Rhand keek zijn vriend aan. ‘Later,’ zei Mart geluidloos, en ze verzamelden hun spullen onder de waakzame ogen van Haak, Strom en Jak.
Zodra Rhand en Mart in de gelagkamer verschenen, klonk het geroep om de jongleur en de liedjes boven het lawaai uit. De man in de fluwelen mantel – Howal Gode – leek nog steeds iedereen om zich heen te negeren, maar hij zat wel op het puntje van zijn stoel. Toen hij hen zag, schoof hij met een tevreden glimlach achteruit.
Rhand ging als eerste vooraan op de verhoging staan en speelde Water putten uit de bron, maar hij was er met zijn gedachten niet bij. Niemand leek de paar foute noten te horen. Hij probeerde te bedenken hoe ze weg konden komen en probeerde ook Godes ogen te ontwijken. Als hij achter hen aanzat, had het geen zin hem te laten merken dat ze dat wisten. Maar hoe moesten ze wegkomen...
Hij had nooit eerder beseft dat een herberg zo’n goede val was. Haak, Jak en Strom hoefden hen niet eens in de gaten te houden; de mensen zouden het laten weten als hij of Mart van de verhoging afstapten. Zolang de gelagkamer vol mensen was, kon Haak het niet maken om Jak en Strom op hen af te sturen, maar al die tijd konden zij ook niet wegkomen zonder dat Haak het wist. Gode lette eveneens op iedere beweging van hem en Mart. Het was zo idioot dat hij erom had kunnen lachen als hij er niet bijna van moest overgeven. Ze konden alleen maar op hun hoede zijn en hun kans afwachten.
Toen hij van plaats ruilde met Mart, gromde Rhand in zichzelf. Mart keek woest naar Haak, Strom en Jak, en het maakte hem niet uit of ze het zagen. Als hij niet met de ballen bezig was, stak hij zijn hand onder zijn jas. Rhand siste hem toe, maar Mart luisterde niet. Als Haak die robijn zag, zou hij misschien niet eens wachten tot ze alleen waren. En als de mannen in de gelagkamer hem zagen, zou de helft met Haak meedoen.
Het ergste van alles was dat Mart tweemaal zo woest naar de koopman uit Wittebrug – de Duistervriend? – staarde als naar de anderen, en dat viel Gode op, dat kon ook haast niet anders. Maar zijn zelfvertrouwen werd er niet minder door. Hij lachte zelfs nog breder, gaf Mart een knikje of hij een oude bekende was, keek toen naar Rhand en trok vragend een wenkbrauw op. Rhand wilde niet weten wat de vraag was. Hij probeerde niet naar de man te kijken, maar hij wist dat het daarvoor al te laat was. Te laat. Weer te laat.
Slechts één ding scheen de man in fluweel behoorlijk uit zijn evenwicht te brengen. Rhands zwaard. Hij droeg het nog steeds. Twee of drie man wankelden naar voren om te vragen of hij dacht dat zijn spel zo slecht was dat hij bescherming nodig had, maar geen van hen viel de reiger op het gevest op. Gode zag het wel. Hij kneep zijn bleke handen ineen en fronste lang naar het zwaard voor zijn glimlach terugkeerde. Die was minder zeker dan eerst.
Tenminste één goed ding, dacht Rhand. Als hij meent dat ik dat reigerteken kan waarmaken, laat bij ons misschien met rust. Dan hoeven we ons alleen nog zorgen te maken over Haak en zijn bullebakken. De gedachte troostte hem niet echt; zwaard of geen zwaard.
Gode bleef toekijken. En glimlachen.
Voor Rhand leek het of de nacht een jaar duurde. Al die ogen die naar hen keken... Haak en Jak en Strom leken net aasgieren die een lam bekeken dat vastzat in een moeras, en de wachtende Gode leek zelfs iets nog ergers. Hij begon te denken dat iedereen in het vertrek hem om heimelijke redenen aankeek. De zure wijnlucht en de stank van smerige, zwetende lichamen deden hem duizelen en de herrie van de stemmen bonkte op hem neer tot hij een waas voor zijn ogen kreeg en zelfs het geluid van zijn fluit in zijn oren kraste. De donderslagen leken in zijn schedel te klinken. Uitputting drukte op hem als een ijzeren gewicht.
Eindelijk werden de mannen onwillig uit de gelagkamer gedreven door de noodzaak om bij dageraad weer op te zijn. Een boer was alleen voor zichzelf verantwoordelijk, maar kooplieden waren opvallend ongevoelig voor katers wanneer zij het voermansloon betaalden. Het was ruim na middernacht toen de gelagkamer langzaam leegliep en ook de mensen die boven kamers hadden, naar hun bedden schuifelden.
Gode was de laatste. Toen Rhand gapend zijn leren fluitkist oppakte, stond Gode op en slingerde zijn mantel over zijn arm. De dienstmeiden ruimden op, mopperend over de gemorste wijn en het gebroken aardewerk. Haak sloot de voordeur met een grote sleutel af.
Gode nam Haak even apart, en die riep een van de meiden om de koopman een kamer te wijzen. De man met de fluwelen mantel glimlachte veelbetekenend naar Mart en Rhand voor hij naar boven verdween.
Haak stond Rhand en Mart aan te kijken, Jak en Strom stonden naast hem.
Rhand hing snel zijn andere spullen over zijn schouder en hield ze met zijn linkerhand onhandig op zijn rug, zodat hij bij zijn zwaard kon komen. Hij greep er nog niet naar, maar hij wilde hen duidelijk maken dat hij klaarstond. Hij onderdrukte een geeuw; hoe moe hij was hoefden zij niet te weten.
Mart schoof onhandig zijn boog om en pakte zijn andere bezittingen, maar hield zijn hand onder zijn jas terwijl hij de naderende Haak, Jak en Strom in de gaten hield.
Haak had een olielamp en tot Rhands verrassing boog hij kort en gebaarde naar een zijdeur. ‘Jullie strozakken zijn daar.’ Het lichte krullen van zijn lippen bedierf zijn toneelspel.
Mart stak zijn kin naar voren en wees op Jak en Strom. ‘Hebt u die twee nodig om ons onze bedden te wijzen?’
‘Ik ben een welvarend man,’ zei Haak, de voorkant van zijn smerige voorschoot gladstrijkend, ‘en welvarende mannen kunnen niet voorzichtig genoeg zijn.’ Een donderende slag deed de ruiten rinkelen en hij keek nadrukkelijk naar het plafond en grijnsde al zijn tanden bloot. ‘Willen jullie je bed zien of niet?’
Rhand vroeg zich af wat er zou gebeuren als hij zei dat ze weg wilden gaan. Als je maar echt wist hoe je een zwaard moest gebruiken. Die paar oefeningen die Lan heeft laten zien... ‘Gaat u maar voor,’ zei hij en hij probeerde zijn stem hard te laten klinken. ‘Ik hou er niet van om iemand achter me te hebben.’
Strom gniffelde, maar Haak knikte onderdanig, draaide zich om naar de zijdeur en de twee andere mannen stampten achter hem aan. Diep ademhalend keek Rhand verlangend naar de keukendeur. Als Haak de achterdeur al had gesloten, zou weghollen slechts veroorzaken wat hij hoopte te vermijden. Somber volgde hij de herbergier.
Bij de zijdeur aarzelde hij en Mart liep tegen hem aan. Nu bleek waarom Haak een olielamp had meegenomen. De deur gaf toegang tot een pikdonkere gang. Alleen de lamp die de omtrekken van Jak en Strom aftekende, gaf hem de moed door te lopen. Als ze zich omdraaiden, zou hij het zien. En dan? De vloer kraakte onder hun laarzen.
De gang kwam uit op een ruwe, ongeverfde deur. Hij had niet gezien of er links en rechts nog deuren waren. Haak en zijn boeven stapten naar binnen en hij volgde snel, zodat ze geen kans kregen een val op te zetten, maar Haak hief alleen de lamp op en gebaarde naar de kamer.
‘Hier is het.’
Hij had hel een oude voorraadkamer genoemd en zo te zien was die al lange tijd buiten gebruik. Vermolmde vaten en gebroken kisten namen de helft van de vloer in beslag. Een gestaag druppelen klonk van verschillende plaatsen onder het plafond en een gebroken ruit in het smerige raam liet de regen vrij naar binnen zwiepen. Onherkenbare rommel en troep vulden de planken en op vrijwel alles lag een dikke laag stof. Dat de beloofde strozakken er waren, was een verrassing.
Het zwaard maakt hem zenuwachtig. Hij zal niets proberen tot we diep in slaap zijn. Rhand was zeker niet van plan onder Haaks dak te slapen. Zodra de herbergier weg was, wilde hij door het venster verdwijnen. ‘We doen het ermee,’ zei hij. Hij bleef Haak in de gaten houden, op zijn hoede voor een seintje naar de twee grijnzende mannen. Het was een inspanning om zijn lippen niet nat te maken. ‘Laat de lamp staan.’