Rhand had geen idee hoe hij dat bedoelde, maar hij knikte. Misschien. Hij was niet zo begonnen, hun reis over de Caemlinweg.
Nadat ze uit Wittebrug waren gevlucht, had Rhand zich er nog vaak op betrapt dat hij snel even de weg achter zich afkeek. Soms dacht hij iemand te zien die zijn adem deed stokken, een lange magere man die zich over de weg haastte of een slungelige, witharige kerel naast de voerman op een kar, maar steeds was het een marskramer geweest of het waren boeren die op weg waren naar de markt, nooit Thom Merrilin. Zijn hoop verdween toen de dagen voorbijgingen.
Er was behoorlijk veel verkeer op de weg; wagens en karren, mensen te paard en mensen te voet. Ze kwamen alleen of in groepjes, een rij koopmanswagens of een tiental ruiters bij elkaar. De weg raakte nooit verstopt – vaak was er niets anders te zien dan de vrijwel kale bomen aan weerszijden van de harde zandweg – maar er trokken zeker meer mensen over dan Rhand ooit in Tweewater had gezien.
De meesten reisden in dezelfde richting als zij, naar het oosten, naar Caemlin. Soms konden ze een klein eindje meerijden in een boerenkar, een span, soms meer, maar vaker moesten ze lopen. Mannen te paard vermeden ze; als ze maar één eenzame ruiter in de verte zagen, stapten ze van de weg af en verborgen zich tot hij voorbij was. Geen enkele ruiter had een zwarte mantel gedragen en Rhand dacht niet dat een Schim hun zou laten merken dat hij eraan kwam, maar het had geen zin het erop te wagen. In het begin waren ze vooral bang voor de Halfman.
Het eerste dorp na Wittebrug leek zoveel op Emondsveld dat de benen van Rhand langzamer bewogen toen hij de hoge, puntige rietdaken zag, de vrouwen in schorten die over de schuttingen tussen hun huizen stonden te babbelen en de kinderen die op het dorpsplein speelden. De vrouwen droegen hun haar niet in een vlecht en andere kleine dingetjes waren ook anders, maar alles bij elkaar was het net thuis. Koeien graasden op het gras en ganzen waggelden gewichtig de weg over. De kinderen rollebolden lachend rond in het zand waar het gras geheel was verdwenen. Ze keken niet eens op toen Rhand en Mart langsliepen. Ook dat was iets wat anders was. Vreemdelingen waren hier niet zeldzaam, naar twee jongens werd geen tweede keer gekeken. Dorpshonden hieven alleen hun kop om te snuiven als Mart en hij langskwamen; niet een kwam er overeind.
Het liep tegen de avond toen ze door het dorp liepen en hij voelde een steek van heimwee toen de lichten achter de ramen aangingen. Waar het ook op lijkt, fluisterde een stemmetje in zijn hoofd, het is niet echt thuis. Zelfs als je een van die huizen binnenstapt, zal Tham daar niet zijn. Als hij er wel was, zou je hem dan onder ogen durven komen? ]e weet het nu, nietwaar? Op een paar kleine dingen na dan: zoals waar je vandaan komt en wie je bent. Geen koortsdromen. Hij trok zijn schouders hoog op tegen het smalende gelach in zijn hoofd.
Je kunt net zo goed halt houden, grinnikte de stem. De ene plek is net zo goed als de andere, als je nergens vandaan komt en de Duistere je heeft getekend.
Mart trok aan zijn mouw, maar hij trok zich los en keek goed naar de huizen. Hij wilde niet stoppen, maar hij wilde wel rondkijken en het in zich opnemen. Het lijkt zoveel op thuis, maar dat zul je nooit meer zien. nietwaar’
Mart wilde hem weer verder trekken. Zijn gezicht stond strak; de huid rond zijn mond en ogen was wit. ‘Kom mee,’ mompelde Mart. ‘Kom mee.’ Hij keek het dorp rond alsof hij verwachtte dat zich daar iets verborg. ‘Kom mee. We kunnen nog niet stoppen.’
Rhand draaide eenmaal helemaal rond, nam het hele dorp in zich op en zuchtte. Ze waren nog niet ver van Wittebrug. Als de Myrddraal binnen de muren van Wittebrug kon komen zonder gezien te worden, zou hij met dit dorpje helemaal geen moeite hebben. Hij liet zich meetrekken naar het land erachter, tot ze de rietdaken achter zich hadden gelaten.
Het was al nacht voor ze in het maanlicht een plekje vonden, onder een paar struiken die nog dode bladeren droegen. Ze lesten hun dorst met koud water uit een ondiep stroompje in de buurt en rolden zich in hun mantels zonder een vuur te maken. Een kampvuur kon gezien worden, ze konden beter koud blijven.
Verontrust door zijn herinneringen schrok Rhand vaak wakker en iedere keer kon hij Mart horen mompelen en in zijn slaap zien woelen. Hij droomde niet, voor zover hij wist, maar hij sliep niet goed.
Je zult je thuis nooit meer zien.
Het was niet de enige nacht geweest die ze zo hadden doorgebracht, met slechts hun mantel als bescherming tegen de wind en soms de regen, koud en kletsnat. Het was niet de enige maaltijd geweest die alleen uit koud water had bestaan. Samen hadden ze voldoende munten voor een paar maaltijden in een herberg, maar een bed kostte te veel. Alles was duurder dan in Tweewater en aan deze kant van de Arinelle waren de prijzen nog hoger dan in Baerlon. Het geld dat ze nog hadden, mocht alleen in geval van nood worden gebruikt.
Op een middag was Rhand begonnen over de dolk met de robijn in het gevest, toen ze over de weg verder sloften met een maag die te leeg was om te knorren. De zon stond laag en was zwak, en voor de komende nacht was er niets beters in zicht dan wat struiken. Donkere wolken stapelden zich op en beloofden die nacht regen. Hij hoopte dat ze geluk zouden hebben, misschien zou het niet meer dan een kille motregen worden.
Hij was gewoon doorgelopen tot hij had gemerkt dat Mart stilstond. Hij bleef ook staan en bewoog zijn tenen in zijn laarzen. Zijn voeten voelden tenminste nog warm aan. Hij verschikte de riemen om zijn schouders. Zijn dekenrol en de bundel van Thoms mantel waren niet zwaar, maar zelfs die wogen zwaar na vele spannen op een lege maag. ‘Wat is er. Mart?’ vroeg hij. ‘Waarom wil je hem zo graag verkopen?’ wilde Mart boos weten. ‘Ik heb hem per slot van rekening gevonden. Heb je er ooit bij stilgestaan dat ik hem misschien graag wil houden? Een poosje in ieder geval. Als je iets wilt verkopen, verkoop dan dat stomme zwaard!’
Rhand wreef over het reigerzwaard. ‘Mijn vader heeft dit zwaard aan mij gegeven. Het was van hem. Ik zou jou ook niet vragen iets te verkopen wat je van je vader hebt gekregen. Bloed en as. Mart, wil je dan hongerlijden? Trouwens, zelfs al vond ik iemand die het zwaard wil kopen, wat zou het nou opbrengen? Wat moet een boer met een zwaard? Die robijn kan ons genoeg opleveren om per rijtuig helemaal naar Caemlin te kunnen reizen. Misschien wel helemaal naar Tar Valon. En dan kunnen we telkens in een herberg eten en iedere nacht in een bed slapen. Vind jij het zo leuk de halve wereld door te lopen en buiten op de grond te slapen?’ Hij keek Mart kwaad aan en zijn vriend keek even boos terug.
Zo hadden ze midden op de weg gestaan, tot Mart opeens ongemakkelijk schokschouderde en zijn ogen neersloeg. ‘Aan wie zou ik het moeten verkopen, Rhand? Een boer zou in kippen moeten betalen en we kunnen een rijtuig toch niet met kippen betalen. En dan nog, als ik het zomaar in een dorp liet zien, zo een als daarnet, dan zouden ze waarschijnlijk denken dat we hem hadden gestolen. Het Licht mag weten wat er dan weer gebeurt.’
Even later had Rhand met tegenzin ingestemd. ‘Je hebt gelijk. Ik weet het. Het spijt me; ik wilde je niet afbekken. Het komt doordat ik honger heb en mijn voeten pijn doen.’
‘De mijne ook.’ Ze waren weer op weg gegaan, maar het lopen ging nog moeizamer dan eerst. De wind stak op en blies stof in hun gezicht. ‘De mijne ook,’ hoestte Mart.
Boerderijen hadden de Emondsvelders wel wat maaltijden en nachten zonder kou verschaft. Een hooiberg was bijna net zo warm als een kamer met een haardvuur, tenminste vergeleken met het slapen onder de bosjes, en een hooiberg, zelfs een zonder zeil, hield de ergste regen tegen, als je er maar diep genoeg in wegkroop. Soms beproefde Mart zijn geluk met het stelen van eieren en een keer probeerde hij een koe te melken die aan een lang touw was vastgezet om een veld af te grazen. Maar de meeste boerderijen hadden honden en die bleken meestal goede waakhonden te zijn. Een vlucht van twee span met blaffende honden op hun hielen vond Rhand een te hoge prijs voor twee of drie eieren, zeker als het uren duurde voor de honden weggingen en zij uit de boom konden klimmen waarin ze gevlucht waren. Vooral die verloren tijd speet hem.