Mensen zien iets niet als ze het niet verwachten. Ze zullen het gauw genoeg opgeven en hun kamp opslaan.’ Elyas was bij de wolven en zou bij hen blijven zolang er jacht op hen werd gemaakt. Zoveel ruiters. Ze houden zo lang vol. Waarom?
Hij zag Egwene knikken, maar in het donker besefte ze dat niet. ‘Het komt wel goed, Perijn.’
Licht, dacht hij verbaasd, ze probeert mij te troosten!.
Het roepen bleef maar doorgaan. Kleine bosjes fakkels bewogen in de verte, flikkerende puntjes licht in de duisternis.
‘Perijn,’ zei Egwene zachtjes, ‘wil jij met me dansen op Zonnedag? Als we dan thuis zijn?’
Zijn schouders schokten. Hij maakte geen geluid en hij wist niet of hij lachte of huilde. ‘Doe ik. Beloofd.’ Onwillekeurig greep hij de bijl steviger vast, wat hem eraan herinnerde dat hij die nog steeds bezat.
Zijn stem werd een gefluister. ‘Ik beloof het,’ zei hij weer hoopvol.
Groepen mannen met fakkels reden nu door de heuvels, groepen van een man of twaalf. Perijn kon nog niet zeggen hoeveel groepen er waren. Soms waren er drie of vier tegelijk te zien die heen en weer trokken. Ze bleven maar naar elkaar roepen en soms klonk er gegil in de nacht, van paarden en van mannen.
Hij zag alles vanuit meer dan één punt gebeuren. Hij zat hoog op de heuvel bij Egwene en van daar uit zag hij de fakkels door de duisternis glijden als vuurvliegjes, en hij rende in zijn gedachten met Vlek, Wind en Springer door de nacht. De wolven waren te zwaar verwond door de raven om ver of snel te kunnen rennen, dus hadden ze het plan opgevat om de mannen uit de duisternis te verdrijven, terug naar hun kampvuren. Mensen zochten uiteindelijk altijd de veiligheid van hun kampvuren als er wolven in de nacht rondtrokken. Sommige mannen voerden groepen paarden zonder ruiters met zich mee. Als de grijze gestalten tussen hen in sprongen, hinnikten ze en bokten met grote rollende ogen. Ze gilden dan en trokken hun leidsels uit de handen van de mannen die ze vasthielden, waarna ze zo snel ze konden in alle richtingen wegstoven. De paarden met mannen op hun rug gilden ook als de grijze schaduwen vanuit het duister naar hen toe sprongen en met hun kaken beenpezen grepen; soms krijsten ook hun berijders, net voordat kaken hun keel openreten. Ook Elyas was daar ergens, hoewel Perijn hem minder goed kon voelen; hij was als een wolf die door de nacht sloop met zijn lange mes, een wolf op twee benen met een scherpe stalen tand. Het geroep ging steeds vaker over in gevloek, maar de zoekers weigerden het op te geven.
Opeens drong het tor Perijn door dat de mannen met de fakkels een bepaald patroon volgden. Iedere keer dat een van de groepen in zicht kwam was die dichter bij de heuvel waar Egwene en hij zich verborgen. Elyas had hen gezegd zich te verschuilen, maar... Als we nu eens wegvluchtten? Misschien kunnen we ons in het donker verborgen houden als we blijven doorgaan. Misschien. Het moet er nu wel donker genoeg voor zijn.
Hij wendde zich tot Egwene, maar op dat moment werd de beslissing hem uit handen genomen. Een groep fakkeldragers, een stuk of tien, rondde de heuvel onder aan de helling, deinend op de tred van de paarden. Lansspitsen glommen in het fakkellicht. Hij verstarde en hield zijn adem in terwijl zijn handen de bijlsteel nog steviger vastgrepen.
De ruiters reden voorbij, maar een van de mannen schreeuwde en de fakkels keerden terug. Hij dacht wanhopig na en zocht een uitweg. Maar als ze bewogen, zouden ze zeker worden gezien, als dat al niet was gebeurd. Dan hadden ze geen enkele kans meer. Dan zou zelfs het donker hen niet helpen.
De ruiters stonden onder aan de heuvel stil. Iedere man had een fakkel in de ene en een lange lans in de andere hand, hun paarden stuurden ze met hun knieën. In het licht van de fakkels kon Perijn de witte mantels zien van de Kinderen van het Licht. Ze staken hun fakkels omhoog en bogen zich naar voren om de diepe schaduw in te turen onder de vingers van Artur Haviksvleugel.
‘Er zit daarboven wel iets,’ zei er een. Zijn stem was te luid, alsof hij bang was voor wat zich buiten het licht van hun fakkels kon bevinden. ‘Ik zei jullie toch dat iemand zich daar kon verbergen. Is dat daar geen paard?’
Egwene legde een hand op Perijns arm; haar ogen waren groot in het donker. Haar stille vraag was duidelijk, al verborg de schaduw haar gezicht. Wat moeten we doen? Elyas en de wolven waren in het duister nog op jacht. De paarden beneden bewogen zenuwachtig hun hoeven. Als we nu vluchten, hebben ze ons zo te pakken.
Een van de Witmantels liet zijn paard naar voren stappen en schreeuwde de heuvel op: ‘Als je mensentaal verstaat, kom dan naar beneden en geef je over. Wij doen jullie geen kwaad als jullie in het Licht verkeren. Als je je niet overgeeft, worden jullie allemaal gedood. Je krijgt tien tellen.’ De lansen zakten, lange stalen punten glommen in het fakkellicht.
‘Perijn,’ fluisterde Egwene, ‘we zijn niet snel genoeg om te vluchten. Als we ons niet overgeven, vermoorden ze ons. Perijn?’
Elyas en de wolven waren nog vrij. Hij hoorde nog een verre, gorgelende gil uit de keel van een Witmantel die te dicht bij Vlek was gekomen. Als we vluchten... Egwene keek hem aan, wachtend op wat hij besloot. Als we vluchten... Hij schudde vermoeid zijn hoofd, stond als verdoofd op en struikelde de heuvel af, naar de Kinderen van het Licht. Hij hoorde Egwene zuchten en hem volgen, haar sloffende voeten kwamen aarzelend achter hem aan. Waarom zijn de Kinderen zo vasthoudend? Het lijkt of ze een dodelijke hekel hebben aan de wolven. Waarom ruiken ze verkeerd? Hij dacht dat hij hun slechtheid bijna kon ruiken toen de wind van de ruiters naar hen toe waaide.
‘Laat die bijl vallen,’ blafte de leider.
Perijn struikelde naar hem toe en vertrok zijn neus om de stank kwijt te raken die hij meende te ruiken.
‘Laat vallen, pummel!’ De lans van de leider richtte zich op Perijns borst.
Heel even staarde hij naar de lanspunt, genoeg scherp staal om dwars door hem heen te gaan en opeens schreeuwde hij; ‘Nee!’ De schreeuw was niet bedoeld voor de lansier.
Uit het duister sprong Springer toe en Perijn was een met de wolf. Springer, de welp die de adelaars had zien zwenken en die zo vurig verlangde te vliegen, als de adelaars aan de hoge hemel. De welp die hupte en veerde en sprong tot hij hoger kon springen dan elke andere wolf en die nooit het verlangen verloor om in de hemel rond te zweven. Uit het duister kwam Springer, met een geweldige sprong verliet hij de grond, zwevend als de adelaars. De Witmantels hadden slechts een ogenblik om te vloeken voor Springers kaken zich sloten rond de keel van de man die zijn lans op Perijn richtte. Door de vaart van de grote wolf viel de Witmantel van zijn paard. Perijn voelde hoe de nekwervels braken, proefde het bloed.
Springer kwam licht neer, alweer los van de man die hij had gedood. Bloed besmeurde zijn vacht, zijn eigen bloed en dat van anderen. Een diepe snee over zijn snuit liep dwars door zijn lege oogkas. Zijn goede oog vond heel kort Perijn. Vlucht, broeder! Hij draaide rond om opnieuw toe te springen, om voor de laatste keer te vliegen toen een lans hem aan de grond vastpinde. Een tweede stalen speer boorde zich door zijn ribben in de grond eronder. Wild trappelend hapte hij naar de lansen die hem vasthielden. Vliegen.
Pijn beving Perijn en hij krijste een woordeloze gil die iets van wolfsgehuil weg had. Zonder na te denken, sprong hij nog steeds gillend naar voren. Hij dacht nergens meer aan. De ruiters stonden te dicht op elkaar om hun lansen te gebruiken en de bijl leek wel een veertje in zijn handen, een geweldige stalen wolventand. Iets sloeg tegen zijn hoofd en toen hij neerviel, wist hij niet wie stierf, Springer of hij.
‘…zweven als de adelaars.’
Mompelend opende Perijn versuft zijn ogen. Zijn hoofd deed pijn en hij kon zich niet herinneren waardoor dat kwam. Knipperend tegen het licht keek hij rond. Egwene zat geknield naast de plek waar hij lag en keek hem aan. Ze waren in een vierkante tent, even groot als een gemiddelde boerenkamer, met een groot kleed op de grond. Olielampen op hoge standaards, één in elke hoek, verspreidden een helder licht.