrouwen die je niet op zult geven? Dat zullen we nog wel eens zien, Aes Sedai. Het Licht verbrande je, dat zullen we nog wel eens zien!
In stilte dronken ze hun mokken leeg en in stilte reden ze de poorten door, de Caemlinweg op. Moiraines ogen zochten in het noordoosten de kim af. Achter hen verdween de rook van Wittebrug.
29
Ogen zonder mededogen
Elyas joeg met een snelheid over de bruine grasvlakte alsof hij de tijd probeerde terug te winnen die ze bij het Trekkende Volk hadden verspeeld. Hij zette er zo stevig de pas in naar het zuiden dat zelfs Bela dankbaar was toen ze stopten in de vrijwel zwarte avondschemer. Ondanks zijn wens om voort te maken nam hij toch voorzorgen die hij eerder niet had genomen, s Nachts brandde er alleen een vuur als er dood hout voorhanden was. Ze mochten nog geen twijgje van een levende boom afbreken. Het vuur dat hij aanlegde, was klein en lag altijd in een zorgvuldig gegraven kuil onder een keurig weggesneden plag grond verborgen. Meteen na het eten begroef hij de sintels en legde de plag terug. Voor ze in de grijze ochtendschemer vertrokken, ging hij duim voor duim de kampplaats na om zich ervan te verzekeren dat aan niets te zien was dat er ooit mensen waren geweest. Hij zette zelfs omgevallen stenen overeind en richtte omgebogen plantenstengels weer op. Hij deed het snel, het duurde nooit langer dan een paar minuten, maar ze gingen pas weg als hij tevreden was.
Perijn dacht niet dat die voorzorgsmaatregelen veel tegen dromen konden helpen, maar toen hij eraan begon te denken waar ze dan wel tegen hielpen, wilde hij dat het maar dromen waren. De eerste keer vroeg Egwene bezorgd of de Trolloks er weer waren, maar Elyas schudde slechts zijn hoofd en zei hen toen weer op te schieten. Perijn zei niets. Hij wist dat er geen Trolloks in de buurt waren; de wolven roken slechts gras en bomen en kleine dieren. Het was niet de angst voor Trolloks die hen voortdreef, het was de vrees voor iets wat zelfs Elyas niet kon benoemen. De wolven hadden geen idee wat het was, maar ze voelden de gespannen behoedzaamheid van Elyas en begonnen te speuren alsof het gevaar hen op de hielen zat of achter de volgende helling in een hinderlaag lag te wachten.
Het land ging over in lange golvingen, te laag om heuvels te worden genoemd, die dwars op hun weg lagen. Een tapijt van taai gras, nog steeds winterkaal en vol spichtig onkruid, strekte zich voor hen uit, rimpelend in een wind die honderden spannen lang geen enkele hindernis ontmoette. De groepjes bomen stonden verder uit elkaar. De zon kwam traag en zonder warmte op.
Tussen de golvende graslanden volgde Elyas zo veel mogelijk de laagten van het land en hij vermeed als het kon de toppen. Hij praatte zelden en als hij het deed...
‘Weten jullie hoe lang dit duurt, rond iedere vervloekte molshoop als deze hier te trekken? Bloed en as! Zo wordt het midzomer voor ik jullie bij je einddoel heb. Nee, we kunnen niet gewoon rechtdoor gaan! Hoe vaak moet ik je dat nog zeggen? jullie hebben geen idee, nog niet het flauwste, hoe goed iemand te zien is op een heuveltop in een streek als deze. Drakenvuur; we gaan vaker terug en opzij als naar voren. Kronkelen als een slang. Ik kan met gebonden voeten sneller vooruitkomen. Nou, blijven jullie me aangapen of komen jullie mee?’
Perijn wisselde een blik met Egwene. Ze stak haar tong uit naar de rug van Elyas. Geen van beiden zei iets. Die ene keer dat Egwene had geprotesteerd dat Elyas juist degene was die rond de heuvels wilde trekken en hun dus niet de schuld moest geven, hield hij een toespraak over hoe ver geluid droeg. Hij bulderde zo hard over zijn schouder dat het een span verder gehoord kon worden. Onderwijl minderde hij geen enkel ogenblik vaart.
Of hij aan het praten was of niet, voortdurend zochten zijn ogen de omgeving af, en soms keek hij strak naar één plek alsof er nog iets meer te zien was dan het grove gras onder hun voeten. Misschien zag hij iets, maar Perijn zag het niet en de wolven evenmin. Op het voorhoofd van Elyas tekenden zich nog meer rimpels af, maar hij wilde niets uitleggen, niet waarom ze zich moesten haasten en niet voor welke jagers hij bang was.
Soms voerde hun weg over een langere helling dan gebruikelijk, die zich vele spannen naar het oosten of westen uitstrekte. Zelfs Elyas moest bekennen dat ze veel te ver van hun pad zouden raken als ze eromheen trokken. Maar hij liet ze die helling niet simpel oversteken. Ze moesten aan de voet van de helling wachten en hij kroop dan op zijn buik naar de top en tuurde er dan behoedzaam overheen, alsof de wolven niet kort daarvoor het land al hadden verkend. Terwijl ze daar in de diepte stonden, leken de minuten uren te duren en omdat ze niet wisten waarom ze moesten wachten, voelden ze zich nog ongemakkelijker. Egwene zat op haar lip te kauwen en liet onbewust de kralen van Aram door haar vingers glijden. Perijn wachtte geduldig. Hij was misselijk en zijn maag was verkrampt, maar het lukte hem zijn gezicht kalm en beheerst te houden en het beroerde gevoel voor anderen te verbergen.
De wolven zullen wel waarschuwen bij gevaar. Het zou heerlijk zijn als ze weggingen, als ze gewoon verdwenen, maar op dit moment... op dit moment zullen ze waarschuwen, Waar kijkt hij naar uit? Wat?
Nadat Elyas lang had rondgespeurd, waarbij alleen zijn ogen boven de top uit kwamen, volgde steeds zijn gebaar om naar boven te komen. Iedere keer was het terrein voor hen vrij – totdat ze weer voor een hoogte stonden waar ze niet omheen konden. Bij de derde hoogte kwam Perijns maag in opstand. Een zure druk steeg in zijn keel op en hij wist dat hij zou gaan overgeven als hij vijf minuten stilstond, ‘Ik...’ Hij slikte, ik ga mee.’
‘Blijf vlak bij de grond,’ was alles wat Elyas opmerkte.
Zodra hij dat zei, sprong Egwene van Bela af.
De man in het bont duwde zijn muts wat naar voren en keek haar vanonder de rand aan. ‘Denk je dat je die merrie kunt laten kruipen?’ zei hij droogjes.
Haar mond maakte bewegingen, maar ze zei niets. Ten slotte haalde ze haar schouders op en Elyas wendde zich af zonder nog iets te zeggen en begon de flauwe helling op te klimmen. Perijn haastte zich achter hem aan.
Ruimschoots voor de top maakte Elyas een gebaar van ‘liggen’ en gaf zelf het voorbeeld, waarna hij de laatste passen omhoog kronkelde. Perijn liet zich op zijn buik vallen.
Bovenaan zette Elyas zijn muts af voor hij heel, heel langzaam zijn hoofd optilde. Toen hij door een pol doornig onkruid tuurde, zag Perijn alleen hetzelfde golvende land dat achter hen lag. De helling voor hen was kaal, hoewel ongeveer honderd pas naar het zuiden enkele bomen in de laagte groeiden, mogelijk een halve span ten zuiden van de top. De wolven waren er al doorheen getrokken en hadden geen Myrddraal of Trolloks geroken.