Выбрать главу

Sommigen keken even in de kar toen ze in twee rijen langsreden. Hun gezichten waren verborgen achter vizieren. Rhand was blij dat zijn mantel over zijn zwaard lag. Enkelen knikten baas Kins toe, niet alsof ze hem kenden, maar afstandelijk. Baas Kins knikte vrijwel op dezelfde manier terug, maar hoewel zijn gezicht niet veranderde, lag er iets goedkeurends in zijn knikje.

Ze reden stapvoets, maar – mede door de snelheid van de kar – trokken toch vlug voorbij. Afwezig telde Rhand ze. Tien... twintig... dertig... tweeëndertig. Hij tilde zijn hoofd op om de rijen over de Caemlin weg verder te zien gaan.

‘Wie waren dat?’ vroeg Mart, half verbaasd, half achterdochtig.

‘Koninginnegarde,’ liet baas Kins rond zijn pijp weten. Hij hield zijn ogen op de weg gevestigd. ‘Gaan niet verder dan Breensbron, tenzij ze worden opgeroepen. Dat was vroeger wel anders.’ Hij lurkte aan zijn pijp en voegde er toen aan toe: ‘Ik neem aan dat er nu delen van het rijk zijn die in meer dan een jaar geen gardisten zien. Nee, dat was vroeger anders.’

‘Wat doen ze hier?’ vroeg Rhand.

De boer keek hem onderzoekend aan. ‘Ze bewaren de vrede van de koningin en handhaven haar wetten.’ Hij zat in zichzelf te knikken alsof hij het mooi vond klinken en voegde eraan toe: ‘Ze sporen boosdoeners op en voeren ze voor een magistraat. Mmmff!’ Hij blies een lange straal rook voor zich uit. ‘Jullie twee moeten van behoorlijk ver weg zijn dat je de koninginnegarde niet kent. Waar komen jullie vandaan?’

‘Van ver,’ zei Mart tegelijk met Rhand, die zei: ‘Uit Tweewater.’ Zodra hij dat gezegd had, wenste hij dat hij de woorden kon terugnemen. Hij had nog steeds geen helder hoofd. Probeerde hij zich schuil te houden en noemde dan een naam die een Schim zou aantrekken als een baken.

Baas Kins keek Mart vanuit zijn ooghoeken aan en bleef een tijdje stil aan zijn pijp puffen. ‘Dat is inderdaad ver weg,’ zei hij ten slotte. ‘Bijna aan de grenzen van het rijk. Maar de dingen moeten slechter zijn dan ik dacht als er plaatsen in het rijk zijn waar de mensen de koninginnegarde niet eens herkennen. Nee, dat was vroeger anders.’

Rhand vroeg zich af wat meester Alveren zou zeggen als iemand hem zei dat Tweewater een deel was van het rijk van de een of andere koningin. De koningin van Andor, nam hij aan. Misschien wist de dorpsmeester het wel – hij wist veel dingen die Rhand verrasten – en mogelijk wisten anderen het ook, maar hij had het nooit van iemand gehoord. Tweewater was Tweewater. Ieder dorp loste zijn eigen problemen op en als er ooit problemen waren tussen verschillende dorpen, dan losten de dorpsmeesters of misschien de dorpsraden die onderling op.

Baas Kins trok de leidsels aan en bracht de kar tot stilstand. ‘Verder ga ik niet.’ Een smal karrenspoor liep naar het noorden; in die richting lagen verschillende boerderijen tussen omgeploegde velden, waarop nog steeds niets groeide. ‘Met twee dagen kun je in Caemlin zijn. Dat kan. Tenminste, als je vriend weer op zijn benen kan staan.’

Mart sprong eraf en pakte zijn boog en andere spullen, waarna hij Rhand hielp om uit de bak te klimmen. Rhands pakken voelden zwaar aan en zijn benen trilden, maar hij sloeg de hand van zijn vriend af en probeerde zelf een stukje te lopen. Hij voelde zich nog wiebelig, maar zijn benen hielden het. Ze leken zelfs sterker te worden terwijl hij ze gebruikte.

De boer spoorde zijn paard niet meteen aan. Hij keek hen een tijdlang zwijgend aan, terwijl hij op zijn pijp zoog. ‘Jullie mogen best een paar dagen op mijn stek uitrusten, als je wilt. Zullen in die tijd niets mislopen, lijkt me. Wat voor ziekte je ook had, jongeman... tja, moeder de vrouw en ik, wij hebben al voor jij werd geboren iedere ziekte gehad die je kunt bedenken en we hebben ons jonge grut er ook doorheen geholpen. Ik denk niet dat je ons nog zult aansteken.’

Mart kneep zijn ogen half dicht en Rhand merkte dat hij fronste.

Niet iedereen hoort erbij. Ze kunnen het nooit allemaal zijn.

‘Dank u,’ zei hij, ‘maar ik ben wel in orde. Echt. Hoe ver is het naar het volgende dorp?’

‘Carysvoorde? Je kunt er lopend voor donker zijn.’ Baas Kins haalde zijn pijp uit zijn mond en kneep nadenkend zijn lippen op elkaar, voor hij verder praatte. ‘In het begin dacht ik dat jullie weggelopen gildeknapen waren, maar nu vermoed ik dat jullie voor iets ernstigers op de vlucht zijn. Ik weet niet wat. Maakt me ook niet uit. Ik kan mensen goed genoeg beoordelen om te weten dat jullie geen Duistervrienden zijn en niemand zullen beroven of neerslaan. Niet als sommigen die tegenwoordig over de wegen zwerven. Ik ben zelf ook een paar keer in de problemen gekomen toen ik jullie leeftijd had. Jullie hebben een plek nodig om enkele dagen uit het zicht te blijven; mijn boerderij is vijf span die kant uit,’ hij wees met zijn pijp over het karrenspoor, ‘en daar komt van zijn leven niemand. Wie er ook achter jullie aanzit, hij zal jullie daar niet gauw zoeken.’ Hij schraapte zijn keel, alsof hij zelf verlegen werd van zijn toespraak.

‘Hoe kunt u nu weten hoe Duistervrienden eruitzien?’ vroeg Mart. Hij schoof weg van de kar en zijn hand verdween onder zijn jas. ‘Wat weet u nou van Duistervrienden?’

Het gezicht van baas Kins verstrakte. ‘Zoek het dan zelf maar uit,’ zei hij en hij klakte naar zijn paard. De kar rolde het smalle pad in en hij keek niet meer om.

Mart keek naar Rhand en zijn woede verdween. ‘Het spijt me, Rhand. Je hebt een plek nodig om te rusten. Misschien als we hem achterna gaan...’ Hij haalde zijn schouders op. ‘Ik raak het gevoel gewoon niet meer kwijt dat iedereen ons achtervolgt. Licht, ik wou dat ik wist waarom. Ik wou dat het voorbij was. Ik wou...’ Zijn stem zakte treurig weg.

‘Er zijn nog steeds goede mensen,’ zei Rhand. Mart liep naar het karrenspoor en klemde zijn kaken op elkaar alsof dat het laatste was wat hij wilde, maar Rhand hield hem tegen. ‘We kunnen ons de tijd niet veroorloven om uit te rusten, Mart. Bovendien denk ik niet dat we ons ergens kunnen verstoppen.’

Mart knikte; hij was duidelijk opgelucht. Hij probeerde wat van Rhands last over te nemen, de zadeltassen en Thoms mantel die om de harpkist was gewikkeld, maar Rhand hield ze bij zich. Zijn benen voelden echt weer sterker. Wat er ook achter ons aanzit? Dacht hij toen ze weer op weg gingen. Niet achter ons. Het wacht op ons.

Het was blijven regenen, die nacht dat ze uit De Dansende Voerman waren weg gewankeld. De regen sloeg net zo hard op hen neer als de donder in de zwarte lucht door de bliksem werd gespleten. Hun kleren waren in enkele minuten doorweekt en na een uur had Rhand het gevoel dat ook zijn huid doorweekt was, maar ze hadden Vierkoningen achter zich gelaten. Mart was vrijwel blind in het donker; hij kneep zijn ogen pijnlijk dicht tegen de scherpe lichtflitsen, waarin de bomen een kort moment kaal afstaken. Rhand leidde hem aan de hand mee, maar Mart voelde bij iedere stap voorzichtig over de grond. Zorgelijke rimpels tekenden Rhands voorhoofd. Als Mart zijn ogen niet meer kon gebruiken, zou het een slakkengang worden. Dan konden ze nooit ontkomen.

Mart leek te voelen wat hij dacht. Ondanks de kap van zijn mantel plakte de regen zijn haren tegen zijn gezicht. ‘Rhand, je laat me niet in de steek, hè? Als ik het niet kan bijhouden?’ Zijn stem beefde.

‘Ik laat je niet in de steek.’ Rhand greep de hand van zijn vriend nog steviger vast. ‘Ik laat je nooit in de steek, wat er ook gebeurt.’ Licht, help ons! Een donderslag kraakte boven hun hoofden en Mart struikelde, hij viel bijna en sleepte Rhand haast mee. ‘We moeten stoppen, Mart. Als we doorlopen, breek je nog een been.’

‘Gode.’ Weerlicht spleet de duisternis open toen Mart sprak en de donderslag hamerde ieder geluid de grond in, maar in de flits kon Rhand de naam op Marts lippen herkennen.

‘Hij is dood.’ Dat moet wel. Licht, laat hem dood zijn.

Hij bracht Mart naar enkele struiken die het flitslicht hem had getoond. Ze hadden genoeg bladeren om hen een beetje tegen de slagregens te beschermen. Niet zo goed als een stevige boom, maar hij wilde niet nog een blikseminslag riskeren. Een tweede keer zouden ze niet zo’n geluk hebben.