Выбрать главу

Ze kropen bij elkaar onder de struiken en probeerden een kleine tent te vormen door hun mantels op de takken te leggen. Het was al veel te laat om te bedenken hoe ze droog konden blijven, maar het was al iets om dat voortdurende gekletter van de regendruppels tegen te houden. Ze kropen dicht tegen elkaar aan om het beetje lichaamswarmte dat ze nog hadden, te kunnen delen. Druipnat als ze waren, en terwijl er nog meer water uit de mantels droop, rilden ze zichzelf in slaap.

Rhand wist meteen dat het een droom was. Hij was weer terug in Vierkoningen, maar de stad was verlaten, op hem na. De wagens stonden er, maar er waren geen mensen, geen paarden, geen honden. Geen enkel levend wezen. Toch wist hij dat er iemand op hem wachtte.

‘Terwijl hij door de stukgereden straat liep, leken de gebouwen wazig te worden wanneer ze achter hem verdwenen. Als hij omkeek, stonden ze er allemaal nog, maar in de hoeken van zijn ogen bleef de onduidelijkheid bestaan. Net alsof alleen de dingen die hij zag werkelijk bestonden, en dan nog alleen op het moment dat hij ze zag. Hij wist zeker dat hij, als hij zich snel genoeg omdraaide, dat hij dan... Hij wist niet zeker wat hij zou zien, maar eraan denken maakte hem onrustig.

De Dansende Voerman doemde voor hem op. Op de een of andere manier leken de opvallende kleuren grijs en doods. Hij ging naar binnen. Gode zat daar, aan een tafel.

Hij herkende de man alleen aan zijn kieren, de zijde en het donkere fluweel. De huid van Gode was rood, verbrand en gebarsten en bloedde. Zijn gezicht was bijna een doodskop en zijn lippen waren verschrompeld boven ontblote tanden en zwart tandvlees. Toen Gode omkeek, braken enkele haren af, die tot roet verpulverden toen ze op zijn schouder vielen. Zijn ogen zonder oogleden staarden Rhand aan.

‘Dus je bent dood,’ zei Rhand. Hij was verbaasd dat hij niet bang was.

Misschien door de wetenschap dat het deze keer een droom was.

‘Ja,’ zei de stem van Ba’alzamon, ‘maar hij heeft jou wel voor me gevonden. Dat verdient een zekere beloning, niet?’

Rhand draaide zich om en ontdekte dat hij bang kon zijn, zelfs als hij wist dat het een droom was. Ba’alzamons kleren hadden de kleur van gedroogd bloed en op zijn gezicht streden woede, haat en triomf om voorrang.

‘Je ziet, jongeling, dat je je niet altijd voor me kunt verbergen. Vroeg of laat vind ik je. Wat jou beschermt, maakt je ook kwetsbaar. De ene keer verberg je je, de volgende keer steek je een baken aan. Kom naar me toe, jongeling.’ Hij stak een hand uit naar Rhand. ‘Als mijn honden je moeten meesleuren, zullen ze niet zachtzinnig zijn. Ze zijn jaloers op wat jij zult zijn als je eenmaal voor me hebt geknield. Het is je bestemming. Jij behoort mij toe.’ De tong van Gode maakte een kwaad, gretig, blubberend geluid.

Rhand probeerde zijn lippen te bevochtigen, maar hij had geen speeksel meer. ‘Nee,’ bracht hij uit, en toen kwamen de woorden gemakkelijker. ‘Ik ben van mezelf. Niet van jou. Nooit. Mezelf. Als je Duistervrienden me doden, zul je me nooit hebben.’

De vlammen van Ba’alzamons gezicht verhitten het vertrek tot de lucht trilde. ‘Levend of dood, jongeling, jij bent de mijne. Het graf behoort mij toe. Dood is gemakkelijker, maar levend is beter. Beter voor jou, jongeling. De levenden hebben meer kracht voor de meeste dingen.’ Gode maakte weer een brabbelend geluid. ‘Ja, mijn goede hond. Hier is je beloning.’

Rhand keek nog net op tijd naar Gode om te zien hoe het lichaam van de man tot stof verkruimelde. Heel even vertoonde het verbrande gezicht een blik van opperste vreugde, die op het laatste moment omsloeg in afgrijzen, alsof hij iets op zich had zien wachten waarop hij niet had gerekend. De lege fluwelen kleren zakten neer op de stoel en de vloer, tussen de asresten.

Toen hij zich omdraaide, was de gestrekte hand van Ba’alzamon een vuist geworden. ‘Jij bent de mijne, jongeling, levend of dood. Het Oog van de Wereld zal jou nooit dienen. Ik teken je als de mijne.’ Zijn vuist ging open en een vuurbol schoot eruit. Hij trof Rhand midden in zijn gezicht, ontploffend, schroeiend.

Rhand schoot omhoog in het donker, klaarwakker; water droop door de mantels op zijn gezicht. Zijn hand beefde toen hij zijn wangen aanraakte. De huid was gevoelig, alsof hij was verbrand door de zon. Plotseling merkte hij dat Mart lag te woelen en te kreunen. Hij schudde zijn vriend heen en weer en Mart werd met een snik wakker.

‘Mijn ogen! O, Licht, mijn ogen! Hij heeft me blind gemaakt!’

Rhand drukte hem tegen zich aan en wiegde hem tegen zijn borst alsof hij een kind was. ‘Alles is goed, Mart. Je bent in orde. Hij kan ons niets doen. We geven hem de kans niet.’ Hij voelde de snikkende Mart beven. ‘Hij kan ons niets doen,’ fluisterde hij, en hij wenste dat hij dat kon geloven. Wat jou beschermt, maakt je kwetsbaar. Ik word nu echt gek.

Net voor het eerste licht namen de slagregens af tot motregen en de motregen werd gestadig minder tot zij bijna ongemerkt ophield. Tot ver in de morgen bleven de wolken dreigen. Toen stak een wind op die de wolken naar het zuiden blies, een bleek zonnetje zichtbaar maakte en dwars door hun druipende kleren sneed. Ze hadden niet meer geslapen; vermoeid gooiden ze hun mantels om en trokken weer naar het oosten. Rhand leidde Mart aan de hand verder. Een poosje later voelde Mart zich zelfs sterk genoeg om te klagen over wat de regen met zijn boogpees had gedaan. Rhand stond niet toe dat hij stopte om die te verwisselen voor een drogere uit zijn zak, nog niet. In het begin van de middag naderden ze een ander dorp. Rhand rilde nog erger toen hij de gemoedelijke stenen huisjes en de opstijgende rook uit de schoorstenen zag, maar hij trok eromheen en leidde Mart door de bossen en velden naar het zuiden. De enige mens die hij zag, was een eenzame boer die zijn hooivork in een modderige akker stak. Hij zorgde ervoor dat ze niet werden gezien, terwijl ze tussen de bomen door kropen. De boer had alleen aandacht voor zijn werk, maar Rhand bleef hem in het oog houden tot ze uit het zicht waren verdwenen. Als er nog helpers van Gode in leven waren, zouden ze misschien aannemen dat Mart en hij in Vierkoningen de weg naar het zuiden hadden genomen wanneer ze in dit dorp niemand vonden die hen had gezien. Ze kwamen uit het zicht van het dorp weer terug op de weg en liepen stevig door, zodat hun kleren wat opdroogden en nog slechts klam aanvoelden.

Toen ze een paar span verder waren, gaf een boer hen een ritje in zijn halflege hooiwagen. Rhand werd door hem verrast, toen hij zich bezorgd met Mart bezighield. Mart beschermde met een hand zijn ogen tegen de zon, hoe zwak het middaglicht ook was. Hij tuurde rond met half dichtgeknepen ogen en mopperde voortdurend over de felle zon. Toen Rhand het gekraak van de hooiwagen hoorde, was het al te laat. De modderige weg dempte het geluid; de wagen met de twee trekpaarden was slechts vijftig span van hen vandaan en de voerman zat al te kijken.

Tot Rhands verrassing hield hij in en bood hen een ritje aan. Rhand aarzelde, maar het was al te laat om niet meer gezien te worden en als ze een rit afsloegen, zou de man het vreemd vinden en hen zich beter herinneren. Hij hielp Mart de bok op en klom hem achterna. Alpert Mul was een. onverstoorbare man met een vierkant gezicht en vierkante handen, getekend en gerimpeld door het harde werken en door zorgen, en hij wilde gewoon wat aanspraak. Zijn koeien waren drooggevallen, zijn kippen legden niet meer en zijn weilanden waren de naam niet meer waard. Voor het eerst in zijn leven had hij hooi moeten kopen en een halve kar was alles wat ‘ouwe Bian’ hem had willen geven. Hij vroeg zich af of er nog een kans was om dit jaar van zijn eigen land hooi te opperen en of hij nog wel een oogst kon binnenhalen.

‘De koningin zou er iets aan moeten doen, het Licht schijne op haar,’ mopperde hij en hij hield zijn knokkels uit achting tegen zijn voorhoofd, al was hij er met zijn gedachten niet bij.