Hij vond het niet echt plezierig om te doen, maar Rhand stapte veel liever openlijk en in vol daglicht op een boerderij af. Zo nu en dan kregen ze trouwens toch nog de honden achter zich aan, zonder dat er iets was gezegd, want de geruchten en de slechte tijden maakten iedereen die afgelegen woonde, zenuwachtig voor vreemdelingen. Toch leverde een uur of wat houthakken of waterhalen vaak een maaltijd en een bed op, ook al was dat bed een bundel stro in een schuur. Maar een uur of twee klussen betekende wel een uur of twee tijdverlies, een uur of twee waarin de Myrddraal hen kon inhalen. Soms vroeg hij zich af hoeveel span een Myrddraal in een uur kon afleggen. Hij had eigenlijk spijt over elke tel oponthoud – hoewel dat minder werd als hij de hete soep van een boerin wegschrokte. En als ze niet gegeten hadden, maar wisten dat ze van vroeg tot laat naar Caemlin hadden gereisd, dan hielp dat hun lege maag niet vullen.
Rhand kon maar niet besluiten wat het ergste was: tijd verliezen of hongerig verdergaan, maar Mart ging veel verder dan zich zorgen maken over zijn maag of achtervolging.
‘Wat weten we trouwens van die mensen?’ vroeg Mart op een middag, toen ze de stal van een kleine boerderij aan het uitmesten waren.
‘Licht, Mart, wat weten ze trouwens van ons?’ niesde Rhand. Met ontbloot bovenlijf waren ze aan het werk. Ze waren bezweet en zaten dik onder het stro en overal zweefden stofwolken rond. ‘Wat ik wel weet is dat ze ons wat gebraden lamsvlees geven en een echt bed om in te slapen.’
Mart stak zijn hooivork in het stro en de mest en keek schuins naar de boer die door de schuur liep met een emmer in zijn ene en een melkkruk in zijn andere hand. Een gebogen oude man, met een huid als leer en grijs haar. De boer liep langzamer toen hij Mart naar zich zag kijken, keek toen snel ergens anders heen en haastte zich de schuur uit, waardoor in zijn haast de melk over de rand klotste.
‘Hij is wat van plan, zeg ik je. Zag je dat hij me niet aan wilde kijken? Waarom zijn ze zo vriendelijk vooreen stel zwervers die ze nooit eerder hebben gezien? Vertel me dat eens.’
‘Zijn vrouw zegt dat we haar doen denken aan hun kleinzoons. Houd nou eens op met al dat gezeur. Het enige waar wij ons zorgen over moeten maken, komt achter ons aan, hoop ik.’
‘Hij is iets van plan,’ mompelde Mart.
Toen ze klaar waren, wasten ze zich in de trog voor de schuur; hun schaduwen reikten ver in de ondergaande zon. Terwijl ze naar het huis liepen, droogde Rhand zich af met zijn hemd. De boer ving hen bij de deur op; hij leunde veel te ontspannen op een vechtstok. Achter hem trommelde zijn vrouw aan haar schort en keek op haar lip bijtend over zijn schouder. Rhand zuchtte; hij dacht niet dat ze hen nog aan hun kleinzoons deden denken.
‘Onze zoons komen vanavond op bezoek,’ zei de oude boer. ‘Alle vier. Was ik vergeten. Ze komen alle vier. Flinke jongens. Sterk. Kunnen elk moment binnenstappen. Ik ben bang dat we geen bed overhebben, al hadden we het beloofd.’
Zijn vrouw hield ze een klein, in een doek gewikkeld bundeltje voor. ‘Hier. Brood en kaas, wat lamsvlees en gebakken ui. Genoeg voor twee keer, misschien. Alsjeblieft.’ Haar rimpelige gezicht vroeg hun om het alsjeblieft aan te pakken en te gaan.
Rhand nam het pakje aan. ‘Dank u. Ik begrijp het. Kom mee, Mart.’ Mart volgde hem mopperend, terwijl hij zijn overhemd over zijn hoofd trok. Rhand dacht dat het beter was zo ver mogelijk door te lopen voor ze ergens stopten om te eten. De oude boer had een hond. Het had erger kunnen zijn, dacht hij. Drie dagen ervoor waren de honden op hen afgestuurd terwijl ze nog aan het werk waren. De honden, de boer en zijn twee zoons joegen hen met hun knuppel zwaaiend na. Pas na een halve span over de Caemlinweg hadden ze het opgegeven. Rhand en Mart hadden nog net hun eigendommen mee kunnen graaien voor ze wegholden. De boer had een boog in zijn handen, met een aangelegde pijl.
‘En laat je hier niet meer zien, horen jullie!’ had hij hen nageschreeuwd. ‘Ik weet niet waar jullie op uit zijn, maar laat me die gluiperige ogen van jullie niet meer zien.’
Mart had zich omgedraaid en naar zijn pijlkoker getast, maar Rhand had hem meegetrokken. ‘Ben je gek?’ Mart keek hem nors aan, maar gelukkig bleef hij doorhollen.
Rhand vroeg zich soms af of het de moeite waard was om bij een boerderij te stoppen. Hoe verder ze kwamen, hoe achterdochtiger Mart werd tegen vreemden en hoe slechter hij dat kon verbergen. En hoe minder hij erom gaf. Ze kregen minder voor hetzelfde werk en mochten soms niet eens in de schuur slapen. Maar op de boerderij van Grinwel leek er een oplossing voor al hun problemen te komen, dat dacht Rhand tenminste.
Baas Grinwel en zijn vrouw hadden negen kinderen. De oudste, een meisje, was amper een jaar jonger dan Rhand en Mart. Baas Grinwel was een stevige man en met al die kinderen had hij waarschijnlijk nauwelijks hulp nodig. Toch nam hij hen van boven tot onder op, zag hun door het reizen vuil geworden kleren en stoffige laarzen en zei dat hij altijd wel werk kon vinden voor wie van aanpakken wist. Vrouw Grinwel zei dat als ze aan haar tafel kwamen eten, ze dat niet konden doen in die smerige vodden. Ze ging net de was doen en wat oude kleren van de baas zouden wel passen als werkkleren.
Ze glimlachte toen ze dat zei en heel even leek ze volgens Rhand precies op vrouw Alveren, hoewel ze lichtgeel haar had; dat had hij nog nooit gezien. Zelfs Mart leek iets van zijn spanning kwijt te raken toen zij naar hem lachte. De oudste dochter was weer een heel andere zaak.
Met haar donkere haar en grote ogen grijnsde de knappe Else vrijmoedig naar hen, telkens als haar ouders niet keken. Terwijl ze bezig waren om vaten en graanzakken m de schuur te verslepen, hing ze zacht neuriënd over de staldeur naar hen te kijken terwijl ze op het eind van een lange paardenstaart kauwde. Vooral Rhand hield ze in het oog. Hij probeerde net te doen of hij haar niet zag, maar na een paar minuten trok hij het hemd aan dat vrouw Grinwel hem had geleend. Het was te kort en krap in de schouders, maar het was beter dan niets. Else lachte luid toen hij het aantrok. Hij kreeg het idee dat het deze keer niet Marts schuld zou zijn als ze werden weggejaagd.
Perijn zou wet weten hoe bij dit moest aanpakken. Hij zou terloops iets zeggen en al snel zou ze om zijn grapjes lachen en hem niet meer zo nalopen, waar haar vader haar kan zien. Maar hij kon helemaal niets terloops bedenken, en ook geen enkel grapje, telkens als hij haar kant op keek, glimlachte ze hem zo toe dat haar vader de honden op hen af zou sturen als hij het zag. Ze liet zich ontvallen dat ze van lange mannen hield. Alle jongens op de boerderijen in de buurt waren klein. Mart grinnikte gemeen. Rhand wilde dat hij een grap kon verzinnen en stak met dubbele ijver zijn riek in het hooi.
De jongere kinderen waren een zegen in Rhands ogen. Mart werd altijd wat minder gespannen als er kinderen in de huurt waren. Na het avondeten gingen ze allemaal rond de schouw zitten. Baas Grinwel zat in zijn lievelingsstoel zijn pijp met tobak te stoppen en vrouw Grinwel was druk bezig met haar naaidoos en de hemden die ze voor hem en Mart had gewassen. Mart pakte Thoms kleurige ballen en begon te jongleren. Hij deed dat alleen als er kinderen waren. De kinderen lachten toen hij net deed of ze vielen en ze op het laatste moment opving, en ze klapten voor de fonteinen en achtvormen en een zesbalkring die hij werkelijk bijna liet vallen. Maar ze waardeerden het zeer en baas Grinwel en zijn vrouw klapten even hard als hun kinderen. Toen Mart klaar was, boog hij voor de hele kamer met evenveel zwier als Thom zou hebben gedaan. Rhand pakte Thoms fluit uit het kistje.
Hij kon Thoms spullen niet aanraken zonder dat een knagende droefheid hem overviel. Als hij de gouden en zilveren versieringen aanraakte, was het net of hij Thom zelf aanraakte. Hij had de harp nog nooit bespeeld, alleen gekeken of die nog droog en in orde was. Thom had altijd gezegd dat een harp niet geschikt was voor de grove vingers van een boerenjongen, maar wanneer een boer hen vroeg te blijven, speelde hij na het avondeten altijd een wijsje op de fluit. Gewoon om iets terug te doen voor de boer en misschien om de herinnering aan Thom levend te houden.