Выбрать главу

‘Ik heb geen enkel recht voor haar te kiezen. Maar u zegt niets tegen haar, hoort u? Over...’ Hij omklemde de bijlsteel met beide handen; zijn armspieren werden kabels van zware spieren, opgebouwd in die lange dagen dat hij in baas Lohans smidse de hamer had gezwaaid. Heel even dacht hij dat de dikke houten schacht zou breken.

‘Ik haat dit vervloekte ding,’ gromde hij. ‘Wat doe ik er in Lichtsnaam mee? Loop er als een zot mee rond. Ik zou het niet gekund hebben, weet u. Toen het allemaal maar kinderspel was, kon ik ermee pronken en spelen alsof ik...’ Hij zuchtte en ging zachter praten. ‘Het is nu anders. Ik wil hem nooit meer gebruiken.’

‘Je zult hem gebruiken.’

Perijn hief de bijl op om hem in de waterpoel te gooien, maar Elyas greep hem bij de pols. ‘Je gaat hem gebruiken, jongen, en zolang je elk gebruik van de strijdbijl haat, zul je hem verstandiger gebruiken dan de meeste mannen. Wacht nog. Pas als je de bijl niet meer haat, dan wordt het inderdaad hoog tijd dat je hem heel ver weggooit en de andere kant op vlucht.’

Perijn woog de bijl in zijn handen en was nog steeds geneigd hem in het water te gooien. Hij kan gemakkelijk ‘wacht nog’ zeggen. En als ik dan wacht en ik kan hem niet meer weggooien?

Hij deed zijn mond open om het Elyas te vragen, maar er kwam geen woord meer uit. In plaats daarvan kwam een boodschap van de wolven, zó dringend dat zijn ogen verglaasden. Even vergat hij wat hij wilde zeggen, vergat hij dat hij iets wilde zeggen, vergat zelfs hoe hij moest praten en hoe te ademen. Elyas’ gezicht verslapte eveneens en zijn ogen leken naar binnen te kijken, ver weg. Toen was het voorbij, even snel als het was gekomen. Het had maar een tel geduurd, maar het was genoeg.

Perijn vermande zich en haalde diep adem. Elyas wachtte niet. Zodra de sluier van zijn ogen was geweken, spoedde hij zich zonder te aarzelen naar het kampvuur. Perijn rende zwijgend achter hem aan. ‘Doof het vuur!’ riep Elyas hees tegen Egwene. Hij zwaaide fel en probeerde fluisterend te schreeuwen. ‘Maak het uit!’

Ze stond op, keek hem onzeker aan en deed toen een stap in de richting van het vuur, duidelijk niet-begrijpend wat er aan de hand was.

Elyas schoof ruw langs haar heen, greep de theeketel en vloekte toen hij zich eraan brandde. Hij gooide de ketel tussen zijn handen op, maar de hitte weerhield hem er niet van de ketel boven het vuur om te keren. Onmiddellijk schopte Perijn aarde over de sissende kooltjes. Toen de laatste thee op het vuur spatte, stegen sissende sliertjes stoom op. Perijn hield pas op toen het laatste spoortje vuur was begraven.

Elyas gooide Perijn de ketel toe, die hem meteen met een half ingeslikte schreeuw liet vallen. Hij blies op zijn handen en keek fronsend naar Elyas, maar de man in het bont lette niet op hem en zocht in alle haast de kampeerplek af op sporen.

‘We kunnen op geen enkele manier verbergen dat hier iemand is geweest,’ zei Elyas. ‘We moeten gewoon opschieten en er het beste van hopen. Misschien letten ze er niet op. Bloed en as, ik dacht echt dat het de raven waren.’

Haastig gooide Perijn het zadel over Bela’s rug. Voor hij zich boog om de riem aan te trekken, hing hij de bijl aan zijn zij.

‘Wat is er?’ vroeg Egwene. Haar stem trilde. Trolloks? Een Schim?’

‘Ga oostwaarts of westwaarts,’ zei Elyas tegen Perijn. ‘Zoek een plaats om je te verbergen. Zodra het kan, kom ik weer bij jullie. Als zij een wolf zien...’ Hij sprong weg, gebukt, alsof hij op handen en voeten wilde lopen en verdween in de langer wordende schaduwen van de avond. Egwene verzamelde haastig haar weinige spullen, maar ze wilde nog steeds uitleg van Perijn. Ze bleef aanhouden en werd steeds banger toen hij niets zei. Hij was ook bang, maar de angst zorgde ervoor dat ze voortmaakten. Hij liet haar wachten tot ze in westelijke richting verder trokken. Toen hij voor Bela uit draafde en de bijl met beide handen voor zijn borst hield, vertelde hij haar met tussenpozen wat hij wist. Ondertussen zochten zijn ogen naar een plek waar ze ongezien op Elyas konden wachten.

‘Er komen heel veel mannen aan, op paarden. Ze kwamen achter de wolven aan, maar hebben de wolven niet gezien. Ze rijden in de richting van het water. Waarschijnlijk hebben ze niets met ons te maken. In de wijde omtrek is dit de enige plek met water. Maar Vlek zegt...’ Hij keek even snel om. De avondzon schilderde vreemde schaduwen op haar gezicht, schaduwen die verborgen hoe ze keek. Wat denkt ze? Kijkt ze naar mij alsof ze me niet meer kent? Kent ze me wel? ‘Vlek zegt dat de mannen verkeerd ruiken. Het is... zoiets als de stank van een dolle hond.’ Achter hen verdween de waterpoel uit het zicht.

Nog steeds kon hij in de dieper wordende duisternis de rotsblokken onderscheiden, de stukken van het beeld van Artur Haviksvleugel.

De steen van hun kampvuur was onzichtbaar geworden. ‘We blijven uit hun buurt en zoeken een plek waar we op Elyas wachten.’

‘Waarom zouden wij ons daar druk om maken?’ wilde ze weten. ‘We waren hier toch veilig? Het zou hier veilig zijn. Licht, er is toch ergens wel een plaats waar het veilig is.’

Perijn deed nog meer zijn best een plekje te vinden waar ze zich konden verbergen. De mannen zouden nog niet dicht bij het water zijn, maar het was nu bijna nacht. Het zou algauw te donker zijn om verder te lopen. De heuveltoppen waren nog vaag te zien. Vanuit hun dal, waarin hij nog amper iets kon onderscheiden, leken ze daarentegen licht. Links van hen stak een donkere vorm scherp af tegen de lucht, een grote platte steen die uit de heuvel stak en de helling eronder in duisternis wierp.

‘Hierheen,’ zei hij.

Hij draafde naar de heuvel en keek achter zich of hij al iets van de nieuwkomers zag. Niets, nog niet. Meermalen moest hij stil blijven staan en wachten terwijl Bela en Egwene struikelend achter hem aan kwamen. Egwene zat over Bela’s nek gebogen en de merrie zocht voorzichtig een pad over de ongelijke bodem. Perijn vermoedde dat ze vermoeider waren dan hij had aangenomen. Het kan maar beter een goede schuilplaats worden, want ik denk niet dat we nog een andere kunnen zoeken.

Onder aan de heuvel onderzocht hij de massieve, vlakke rots die tegen de hemel afstak en bijna tot aan de top uit de heuvel sprong. Het leek vreemd bekend zoals de top van het enorme rotsblok onregelmatige treden leek te vormen, drie omhoog en één omlaag. Hij klom het korte stuk op en tastte de rots af terwijl hij erlangs liep. Ondanks de eeuwenlange verwering kon hij nog steeds vier evenwijdige zuilen voelen. Hij keek op naar de trapvormige top van de rots die boven zijn hoofd oprees als een geweldige leunsteen. Vingers. We verschuilen ons in de hand van Artur Haviksvleugel. Misschien is er nog wat van zijn gerechtigheid overgebleven.

Hij gebaarde Egwene hem te volgen. Ze bewoog niet, dus gleed hij terug naar de voet van de heuvel en vertelde haar wat hij had gevonden.

Egwene tuurde met gestrekt hoofd omhoog. ‘Hoe kun je nog iets zien?’ vroeg ze.

Perijn wilde iets zeggen, maar zag ervan af. Hij likte zijn lippen af toen hij rondkeek en besefte voor het eerst echt wat hij zag. De zon was nu helemaal onder en wolken verduisterden de volle maan, maar voor hem leek het of er een dieppaarse franje van schemering hing. ‘Ik heb de rots gevoeld,’ zei hij ten slotte. ‘Daardoor zal het wel komen. Ze zullen ons in die schaduw waarschijnlijk niet zien als ze hier komen kijken.’ Hij nam Bela bij haar halster en leidde haar naar de verhullende schaduw. Hij kon voelen hoe Egwene naar hem keek. Toen hij haar uit het zadel hielp, werd de stilte van de nacht verbroken door geschreeuw bij het water. Ze legde een hand op Perijns arm en hij hoorde haar onuitgesproken vraag.

‘De mannen hebben Wind gezien,’ zei hij onwillig. De betekenis van de wolvengedachten was moeilijk te begrijpen. Iets over vuur. ‘Ze hebben fakkels.’ Hij drukte haar omlaag aan de voet van de vingers en hurkte naast haar neer. ‘Ze verdelen zich in groepen om te gaan zoeken. Er zijn er heel veel en de wolven zijn allemaal gewond.’ Hij probeerde zijn stem flinker te laten klinken. ‘Maar Vlek en de anderen zouden in staat moeten zijn uit hun buurt te blijven, ook al zijn ze gewond en ze verwachten ons hier niet.