Hij bekeek Rhand en Mart nauwelijks, maar toen hij hen af liet stappen bij het smalle met hekken afgezette spoor dat naar zijn boerderij leidde, aarzelde hij en zei toen, bijna in zichzelf: ‘Ik weet niet waarvoor jullie weglopen en ik wil het niet weten. Ik heb een vrouw en kinderen, begrijp je? Mijn gezin. Het zijn moeilijke tijden om vreemdelingen te helpen.’
Mart probeerde zijn hand onder zijn jas te steken, maar Rhand hield zijn pols vast. Hij bleef op de weg staan en keek de man zwijgend aan.
‘Als ik een goede man was,’ zei Mul, ‘zou ik een paar jongens die tot hun huid toe nat zijn, een plekje aanbieden om te drogen en warm te worden bij mijn haard. Maar het zijn moeilijke tijden en vreemdelingen... Ik weet niet waarvoor jullie weglopen en ik wil het niet weten. Begrijp je? Mijn gezin.’ Opeens trok hij twee lange wollen sjaals, donker en dik, uit zijn jaszak. ‘Het is niet veel, maar pak aan. Zijn van mijn zoons. Ze hebben wel andere. Jullie kennen mij niet, begrijp je? Het zijn moeilijke tijden.’
‘Wij hebben u nooit gezien,’ beaamde Rhand toen hij de sjaals aanpakte. ‘U bént een goede man. De beste die we in dagen hebben ontmoet.’
De boer keek verbaasd en toen dankbaar. Hij pakte de leidsels op en stuurde zijn paarden het smalle pad op. Voor hij de bocht had genomen, leidde Rhand Mart alweer verder over de Caemlinweg. De wind nam toe toen de schemering begon te vallen. Mart begon opstandig te vragen wanneer ze eindelijk zouden stoppen, maar Rhand liep door en trok Mart met zich mee, zoekend naar een betere schuilplaats dan een plekje onder een heg. Met hun nog steeds klamme kleren en de wind die elke minuut kouder leek te worden, wist hij niet of ze nog een nacht buiten zouden overleven. De nacht viel zonder dat hij een goede slaapplaats had gevonden. De wind werd ijskoud en deed zijn mantel opwaaien. Toen zag hij lichten in de duisternis voor hem. Een dorp.
Zijn hand gleed in zijn zak en voelde naar de munten. Meer dan genoeg voor een maaltijd en een kamer voor hen beiden. Een warme kamer in een koude nacht. Als ze buiten bleven, in de wind met hun kille vochtige kleren, zou degene die hen vond, wel eens twee lijken kunnen aantreffen. Ze moesten er enkel voor zorgen dat ze zo min mogelijk aandacht trokken. Dus geen fluitspel; en vanwege zijn ogen kon Mart zeker niet jongleren. Hij greep Marts hand weer beet en ging op weg naar de uitnodigende lichten.
‘Wanneer stoppen we?’ vroeg Mart weer. Door de wijze waarop hij voor zich uit tuurde, met zijn hoofd vooruit, was Rhand er niet zeker van of Mart hem zag, laat staan de dorpslichten.
‘Als we een warme plek vinden,’ antwoordde hij.
Plassen licht uit de ramen verlichtten de straten van het plaatsje. Overal liepen mensen rond, onbezorgd om wat zich buiten in het donker kon verbergen. De enige herberg was een uitgestrekt gebouw, zonder verdiepingen, dat eruitzag of er in de loop der jaren lukraak steeds meer kamers waren aangebouwd. De voordeur ging open om iemand uit te laten en een golf gelach rolde hem achterna.
Rhand bleef als verstard in de straat staan; het dronkemansgelach van De Dansende Voerman galmde nog in zijn hoofd. Hij zag de man met onvaste pas de straat allopen, haalde toen diep adem en duwde de deur open. Hij zorgde ervoor dat zijn mantel over het zwaard hing. Gelach golfde over hem heen.
De lampen aan de hoge zoldering maakten de kamer licht en al meteen kon hij het verschil met Sammel Haaks herberg zien en voelen. Er waren hier bijvoorbeeld geen dronken kerels. De kamer zat vol mensen die boeren en stadsmensen leken, wel niet helemaal nuchter, maar op zijn hoogst prettig aangeschoten. Het gelach klonk gemeend, al was het zo hier en daar wat geforceerd. Mensen die lachten om hun zorgen te vergeten, maar toch echt opgewekt. De gelagkamer zelf zag er netjes en schoon uit, en het was er warm door een groot vuur in een grote schouw aan de andere kant. De lachjes van de dienstmeiden waren even warm als het vuur en als ze lachten, kon Rhand zien dat ze lachten omdat ze het zelf leuk vonden.
De herbergier was even schoon als zijn herberg, met een stralend witte schort rond zijn buik. Rhand was blij dat het een gezette man was; hij dacht niet dat hij ooit nog een magere herbergier zou vertrouwen. Hij heette Rulan Alwin – een goed voorteken, dacht Rhand, een naam die zo leek op de namen van Emondsveld – en hij bekeek hen van top tot teen en vroeg toen beleefd of ze vooraf wilden betalen.
‘Ik zeg niet dat jullie bij dat slag horen, begrijp je, maar er zijn tegenwoordig lieden op de weg die het niet zo nauw nemen met betalen zodra het morgen is. Er lijken nogal wat jongelui op weg te zijn naar Caemlin.’
Rhand voelde zich niet beledigd, hij was nu eenmaal klam en verfomfaaid. Toen baas Alwin echter de prijs noemde, werden zijn ogen groot en maakte Mart een geluid of hij zich verslikte.
De dikke wangen van de herbergier trilden toen hij treurig zijn hoofd schudde, maar hij leek het gewend te zijn. ‘Het zijn moeilijke tijden,’ zei hij berustend. ‘Er is niet veel, en wat er is, kost vijfmaal zoveel als vroeger. Het zal de volgende maand nog duurder zijn. Daar durf ik op te zweren.’
Rhand diepte het geld op uit zijn zak en keek Mart aan. Marts mond verstrakte koppig. ‘Wil je weer onder een heg slapen?’ vroeg Rhand. Mart zuchtte en maakte aarzelend zijn zakken leeg. Toen het geld was geteld, grijnsde Rhand om het beetje dat overbleef.
Maar even later zaten ze achter een stamppot aan een tafel in een hoekje bij de haard en schoven met stukken brood hun lepels vol. De porties waren niet zo groot als Rhand zou willen, maar het was heet en voedzaam. De warmte van het haardvuur trok langzaam door hen heen. Hij deed net of hij alleen naar zijn bord keek, maar hij bleef de deur gespannen in het oog houden. De mensen die binnenkwamen of weggingen, zagen er allemaal uit als boeren, maar dat stelde hem niet echt gerust.
Mart at langzaam en genoot van iedere hap, hoewel hij mopperde over het licht van de lampen. Na een tijdje haalde hij de sjaal tevoorschijn die Alpert Mul hem had gegeven en sloeg die om zijn hoofd, waarna hij hem omlaagtrok tot zijn ogen bijna geheel bedekt waren. Dat leverde hen verschillende blikken op die Rhand liever had vermeden. Hij maakte haastig zijn bord leeg, spoorde Mart aan hetzelfde te doen en vroeg toen baas Alwin naar hun kamer.
De herbergier leek verbaasd dat ze zich zo vroeg terugtrokken, maar hij zei er niets van. Hij pakte een blaker en bracht hen door een doolhof van gangen naar een kleine kamer met twee smalle bedden, achter in een verre hoek van de herberg. Toen hij weg was, liet Rhand zijn bundels naast zijn bed vallen, gooide zijn mantel over een stoel en viel volledig gekleed op de dekens. Al zijn kleren waren nog klam en onbehaaglijk, maar als ze moesten vluchten, wilde hij er klaar voor zijn. Hij hield ook zijn riem met het zwaard om en sliep met zijn hand op het gevest.
Hanengekraai deed hem ’s ochtends met een schok wakker worden. Hij bleef nog even liggen, zag het licht van de dageraad in het raam en vroeg zich af of hij nog verder durfde te slapen. Overdag slapen, terwijl ze verder konden reizen! Hij geeuwde zo hard dat zijn kaken knapten.
‘Hé!’ riep Mart uit. ‘Ik kan zien!’ Hij zat rechtop in zijn bed en keek met samengeknepen ogen rond. ‘Iets tenminste. Je gezicht is nog wat wazig, maar ik herken je weer. Ik wist dat het in orde zou komen. Vanavond zie ik weer beter dan jij.’
Rhand sprong zijn bed uit en zich krabbend greep hij zijn mantel. Zijn kleren waren opgedroogd en verkreukt, en ze jeukten. ‘We verknoeien daglicht,’ zei hij. Mart werkte zich even snel zijn bed uit; ook hij stond te krabben.
Rhand voelde zich goed. Ze waren een dag van Vierkoningen af en geen van Godes mannen was opgedoken. Een dag dichter bij Caemlin, waar Moiraine op hen zou wachten. Zeker. Geen zorgen meer over Duistervrienden zodra ze weer bij de Aes Sedai en de zwaardhand waren. Het was gek dat hij zo graag weer bij een Aes Sedai wilde zijn. Licht, als ik Moiraine zie, geef ik haar een zoen! Hij lachte om het idee. Hij voelde zich goed genoeg om iets van hun geslonken voorraad munten aan een ontbijt te besteden – een groot brood en een kan melk, zo uit de melkschuur.