Byar snoof ongelovig maar Perijn negeerde dat. Als de kapiteinheer overtuigd was, kon Byar hen niets doen. Het was duidelijk dat Byar zou ophouden met ademhalen als kapiteinheer Bornhald dat beval. ‘Ik heb niets van een zwaardhand gehoord,’ zei de grijze man even later.
Perijn wist niets meer te verzinnen; hij wist dat hij meer tijd had moeten gebruiken om het uit te denken. Egwene schoot hem te hulp. ‘We hebben hem ontmoet in Baerlon. In de stad wemelde het van mannen die na de winter uit de mijnen waren gekomen en wij werden in een herberg aan dezelfde tafel gezet. We hebben alleen tijdens het eten met hem gepraat.’
Perijn ademde weer. Dank je, Egwene,
‘Geef ze hun eigendommen terug. Kind Byar. Niet de wapens natuurlijk.’ Toen Byar hem verbaasd aankeek, voegde Bornhald eraan toe: ‘Of ben jij een van die mensen die de onverlichten plunderen, Kind Byar? Dat is een slechte zaak, nietwaar? Geen mens kan een dief zijn en in het Licht verkeren.’ Byar scheen grote moeite te hebben met deze gedachte.
‘Laat u ons dan gaan?’ Egwene klonk verbaasd. Perijn hief zijn hoofd om naar de kapiteinheer te kijken.
‘Natuurlijk niet, kind,’ zei Bornhald bedroefd. ‘Mogelijk is het waar dat jullie uit Tweewater komen, omdat je van Baerlon en de mijnen weet. Maar Shadar Logoth...? Dat is een naam die slechts weinigen kennen, voornamelijk Duistervrienden, en wie al zoveel weet als de naam, weet genoeg om er niet heen te gaan. Ik stel voor dat je een beter verhaal bedenkt tijdens de reis naar Amador. Jullie zuilen er de tijd voor hebben, omdat we onze reis in Caemlin onderbreken. Het liefst de waarheid, kind. Er is vrijheid in waarheid en het licht.’
Byar vergat iets van zijn eerbied voor de grijsharige kapiteinheer. Hij wendde zich van de gevangenen af en er klonk een woedende snauw in zijn woorden door. ‘Dat kunt u niet doen! Het is niet geoorloofd!’
Bornhald trok vragend een wenkbrauw op en Byar beheerste zich abrupt en slikte. ‘Vergeef me, kapiteinheer. Ik vergat mijn plaats en ik smeek nederig om vergiffenis en onderwerp mezelf aan uw straf, maar zoals mijn kapiteinheer zelf heeft opgemerkt, dienen we Caemlin op tijd te bereiken, en nu de meeste reservepaarden weg zijn, zal het al moeilijk genoeg zijn zonder dat we gevangenen meenemen.’
‘En wat zou jij willen voorstellen?’ vroeg Bornhald kalm.
‘De straf voor Duistervrienden is de dood.’ De vlakke stem maakte de woorden nog gruwelijker. Het klonk of hij had voorgesteld een bijter dood te trappen. ‘Geen bestand met de Schaduw. Geen genade voor Duistervrienden.’
‘IJver moet worden toegejuicht. Kind Byar, maar zoals ik vaak tegen mijn zoon Dain moet zeggen: overdreven ijver kan een ernstige fout zijn. Denk aan wat de Stellingen ook zeggen: “Geen mens is zo verloren dat hij niet tot het Licht kan worden gebracht”. Deze twee zijn nog jong. Zo diep kunnen ze nog niet in de Schaduw verkeren. Ze kunnen nog naar het Licht worden geleid, als zij slechts willen toestaan dat Schaduw voor hun ogen wordt verdreven. Die kans moeten we hen gunnen.’
Heel even voelde Perijn bijna genegenheid voor de grootvaderlijke man die tussen hen en Byar in stond. Toen schonk de grootvader zijn glimlach aan Egwene.
‘Als je weigert naar het Licht te komen voordat we in Amador zijn, zal ik gedwongen zijn je aan de Ondervragers over te geven, en de ijver van Kind Byar is vergeleken met de hunne slechts een kaarsje naast de zon.’ De grijze man klonk als een man die betreurde wat hij moest doen, maar nooit beoogde ooit iets anders dan zijn plicht te doen zoals hij die zag. ‘Doe boete, wijs de Duistere af, kom in het Licht en belijd je misstappen. Vertel wat je weet van die smerigheid met wolven en we zullen je sparen. Jij zult vrij wandelen in het Licht.’
Zijn ogen richtten zich daarna op Perijn en hij zuchtte bedroefd. IJs verkilde Perijns ruggengraat. ‘Maar jij, gewoon maar Perijn uit Tweewater, jij hebt twee Kinderen gedood.’ Hij raakte de bijl aan die Byar nog steeds vasthield. ‘Jou, vrees ik... wacht in Amador de galg.’
31
Speel voor je maaltijd
Rhand kneep zijn ogen dicht en keek naar de stofwolk die drie of vier bochten verderop over de weg naderde. Mart liep al in de richting van de wilde haag naast de Caemlinweg. De dicht vervlochten naaldtakken zouden hen even goed verbergen als een stenen muur, als ze zich tenminste een weg naar de andere kant konden banen. Aan de andere kant van de weg groeiden manshoge struiken, net kale, bruine skeletten. Daarachter lag, voor het bos, een open veld van een halve span. Het zou een sinds kort braakliggende akker kunnen zijn, maar het was geen handige schuilplaats. Hij probeerde de snelheid van de stofwolk te schatten, en de wind.
Een plotselinge windstoot wervelde het stof rond hem op en maakte alles onzichtbaar. Hij knipperde met zijn ogen en schoof de eenvoudige, donkere sjaal over zijn neus en mond. Die was nu niet meer zo schoon, waardoor zijn gezicht jeukte, maar voorkwam wel dat hij iedere keer stof inademde. Een boer had hem die gegeven, een man met een lang gezicht en diepe zorgelijke rimpels in zijn wangen. ‘Ik weet niet waarvoor jullie op de loop zijn,’ had hij met een bezorgde frons gezegd, ‘en ik wil het ook niet weten. Begrepen? Mijn gezin.’ Opeens had de boer twee lange sjaals uit zijn jaszak gehaald en ze hun toegestopt. ‘Het is niet veel, maar pak aan. Van mijn jongens. Zij hebben er meer. Jullie kennen me niet, begrepen? Het zijn zware tijden.’
Rhand koesterde de sjaal. Het lijstje vriendelijkheden dat hij sinds Wittebrug in zijn gedachten bijhield, was kort en hij dacht niet dat het veel langer zou worden.
Mart had de sjaal helemaal rond zijn hoofd gewikkeld. Alleen zijn ogen waren vrij. Hij zocht snel de hoge haag af en trok aan de takken. Rhand voelde even aan het reigerzwaard aan zijn riem, maar liet zijn hand weer zakken. Ze waren al eens bijna betrapt toen hij een gat door de haag had gehakt. De stofwolk kwam op hen af en bleef te lang hangen. Dat kwam niet door de wind. Het regende tenminste niet. Regen sloeg het stof neer. Hoe hard de regen ook viel, het vastgeklonken wegdek veranderde nooit in modder, maar als het regende was er geen stof. Stof was de enige waarschuwing die ze kregen voordat anderen zo dichtbij waren dat ze hen konden horen.
Soms was dat te laat.
‘Hier!’ riep Mart zachtjes. Hij leek recht de haag in te stappen. Rhand haastte zich erheen. Iemand had daar vroeger een gat gemaakt. Het was al half dichtgegroeid, en op drie voet afstand leek de haag niet onderbroken te worden, maar van dichtbij was het slechts een dun schermpje takken. Toen hij zich erdoorheen duwde, hoorde hij paarden naderen. Niet de wind.
Net toen hij wegdook achter de nauwelijks bedekte opening en het gevest van zijn zwaard omvatte, reden de ruiters voorbij. Vijf... zes... zeven. Eenvoudig geklede mannen, maar hun zwaarden en lansen zeiden dat het geen dorpelingen waren. Sommigen droegen leren tunieken met metalen knoppen en twee hadden ronde stalen hoofddeksels. Lijfwachten van een koopman, misschien, op weg naar hun volgende baan. Misschien.
Toen ze langs het gat draafden, keek een van hen terloops naar de heg en Rhand schoof zijn zwaard een duim omhoog. Mart grauwde zwijgend, als een in de hoek gedreven das, en kneep zijn ogen half dicht boven zijn sjaal. Hij had zijn hand onder zijn jas gestoken; als er gevaar dreigde, greep hij altijd de dolk uit Shadar Logoth vast. Rhand wist niet meer of hij dat deed om zichzelf of de robijndolk te beschermen. De laatste tijd leek Mart soms te vergeten dat hij een boog had.
De ruiters reden met een trage draf voorbij, gingen ergens heen, maar zonder al te veel haast. Stof kringelde door de heg heen.
Rhand wachtte tot het getrappel was weggestorven voor hij zijn hoofd behoedzaam door het gat stak. De stofwolk hing een heel eind verder, in de richting van Wittebrug. In het oosten was de lucht helder. Hij stapte de weg weer op en zag de wolken stof naar het westen trekken.
‘Niet achter ons aan,’ zei hij, half een uitspraak, half een vraag.
Mart klauterde achter hem aan en keek behoedzaam in beide richtingen. ‘Misschien,’ zei hij, ‘misschien.’