Bij de eerste noot van Haan in het noorden keken de paar klanten in de gelagkamer op van hun wijn. Zelfs de twee uitsmijters richtten zich op. Ze klapten allemaal toen hij klaar was, ook de twee zwaargewichten, en voor de zoveelste keer stuurde Mart een stroom gekleurde ballen door zijn handen. Buiten rommelde de hemel weer. Er viel nog geen regen, maar de druk was tastbaar; hoe langer de regen uitbleef, hoe harder hij zou vallen.
Het nieuwtje deed snel de ronde en tegen de tijd dat het buiten donker was, zat de ruimte stampvol mannen die zo hard lachten en praatten dat Rhand nauwelijks kon horen wat hij speelde. Alleen de donder overstemde de geluiden in de gelagkamer. Bliksem flitste in de ramen en in de korte tussenpozen hoorde hij de regen op het dak roffelen. Mannen die nu binnenkwamen, lieten een spoor van druppels achter op de vloer.
Telkens als hij even ophield, schreeuwden stemmen de namen van liedjes door de herrie heen. Een groot aantal namen herkende hij niet, maar als hij iemand een stuk liet neuriën, merkte hij vaak dat hij de melodie kende. Zo was het in eerdere dorpen ook geweest. Jolige Jaim was hier Rhea’s lief en in een eerdere herberg was het Kleuren van de zon geweest. Sommige namen bleven hetzelfde, andere veranderden om de tien span, en hij had ook nieuwe liedjes geleerd. De dronken kramer was een nieuwe, hoewel die soms Lapper in de keuken werd genoemd. Twee vorsten op jacht was Twee paarden op hol, en het lied droeg nog diverse andere namen. Hij speelde de liedjes die hij kende en de mannen bonkten op de tafels om aan te geven dat ze meer wilden horen.
Anderen wilden dat Mart weer zijn ballen rond liet wervelen. Soms braken er gevechten uit tussen de klanten die muziek wensten en anderen die Marts aandeel wilden zien. Eén keer flitste een mes en krijste een vrouw; een man wankelde weg van een tafel terwijl het bloed langs zijn gezicht stroomde.
Jak en Strom, de uitsmijters, schoten er snel op af en wierpen volmaakt onpartijdig iedere betrokkene de straat op, met een aantal builen op zijn gezicht. Zo pakten zij overlast aan. Het praten en lachen ging door of er niets was gebeurd. Niemand keek zelfs maar op, behalve degenen die opzij werden gedrongen als de uitsmijters op weg waren naar de deur.
De klanten waren ook vrij met hun handen als een van de dienstmeiden even niet oppaste. Dikwijls moest Jak of Strom een van de vrouwen redden, hoewel ze daar niet zo snel mee waren. Haak schudde de betrokken dienstmeid meestal brullend heen en weer en liet op niet mis te verstane wijze blijken dat het haar eigen schuld was, waarna de betraande ogen en gestamelde verontschuldigingen zeiden dat ze bereid was zijn mening te delen. De vrouwen vlogen wanneer Haak maar fronste, zelfs als hij ergens anders heen keek. Rhand vroeg zich af waarom ze dat duldden.
Haak glimlachte als hij naar Rhand en Mart keek. Na een poosje besefte Rhand dat Haak niet langer naar hen lachte, maar glimlachte naar wat er achter hen lag, naar het reigerzwaard. Toen Rhand de zilvergouden fluit naast zijn kruk legde, kreeg die ook een glimlach. De volgende keer dat hij van plaats wisselde met Mart, die aan de voorkant van de verhoging stond, boog hij zich voorover om iets in Marts oor te fluisteren. Hij moest hard praten, al was hij nog zo dichtbij, maar met zo’n herrie betwijfelde hij of iemand anders het kon horen. ‘Haak zal proberen ons te beroven.’
Mart knikte alsof er niets was wat hij niet verwachtte. ‘We zullen vannacht onze deur moeten versperren.’
‘Onze deur versperren? Jak en Strom kunnen met hun vuisten dwars door een deur slaan. Laten we maken dat we wegkomen.’
‘Wacht dan tenminste tot we gegeten hebben. Ik heb honger. Hier kunnen ze niets doen,’ voegde Mart eraan toe. De opeengepakte gelagkamer schreeuwde ongeduldig dat ze moesten doorgaan. Haak keek hen woedend aan. ‘Wil jij dan buiten slapen?’ Een bijzonder harde donderslag smoorde alle andere geluiden en heel even was het licht dat door de ramen scheen, sterker dan dat van de lampen.
‘Ik wil hier alleen wegkomen zonder gat in m’n hoofd,’ zei Rhand, maar Mart zakte alweer omlaag om op de bank te gaan zitten. Rhand zuchtte en zette De weg naar Dun Aren in. Veel klanten leken dat mooi te vinden; hij had het al vier keer gespeeld en nog steeds riepen ze erom.
De ellende was dat Mart gelijk had. Hij had ook honger. En hij zag niet hoe Haak hen iets in de weg kon leggen zolang de gelagkamer vol was en nog voller werd. Voor iedere man die wegging of eruit werd gesmeten door Jak en Strom, kwamen er twee binnen. Ze riepen om de jongleur of om een bepaald liedje, maar hadden de meeste belangstelling voor hun beker of de meiden. Maar één man was anders.
Hij viel in ieder opzicht op in de drukte van De Dansende Voerman. Kooplieden hielden zich duidelijk ver van deze verlopen herberg. Er waren zelfs geen aparte eetkamers voor hen, voor zover Rhand kon zien. De klanten droegen grove kledij en hadden de gelooide huid van mannen die in zon en wind werkten. Deze man was opgedirkt en vlezig en zijn handen waren zacht. Hij droeg een fluwelen jas en een donkere groenfluwelen mantel met een blauwzijden voering die om zijn schouders was geslagen. Zijn kleren waren van een kostbare snit. Zijn schoenen – zachtfluwelen schoenen, geen laarzen – waren niet gemaakt voor de kapotgereden straten van Vierkoningen – voor geen enkele straat of weg, wat dat betreft.
Hij kwam binnen toen het al ruim donker was en schudde de regen van zijn mantel terwijl hij alles met een afkeurend gezicht opnam. Hij keek het vertrek door en had zich al omgedraaid om weg te gaan toen hij opeens van iets schrok, iets wat Rhand niet kon zien. Hij ging zitten aan een tafel die Jak en Strom net hadden vrijgemaakt. Een dienstmeisje stopte bij zijn tafel en bracht hem toen een beker wijn, die hij opzijschoof en niet meer aanraakte. Beide keren leek ze zo snel mogelijk bij zijn tafel weg te willen, hoewel hij haar niet probeerde aan te raken, of zelfs maar aan te kijken. Wat het ook was waardoor ze zich niet op haar gemak voelde, de anderen die in zijn buurt kwamen, voelden hetzelfde. Hoewel hij er slap uitzag, verjoeg hij met slechts één blik elke ruwe voerman die besloot de tafel met hem te delen. Hij zat daar aan zijn tafel of er niemand in de gelagkamer was dan hijzelf – en Rhand en Mart. Hen keek hij over zijn gespitste handen aan. Over de ringen om al zijn vingers sloeg hij hen gade met een voldane glimlach van herkenning.
Rhand gaf het fluisterend door aan Mart toen ze weer van plaats verwisselden, en Mart knikte. ‘Ik heb hem gezien,’ mompelde hij. ‘Wie is het? Ik ken hem ergens van.’
Die gedachte was ook bij Rhand opgekomen. Het speelde hem door het hoofd, maar hij kon er niet opkomen. Toch wist hij zeker dat hij dat gezicht nooit eerder had gezien.
Nadat ze geruime tijd hadden opgetreden, liet Rhand de fluit in het kistje glijden en verzamelden Mart en hij hun eigendommen. Toen ze van de lage verhoging afstapten, worstelde Haak zich met een van woede vertrokken gezicht tussen zijn klanten door.
Tijd om re eten,’ zei Rhand om hem voor te zijn, ‘en we willen niet dat onze spullen gestolen worden. Wilt u het doorgeven aan de kok?’ Haak aarzelde, nog steeds boos, en probeerde vergeefs zijn ogen af te houden van wat Rhand in zijn armen droeg. Terloops verplaatste Rhand zijn spullen, zodat hij een hand op zijn zwaard kon leggen.
‘Of u kunt probéren ons eruit te gooien.’ Hij benadrukte het woord opzettelijk, en voegde eraan toe: ‘De nacht duurt nog lang en we kunnen nog een hele tijd spelen, maar we moeten wel eerst weer op krachten komen, zodat al die mensen weer geld uit kunnen geven.