Выбрать главу

De lamp lag op zijn kant op een van de weinige planken die nog aan de muur hingen, maar hij brandde nog en gaf licht. Alle vaten en kisten, sommige verkoold en smeulend, lagen schots en scheel door elkaar waar ze waren neergesmeten. Het raam was verdwenen – met ijzeren staven en al, en ook een groot deel van de muur. Het had een versplinterd gat achtergelaten. Het dak was scheefgezakt en slierten rook vochten rond de scherpe rand van het gat met de regen. De deur was uit haar scharnieren geslagen en was vastgeklemd, half in de deurpost, half in de gang.

Met een gevoel van doezelige onwerkelijkheid zette hij de lamp overeind. Dat ding mocht niet breken; dat leek op dit moment het belangrijkste ter wereld.

Opeens viel er een stapel kisten uit elkaar en kwam Mart tevoorschijn. Hij zwaaide met knipperende ogen heen en weer en bevoelde zichzelf, alsof hij zich afvroeg of alles er nog aan zat. Hij gluurde naar Rhand. ‘Rhand? Ben jij het? Je leeft! Ik dacht dat we het allebei...’ Hij zweeg en beet bevend op zijn lip. Het duurde even voor Rhand besefte dat hij lachte, volkomen over zijn toeren.

‘Wat is er gebeurd, Mart? Mart? Mart! Wat is er gebeurd?’

Een laatste rilling schokte door Mart, toen stond hij stil. ‘Bliksem, Rhand. Ik keek net naar het raam toen de bliksem de staven raakte. Bliksem. Ik zie niks...’ Weer haperde hij, loerde naar de klem zittende deur en zijn stem werd scherp. ‘Waar is Gode?’

Achter de deur bewoog zich niets in de donkere gang. Van Gode en zijn trawanten was niets te zien of te horen, hoewel er van alles in die duisternis kon liggen. Rhand merkte dat hij hoopte dat ze dood waren, maar hij zou nog voor geen gouden kroon zijn hoofd de gang in willen steken om dat uit te zoeken. Er bewoog ook niets buiten, in de nacht achter de verdwenen muur. Maar er waren anderen wakker en op. Verward geroep klonk van de bovenverdieping van de herberg en het gestamp van hollende voeten was te horen.

‘Laten we gaan nu we kunnen,’ zei Rhand.

Hij griste hun bezittingen uit de rommel op de vloer, greep Mart bij zijn arm en trok en leidde hem door het gapende gat de nacht in. Mart hield zijn arm stevig vast, struikelde naast hem mee, met zijn hoofd vooruit in een poging nog wat te zien.

Toen de eerste regen Rhands gezicht raakte, vorkte de bliksem boven de herberg en stond hij met een schok stil. Godes mannen lagen er nog, met hun voeten naar het gat. Hun open ogen staarden naar de hemel en werden gegeseld door de regen.

‘Wat is er?’ vroeg Mart. ‘Bloed en as! Ik zie geen hand voor ogen.’

‘Niks,’ zei Rhand. Geluk. Puurste geluk van het Licht... Ja toch? Huiverend leidde hij Mart behoedzaam langs de lijken. ‘Alleen de bliksem.’

Als het niet weerlichtte, was het pikkedonker, en hij struikelde over de wagensporen toen ze zwalkend van de herberg wegrenden. Met Mart, die bijna tegen hem aan hing, werd elke struikeling haast een val, maar wankelend en hijgend vluchtten ze weg.

Eenmaal keek hij om. Eenmaal, voor de regen te dicht werd en als een oorverdovend gordijn De Dansende Voerman aan het zicht onttrok. De bliksem toonde de zwarte gestalte van een man achter de herberg, een man die zijn vuist schudde naar hen, of naar de hemel. Gode of Haak, hij wist het niet, het maakte eigenlijk niet uit. De regen kwam neer als een vloed en zonderde hen af achter een muur van water. Hij haastte zich de nacht in en luisterde door de donderslagen naar het geluid van achtervolgers.

33

Het Duister wacht

Onder een loodgrijze hemel bonkten de hoge wielen van de kar oostwaarts over de Caemlinweg. Rhand trok zich op uit het stro om over de zijkant te kijken. Dat ging gemakkelijker dan een uur geleden. Zijn armen voelden nog steeds alsof ze uit zouden rekken in plaats van hem op te trekken, en heel even wilde zijn hoofd verder opstijgen en wegdrijven, maar het ging gemakkelijker. Hij haakte zijn ellebogen om de lage zijborden en zag het land aan zich voorbijtrekken. De zon ging nog verscholen achter grijze wolken, maar stond hoog aan de hemel, terwijl de kar een dorp van met ranken begroeide rode baksteenhuizen binnenreed. Na Vierkoningen lagen de dorpen dichter bij elkaar.

Sommige mensen zwaaiden of riepen een groet naar Hijam Kins, de boer van wie de kar was waarop ze lagen. Baas Kins, een zwijgzame man met een gelooid gezicht, riep ondanks de pijp in zijn mond elke keer een paar woorden terug. De op elkaar geklemde tanden maakten wat hij zei allesbehalve begrijpelijk, maar het klonk joviaal en leek te voldoen; de mensen gingen weer verder met hun bezigheden zonder een tweede blik op de kar. Niemand leek aandacht te besteden aan de twee bijrijders van Kins.

De dorpsherberg schoof door Rhands gezichtsveld. Hij was witgekalkt, met een dak van grijze leisteen. Mensen liepen druk in en uit, terwijl ze terloops naar elkaar knikten of wuifden. Sommigen bleven staan praten. Ze kenden elkaar. Dorpelingen voornamelijk, aan hun kleren te zien – laarzen, broeken en jassen die niet zoveel verschilden van wat hij zelf droeg, hoewel ze een buitensporige voorliefde leken te hebben voor kleurige strepen. De vrouwen droegen een muts die hun gezicht verborg en witte schorten met strepen. Misschien waren het allemaal mensen uit dit dorp en van boerderijen uit de streek.

Maakt dat enig verschil?

Hij liet zich terugvallen op het stro en zag hoe het dorp tussen zijn voeten door kleiner werd. Aan de weg grensden velden met hekken en gesnoeide heggen.

Daarachter stonden kleine boerderijen, waarvan rook opsteeg uit schoorstenen van rode baksteen. De enige bossen langs de weg waren niet meer dan groepjes bomen, keurig bijgehouden voor brandhout, even verzorgd als een boerenerf. De takken staken echter nog bladerloos tegen de hemel af, even kaal als de bossen in het westen.

Een rij wagens die de andere kant op ging, rammelde over het midden van de weg naar hen toe, zodat de kar naar de berm werd gedrongen. Baas Kins verschoof zijn pijp naar zijn mondhoek en spoog een grote fluim opzij. Met één oog op het wiel in de berm, zodat de kar niet zou vastlopen in de heg, hield hij het paard in beweging. Zijn mond vormde een strakke streep toen hij naar de koopmanswagens keek.

Niemand van de menners die met hun lange zwepen in de lucht boven de achtspannen klapten, niemand van de wachten met hun harde gezichten die ineengezakt in het zadel naast de wagens meereden, keek naar de kar. Rhand was gespannen, maar zag ze doorrijden. De hand onder zijn mantel omklemde het zwaardgevest tot de laatste wagen voorbij was.

Terwijl de wagens verder ratelden naar het dorp dat zij net hadden verlaten, keerde Mart zich om van zijn plaats naast de boer op de bok, tot hij recht in Rhands ogen keek. De sjaal die zo goed hielp tegen het stof, liet zijn ogen in de schaduw, omdat hij hem laag rond zijn voorhoofd had gewikkeld. Toch kneep hij zijn ogen dicht tegen het grijze daglicht. ‘Is jou daarstraks iets opgevallen?’ vroeg hij zachtjes. ‘Of aan de wagens?’

Rhand schudde zijn hoofd en Mart knikte. Hij had ook niets gezien. Baas Kins keek hen vanuit zijn ooghoeken aan, schoof toen zijn pijp weer terug en klapte met de leidsels. Dat was alles, maar het was hem opgevallen. Het paard stapte wat sneller door.

‘Doen je ogen nog pijn?’ vroeg Rhand.

Mart voelde aan de sjaal rond zijn hoofd. ‘Nee. Niet zo erg. Tenzij ik de zon in kijk. Hoe is het met jou? Voel jij je al beter?’

‘Iets.’ Hij voelde zich echt beter, besefte hij. Het was een wonder dat hij zijn misselijkheid zo snel kwijt was. Meer dan dat, het was een geschenk van het Licht. Het moet het Licht zijn. Dat moet wel.

Opeens passeerde een afdeling ruiters de kar. Net als de koopmanswagens trokken ze naar het westen. Lange witte kragen hingen over hun kurassen en hun mantels en jassen waren rood, net als de kledij van de poortwachters in Wittebrug, maar mooier gemaakt en beter passend. De kegelvormige helm van iedere man glansde als zilver. Ze zaten met rechte ruggen op hun paarden. Smalle rode vaantjes flapperden onder de punten van hun lansen en elke ruiter hield zijn lans onder dezelfde hoek vast.