‘Denk je dat ze ons hebben gezien?’ vroeg Egwene. ‘We waren al tussen de bomen, niet? Op die afstand konden ze ons niet zien. Nee toch? Niet van zover.’
‘Wij zagen ze op die afstand,’ zei Elyas droog. Perijn bewoog ongerust en Egwene snakte naar adem. ‘Als ze ons hadden gezien,’ bromde Elyas, ‘zouden ze op ons zijn neergedoken, zoals bij die vos. Denk na, als je in leven wilt blijven. De angst zal je doden als je hem niet beheerst.’ Zijn doordringende blik hield elk van hen even vast. Ten slotte knikte hij. ‘Ze zijn nu verdwenen en dat moeten wij ook doen. Houd die slingers bij de hand. Kunnen van pas komen.’
Toen ze het bosje verlieten, liep Elyas schuin naar het westen, weg van het pad dat ze eerder hadden gevolgd. Perijns adem stokte in zijn keel; het was of ze die laatste vlucht raven gingen volgen. Elyas bleef onvermoeibaar doorgaan en ze konden alleen maar volgen. Elyas kende tenslotte een veilige plek. Ergens. Dat had hij gezegd.
Ze renden naar de volgende heuvel, wachtten tot de raven verder vlogen en gingen toen weer verder, wachtten, renden. Hun snelle reis vroeg in de ochtend was al vermoeiend geweest, maar dit onophoudelijke gejacht verzwakte iedereen snel, behalve Elyas. Perijns hart bonsde en als hij een paar minuten op een heuveltop kon liggen, snakte hij naar lucht, waarbij hij het speuren aan Elyas overliet. Bela stond bij iedere stop met gebogen hoofd luid door haar neusgaten te snuiven. Angst joeg hen voort en Perijn wist niet of ze die wel konden beheersen. Hij hoopte maar dat de wolven het hun zouden vertellen als er iets achter hen was, wat het ook mocht zijn.
Voor hen waren meer raven dan Perijn ooit nog hoopte te zien. Links en rechts vlogen grote groepen raven naar het zuiden. Tientallen keren bereikten ze de dekking van een groepje bomen of de magere beschutting van een helling, enkele ogenblikken voor er raven opvlogen. Een keer, toen de zon net voorbij haar hoogste punt was, moesten ze midden op een open stuk zo stil als standbeelden blijven staan, een halve span van hun volgende schuilplek verwijderd, terwijl in het oosten een honderdtal gevederde verspieders van de Duistere voorbij wiekten. Ondanks de wind stroomde het zweet over Perijns gezicht, tot het laatste zwarte beest een vlekje werd en verdween. Hij kon het aantal achterblijvers dat ze met hun slingers omlaaghaalden, niet meer bijhouden.
Hij zag meer dan genoeg bewijzen op het pad dat de raven hadden afgelegd om zijn angst te rechtvaardigen. Hij had misselijk en geboeid naar een konijn gekeken dat in stukken was gescheurd. De kop zonder ogen stond overeind terwijl de andere delen, poten en ingewanden, er in een slordige kring omheen lagen. Ook vogels waren tot vormloze verenhoopjes neergepikt. En nog twee vossen.
Hij herinnerde zich iets wat Lan had verteld. Alle schepsels van de Duistere hadden plezier in doden. De macht van de Duistere is de dood. En als de raven hen zagen? Meedogenloze ogen, glinsterend als zwarte kralen. Stekende snavels die rond hen warrelden. Naaldscherpe snavels die bloedend toesloegen. Honderd stuks. Of kunnen ze er nog meer van hun soort oproepen? Zijn ze misschien allemaal op jacht? Een misselijkmakend beeld kwam in zijn gedachten op. Een hoop raven zo hoog als een heuvel, krioelend als maden, vechtend om enkele bloederige resten.
Opeens werd het beeld weggevaagd door andere beelden, elk een ogenblik scherp, dan vervagend en overgaand in een ander beeld. De wolven waren in het noorden op raven gestoten. Krijsende vogels doken en schoten omhoog, wervelden in de lucht, terwijl hun snavels na iedere duik probeerden toe te steken. Happende wolven sprongen op en doken weg, draaiden en beten tijdens hun sprongen. Telkens en telkens weer proefde Perijn veren en de smerige smaak van fladderende raven die levend kapot werden gebeten; hij voelde de pijn van bloedende wonden over zijn hele lijf en wist met een wanhoop die nooit aan opgeven dacht, dat al zijn inspanningen onvoldoende waren. Opeens schoten de raven omhoog en kringelden boven hen rond voor een laatste krijs van woede naar de wolven.
Wolven stierven niet zo gemakkelijk als vossen, en ze hadden een taak. Een laatste indruk van fladderende zwarte vleugels en ze waren verdwenen. Enkele zwarte veren dwarrelden op de dode krengen neer. Wind likte aan een wond op zijn linkervoorpoot. Springer had iets aan een oog. Vlek negeerde haar eigen wonden en riep de anderen; ze draafden pijnlijk in de richting waarin de raven waren weggevlogen. Bloed vlekte hun vacht. We komen. Het gevaar komt voorons uit.
Terwijl hij struikelend verder holde, wisselde Perijn een blik met Elyas. De gele ogen van de man toonden niets, maar hij wist het. Hij zei niets, keek Perijn alleen aan en wachtte, terwijl hij die moeiteloze draf bleef volhouden.
Wacht op me. Wacht tot ik toegeef dat ik de wolven voel.
‘Raven,’ hijgde Perijn met tegenzin. ‘Achter ons.’
‘Hij had gelijk,’ zuchtte Egwene. ‘Je kunt met ze praten.’
Perijns voeten voelden als klompen ijzer aan houten stokken, maar hij probeerde ze sneller te bewegen. Alsof hij weg wilde rennen van hun ogen, wegrennen van de raven, wegrennen van de wolven, in ieder geval weg van Egwenes ogen, die hem nu zagen zoals hij werkelijk was. ‘Wat ben je? Besmet, het Licht verblinde me! Vervloekt! Zijn keel brandde als nooit tevoren, het was erger dan bij de rook en hitte van de smidse van baas Lohan. Hij wankelde en hing aan de stijgbeugel van Egwene, tot ze afstapte en hem bijna het zadel in duwde, ondanks al zijn tegenstribbelen dat hij best verder kon. Het duurde echter niet lang voor ook zij zich al hollend aan de stijgbeugel vastklemde, haar rok ophoudend met haar andere hand, en even later stapte hij met knikkende knieën af. Hij moest haar optillen om van plaats te ruilen, maar ze was te moe om te protesteren.
Elyas liep echter niet langzamer. Hij dwong hen verder te gaan, joeg hen op en het hen de zoekende vogels in het zuiden zo dicht volgen dat Perijn dacht dat er maar één raaf hoefde om te kijken om hen te zien. ‘Ren verder, bloedvuur! Denk je dat je het er beter afbrengt dan die vos als ze ons te pakken krijgen? Die vos met zijn darmen rond zijn kop?’ Egwene hing scheef uit haar zadel en gaf luidruchtig over.
‘Ik wist dat je het je nog zou herinneren. Blijf gewoon nog een tijd doorgaan. Dat is alles. Gewoon wat verder. Bloed en as, ik dacht dat boerenkinderen uithoudingsvermogen hadden. De hele dag werken en de hele nacht dansen. Volgens mij lijkt het er meer op dat jullie dag en nacht slapen. Strek die vervloekte benen!’
Ze begonnen heuvels af te hollen zodra de laatste raaf over de volgende was verdwenen en daarna zelfs terwijl de traagsten nog boven de heuveltop fladderden. Eén vogel die omkijkt. In het oosten en westen zochten de raven, terwijl zij over de open vlakten ertussen draafden. Er is maar één vogel voor nodig.
De raven achter hen naderden snel. Vlek en de andere wolven renden om de zwermen heen en kwamen aansnellen zonder te stoppen of hun wonden te likken, maar ze hadden hun les geleerd en hielden de lucht in het oog. Hoe ver nog? Hoe lang nog? De wolven hadden geen idee van de menselijke tijdsindeling. Er was geen reden om een dag in uren te verdelen; voor hen was het licht of donker, zomer of winter. Meer was niet nodig. Eindelijk lukte het Perijn een beeld te krijgen van waar de zon zou staan als de raven hen zouden inhalen. Hij keek over zijn schouder naar de ondergaande zon en likte met een droge tong zijn lippen af. In een uur konden de raven hen inhalen, misschien al eerder. Een uur, en het duurde nog zeker twee uur voor het donker was.
Voor zonsondergang zijn we dood. Struikelend rende hij door. Afgeslacht als die vos. Hij tastte naar zijn bijl, toen naar zijn slinger. Dat zou nuttiger zijn. Maar niet genoeg. Niet tegen honderden raven, honderden bewegende doelen, honderden stekende snavels.