Wat boven de grond was te zien van de grote rots, liep een beetje rond, met een scherpe breuk aan een kant waar mos, oud en bruin, de verweerde buitenkant bedekte. De groeven en sleuven die in het ronde stuk waren uitgesleten, deden Perijn vreemd aan, maar hij was te zeer in zijn sombere bui verdiept om zich erover te verbazen. Egwene zat er echter onder het eten naar te kijken.
‘Dat lijkt op een oog,’ zei ze eindelijk. Perijn keek verbaasd; het zag er inderdaad uit als een oog, onder al dat roet.
‘Is het ook,’ zei Elyas. Hij zat met zijn rug naar het vuur en de rots en tuurde over het land, terwijl hij op een reep gedroogd vlees kauwde die zo taai was als leer. ‘Het oog van Artur Haviksvleugel. Het oog van de Hoge Koning zelf. Dit is er uiteindelijk van al zijn macht en roem geworden.’ Hij zei het verstrooid. Zelfs zijn kauwen was verstrooid; zijn ogen en aandacht waren op de heuvels gericht.
‘Artur Haviksvleugel?’ riep Egwene uit. ‘U houdt me voor de gek. Het is helemaal geen oog. Waarom zou iemand hier het oog van Artur Haviksvleugel in een rots uithakken?’
Elyas keek om en mompelde: ‘Wat leren ze die dorpswelpen van tegenwoordig?’ Hij snoof en richtte zijn blik weer op het land, maar praatte wel door. ‘Artur Paendrag Tanreall, Artur Haviksvleugel, de Hoge Koning, verenigde alle landen vanaf de Verwording tot de Zee der Stormen, van de Arythische Oceaan tot de Aielwoestenij, en zelfs nog enkele achter de Woestenij. Hij heeft zelfs legers naar de andere zijde van de Oceaan gestuurd. De verhalen zeggen dat hij over de hele wereld regeerde, maar waar hij echt over regeerde, was meer dan genoeg, voor welke levende man dan ook. Hij gaf het land vrede en recht.’
‘Allen waren gelijk voor de wet,’ zei Egwene, ‘en niemand hief zijn hand op tegen de ander.’
‘Dus je hebt de verhalen in ieder geval gehoord,’ grinnikte Elyas droog. ‘Artur Haviksvleugel bracht vrede en gerechtigheid, maar hij deed het te vuur en te zwaard. Een kind kon met een zak goud van de Arythische Oceaan tot aan de Rug van de Wereld rijden en hoefde geen tel bevreesd te zijn, maar de gerechtigheid van de Hoge Koning was even hard als deze rots voor ieder die hem uitdaagde, zelfs al was het door te zijn wat ze waren, of omdat de mensen dachten dat ze hem uitdaagden. Het gewone volk had vrede en gerechtigheid en een volle maag, maar hij belegerde Tar Valon twintig jaar lang en zette een prijs van duizend gouden kronen op het hoofd van iedere Aes Sedai.’
‘Ik dacht dat u Aes Sedai niet mocht,’ zei Egwene.
Elyas keek haar wrang glimlachend aan. ‘Het doet er niet toe wie ik mag of niet, kind. Artur Haviksvleugel was een trotse dwaas. Een Heelster van de Aes Sedai had hem kunnen redden toen hij ziek werd – of toen hij vergiftigd werd, zoals sommigen zeggen – maar alle nog levende Aes Sedai zaten opgesloten achter de Glanzende Muren en ze hadden al hun Kracht nodig om een leger buiten te houden dat met zijn kampvuren de nacht verlichtte. Hij wilde er geen een bij zijn ziekbed toelaten. Hij haatte Aes Sedai even fel als hij de Duistere haatte.’
Egwenes mond stond strak, maar toen ze sprak, zei ze alleen: ‘Wat heeft dat allemaal te maken met de vraag of dit Artur Haviksvleugels oog is?’
‘Enkel dit, meisje. Toen het overal vrede was, behalve aan de andere kant van de Oceaan, en de mensen hem overal toejuichten, waar hij ook ging – ze hielden echt van hem, begrijp je; hij was hard, maar nooit voor het gewone volk – besloot hij dat het tijd werd om een hoofdstad voor zichzelf te bouwen. Een nieuwe stad, op geen enkele wijze met een oude kwestie of groep of vete verbonden. Hier wilde hij hem bouwen, precies in het midden van het land dat begrensd werd door de zeeën en de Woestenij en de Verwording. Hier, waar geen Aes Sedai ooit zou komen of de Kracht zou kunnen gebruiken.
Een hoofdstad van waaruit ooit, eens, de hele wereld vrede en gerechtigheid zou ontvangen. Toen het gewone volk van de bekendmaking hoorde, schonk het genoeg geld om een monument voor hem te bouwen. De meesten vonden hem slechts een tree lager staan dan de Schepper. Een klein treetje. Het kostte vijf jaar van beeldhouwen en bouwen. Een beeld van Haviksvleugel, honderd keer groter dan de man zelf. Ze richtten het hier op en de stad zou eromheen worden opgetrokken.’
‘Er is hier nooit een stad geweest,’ zei Egwene smalend. ‘Er zou nog iets van over moeten zijn. Wat dan ook.’
Elyas knikte en bleef wakend rondkijken. ‘Er was inderdaad geen stad. Artur Haviksvleugel stierf op dezelfde dag dat het beeld klaar was en zijn zonen en andere verwanten vochten om zijn troon. Dit beeld stond eenzaam te midden van de heuvels. De zonen en neven en bloedverwanten stierven en het laatste bloed van Haviksvleugel verdween van deze wereld – behalve misschien in sommigen die de Arythische Oceaan zijn overgestoken. Er waren mensen die zelfs de herinnering aan hem zouden hebben weggevaagd als ze dat hadden gekund. Boeken werden verbrand als zijn naam erin stond. Uiteindelijk resten slechts de verhalen over hem, en de meeste zijn onjuist. Dat is er van zijn roem geworden.
Natuurlijk kwam er alleen door de dood van Haviksvleugel en zijn verwanten geen einde aan de strijd. Er viel nog steeds een troon te winnen en iedere edelman of edelvrouw die een leger uit de grond kon stampen, deed dat. Het was het begin van de Oorlog van de Honderd jaren. Duurde in feite honderddrieëntwintig jaar en het grootste deel van de geschiedenis van die jaren is verloren gegaan in de rook van brandende steden. Velen wonnen een stuk van zijn land, maar niemand kreeg het helemaal, en ergens in die tijd werd het beeld omver getrokken. Misschien konden ze het niet langer verdragen dat ze zich niet met hem konden meten.’
‘Eerst klinkt u of u hem veracht,’ zei Egwene, ‘en nu of u hem bewondert.’ Ze schudde haar hoofd.
Elyas draaide zich om en keek haar strak aan. ‘Als je nog thee wilt, zet die dan nu. Ik wil dat het vuur uit is voor het echt donker is.’
Perijn kon het oog nu duidelijk onderscheiden, ondanks het zwakker wordende licht. Het was groter dan een mannenhoofd en door de schaduwen die erover vielen, leek het op het oog van een raaf, hard, zwart en meedogenloos. Hij wilde dat ze ergens anders gingen slapen.
30
Schaduwkinderen
Egwene zat bij het vuur naar het oog van het standbeeld te staren, maar Perijn ging naar de poel, om alleen te zijn. De dag was voorbij en de avondwind stak al op uit het oosten en deed het wateroppervlak rimpelen. Hij haalde de bijl uit de lus aan zijn riem en draaide hem om en om. De essenhouten steel was zo lang als zijn arm en voelde glad en koel aan. Hij haatte de bijl. Hij schaamde zich dat hij zo trots was geweest, toen in Emondsveld, voor hij geweten had wat hij ermee zou willen doen.
‘Haat je haar zo erg?’ vroeg Elyas achter hem.
Geschrokken sprong hij op en hij had zijn bijl al half omhoog voor hij zag wie het was. ‘Kunt... kunt u mijn gedachten ook lezen? Net als de wolven?’
Elyas hield zijn hoofd schuin en keek hem onderzoekend aan. ‘Zelfs een blinde kan het in je gezicht lezen, jongen. Nou, laat eens horen? Haat je het meisje? Veracht je haar? Dat is het. Je was bereid haar te doden, omdat je haar veracht doordat ze ons ophoudt en jou met haar vrouwenmaniertjes aan het lijntje houdt.’
‘Egwene heeft mij nooit opgehouden,’ protesteerde hij. ‘Ze doet altijd haar deel. Ik veracht haar niet, ik hou van haar.’ Hij keek Elyas woest aan. Als hij het waagde te lachen! ‘Nee, niet op die manier, bedoel ik, zoals ik van mijn zus... Maar zij en Rhand... Bloed en as! Als die raven ons te pakken,.. Als... Ik weet het niet.’
‘Jawel, je weet het wel. Als zij haar manier van sterven kon bepalen, welke zou ze dan kiezen? Een trefzekere klap met je bijl of op de manier van de dieren die we vandaag hebben gezien? Ik weet waaraan ik de voorkeur zou geven,’