Naar het oosten en westen was het land hetzelfde voor zover Perijn het kon bekijken: golvend grasland niet hier en daar een groepje bomen. Er bewoog niets. De wolven waren ruim tien span verderop en niet te zien; op die afstand kon hij ze amper voelen. Toen ze hier waren langsgekomen, hadden ze niets gezien. Waar kijkt bij dan naar uit? Er is daar niets.
‘We verknoeien onze tijd,’ zei hij en hij wilde opstaan, toen een vlucht raven opvloog uit het bosje voor hen; vijftig, honderd zwarte vogels vlogen in kringen de hemel in. Hij bevroor op zijn hurken toen ze rond de bomen draaiden. De ogen van de Duistere! Hebben ze me gezien? Zweet druppelde van zijn gezicht.
Alsof dezelfde gedachte in al die kleine koppen tegelijk opkwam, zwenkte iedere raaf scherp dezelfde richting uit. Zuid. De vogels verdwenen over de volgende heuvel en daalden neer. Een andere groep bomen, meer naar het oosten, braakte nog meer raven uit. De zwarte massa draaide tweemaal rond en vloog ook naar het zuiden. Bevend liet Perijn zich langzaam op de grond zakken. Hij probeerde iets te zeggen, maar zijn mond was te droog. Na enkele tellen wist hij wat speeksel te produceren. ‘Was u hier bang voor? Waarom hebt u niets gezegd? Waarom hebben de wolven ze niet gezien?’
‘Wolven kijken niet zo vaak omhoog naar bomen,’ gromde Elyas. ‘En nee, ik verwachtte dit niet. Ik heb het je gezegd, ik wist niet wat...’ Ver naar het westen steeg nog een zwarte wolk op uit een andere groep bomen en ook deze groep zwenkte zuidwaarts. Ze waren zo ver dat ze de afzonderlijke vogels niet konden onderscheiden. ‘Het is maar een kleine jacht, het Licht zij dank. Ze weten het niet. Zelfs na...’ Hij draaide zich om en zocht de weg af die ze waren gegaan. Perijn slikte. Zelfs na de droom niet, had Elyas bedoeld. ‘Niet groot?’ vroeg hij. ‘Bij ons thuis zie je in een heel jaar nog niet zoveel raven.’
Elyas schudde zijn hoofd, ‘in de Grenslanden heb ik vluchten gezien van duizenden raven. Niet zo vaak – er staat een beloning op elke raaf – maar het is voorgekomen.’ Hij zocht nog steeds het noorden af. ‘Wees nu stil.’
Toen voelde Perijn het: de inspanning om de wolven in de verte te bereiken. Elyas wilde dat Vlek en haar kornuiten niet langer het zuiden zouden verkennen, maar snel terugkwamen om het gebied achter hen te doorzoeken. Zijn ingevallen gezicht verstrakte, hol van de inspanning. De wolven waren zo ver weg dat Perijn ze zelfs niet eens meer kon voelen. Haast je. Houd de hemel in de gaten. Haast je.
Zwak ving Perijn het antwoord van ver uit het zuiden op. We komen eraan. Een beeld flitste door zijn hoofd – rennende wolven, snoeten die haastig door de lucht kliefden, rennend alsof er een bosbrand achter hen aan snelde, rennend – een flits en het was weer weg.
Elyas zakte in elkaar en haalde diep adem. Fronsend tuurde hij over de top, toen weer naar het noorden, waarbij hij binnensmonds iets mompelde.
‘U denkt dat er nog meer raven achter ons aan komen?’ vroeg Perijn.
‘Kan,’ zei Elyas vaag. ‘Soms doen ze het op die manier. Ik weet een plek, als we die voor het invallen van het donker maar kunnen bereiken. We moeten trouwens toch door tot het echt donker is, zelfs als we die plek niet halen, maar we kunnen het niet zo snel doen als ik zou willen. We kunnen het ons niet veroorloven te dicht bij de raven voor ons te komen. Maar als ze ook van achteren komen...’
‘Waarom tot het donker?’ wilde Perijn weten. ‘Wat voor plek? Een die ons tegen de raven zal beschermen?’
‘Veilig tegen de raven,’ zei Elyas, ‘maar te veel mensen weten ervan... Raven strijken ’s nachts in de bomen neer. We hoeven niet bang te zijn dat ze ons in het donker zullen vinden. Het Licht geve dat we ons alleen over raven zorgen hoeven te maken.’ Na nog een keer over de top te hebben gekeken, stond hij op en gebaarde Egwene met Bela naar boven te komen. ‘Maar het duurt nog lang voor het donker is. We moeten verder.’ Hij holde de helling af, waarbij hij met iedere pas nog net voorkwam dat hij viel. ‘Vooruit, bloedvuur!’
Perijn bewoog en volgde hem, half rennend, half glijdend. Egwene bereikte de top en zette Bela aan tot een draf. Toen ze hen zag, verscheen er een grijns van opluchting op haar gezicht. ‘Wat is er aan de hand?’ riep ze en ze leidde de ruige merrie naar Perijn.
‘Toen jullie zo verdwenen, dacht ik... Wat is er gebeurd?’
Perijn spaarde zijn adem tot ze bij hem was. Hij vertelde over de raven en de veilige plek van Elyas, maar het bleef een verward verhaal. Na een gesmoord ‘Raven!’ bleef ze hem met vragen bestoken, waar hij vaker niet dan wel op kon antwoorden. Hij was pas met haar klaar toen ze de volgende hoogte bereikten.
Gewoonlijk – als er aan hun reis nog iets gewoon genoemd kon worden – zouden ze om zo’n lage hoogte heen zijn getrokken, maar Elyas stond erop eerst het land te verkennen.
‘Jij wilt zomaar midden tussen hen in springen, jongen?’ was zijn zure opmerking.
Egwene staarde naar de top van de heuvel, likte haar lippen af alsof zij deze keer met Elyas mee wilde gaan, maar tegelijkertijd wilde blijven waar ze was. Elyas was de enige die niet aarzelde.
Perijn vroeg zich af of de raven ooit terugvlogen. Het zou wat zijn om tegelijk met een vlucht raven de top te bereiken.
Bovenaan tilde hij duim voor duim zijn hoofd op, tot hij net over de rand heen kon kijken. Hij slaakte een zucht van opluchting toen hij alleen in het westen een groepje bomen zag. Er was geen raaf te zien.
Opeens sprong er een vos onder de bomen uit en rende hard weg. Raven stroomden van de takken achter hem aan. Het fladderen van hun vleugels overstemde haast het wanhopige gejank van de vos. Een zwarte wervelwind dook neer en cirkelde om hem heen. De kaken van de vos hapten naar de raven, maar ze schoten toe en onaangeraakt weer weg, met natte, glimmende snavels. De vos dook weer tussen de bomen, zocht de veiligheid van zijn hol. Hij hinkte, met gebogen kop, zijn vacht donker van het bloed en de raven fladderden om hem heen, vlogen met meer en meer op hem af. De fladderende massa werd zo dicht dat hij de vos volledig aan het oog onttrok. Even plotseling als ze omlaag waren gedoken, vlogen de raven weer op, cirkelden rond en verdwenen over de volgende heuvel naar het zuiden. Een vormeloze hoop verscheurde vacht gaf aan wat de vos was geweest.
Perijn slikte diep. Licht! Dat kunnen ze ook met ons doen. Honderd raven. Ze kunnen...
‘Vooruit,’ grauwde Elyas, opspringend. Hij gebaarde naar Egwene dat ze moest komen en zonder op haar te wachten rende hij naar de bomen. ‘Vooruit, bloed en as!’ schreeuwde hij terwijl hij omkeek. ‘Vooruit!’
Egwene galoppeerde met Bela de top over en haalde ze in voor ze onder aan de helling waren. Er was geen tijd voor uitleg, maar haar ogen vielen meteen op de vos. Haar gezicht werd lijkbleek.
Elyas bereikte de bomen en keerde zich aan de rand om, terwijl hij hevig stond te zwaaien dat ze op moesten schieten. Perijn probeerde sneller te hollen en struikelde. Met maaiende armen wist hij nog net te voorkomen dat hij viel. Bloed en as! Ik ren zo hard ik kan!
Een achtergebleven raaf wiekte de bomen uit. Hij scheerde op hen af, krijste en draaide naar het zuiden. Perijn besefte dat hij al te laat was, maar graaide toch naar de slinger rond zijn middel. Hij probeerde nog steeds een steen uit zijn zak te wurmen toen de raaf opeens midden in de lucht ineenklapte en naar de grond dwarrelde. Zijn mond viel open en toen zag hij de slinger in Egwenes hand. Ze glimlachte hem onvast toe.
‘Sta daar niet je tenen te tellen!’ riep Elyas.
Geschrokken haastte Perijn zich onder de bomen en sprong toen opzij om niet onder de hoeven van Bela te komen.
Ver naar het westen, haast uit het zicht, leek een donkere mist in de lucht op te stijgen. Perijn voelde de wolven die kant op trekken, op weg naar het noorden. Hij voelde dat ze de raven zagen, links en rechts van hen, zonder dat ze inhielden. De donkere mist wervelde noordwaarts, alsof hij de wolven achtervolgde, maar brak opeens af en schoot weg naar het zuiden.