‘Heet,’ mompelde hij. Vaag wist hij dat hij het net nog ijskoud had gehad, maar nu leek hij in een oven te liggen. Hij trok aan zijn kraag en rolde met zijn hoofd heen en weer. ‘Heet.’ Hij voelde Marts hand op zijn voorhoofd.
‘Ik ben zo terug, Rhand,’ zei Mart en hij verdween.
Hij lag te schokken in het hooi, hoe lang wist hij niet. Mart kwam terug met een vol bord in één hand, een kan in de andere en twee koppen die bij hun oren aan zijn vingers bungelden.
‘Er is hier geen Wijsheid,’ zei hij en hij viel op zijn knieën naast Rhand neer. Hij schonk een kop in en hield die tegen Rhands lippen. Rhand slokte het water naar binnen alsof hij in geen dagen had gedronken, zo uitgedroogd voelde hij zich. ‘Ze weten niet eens wat een Wijsheid is. Ze hebben wel iemand die ze moeder Brune noemen, maar die is op pad naar een bevalling en niemand weet wanneer ze terug is. Ik heb wel wat brood, kaas en worst gekregen. Die aardige baas Inlou geeft ons van alles, zolang we maar uit de buurt van zijn gasten blijven. Hier, neem wat.’
Rhand draaide zijn hoofd af van het voedsel. Als hij het zag of er maar aan dacht, keerde zijn maag zich al om. Even later zuchtte Mart en ging zitten om zelf te eten. Rhand wendde zich af en probeerde niet te luisteren.
De rillingen kwamen weer terug, toen weer de koorts, die werd gevolgd door rillingen en weer koorts. Mart dekte hem toe als hij schudde en gaf hem water als hij klaagde over dorst. Het werd donkerder en de stal leek in het flakkerende lamplicht te bewegen. Schaduwen kregen vorm en bewogen uit zichzelf. Toen zag hij Ba’alzamon met brandende ogen de stal inschrijden, tussen twee Myrddraal met gezichten die verborgen waren in de diepten van hun zwarte kappen. Zijn vingers klauwden naar het gevest van zijn zwaard en hij probeerde gillend overeind te komen: ‘Mart! Mart! Ze zijn hier! Licht, ze zijn hier!’
Mart schrok wakker uit zijn kleermakerszit tegen de muur. ‘Wat? Duistervrienden? Waar?’
Heen en weer wiegend op zijn knieën wees Rhand woest de stal in... en zijn mond viel open. Bewegende schaduwen en een paard dat slapenei met een hoef schraapte. Verder niets. Hij liet zich op het hooi terugvallen.
‘Er is niemand, alleen wij,’ zei Mart. ‘Hier, geef dat maar aan mij.’
Hij wilde Rhands gordel met het zwaard losgespen, maar Rhand greep het gevest nog steviger vast.
‘Nee, nee. Ik moet het houden. Hij is mijn vader. Begrijp je? Hij is mijn v-vader!’ Weer begon hij te rillen, maar hij hield het zwaard vast of zijn leven ervan afhing. ‘M-m-mijn v-v-vader!’ Mart gaf het op en trok de mantels weer over hem heen.
Er waren andere bezoekingen die nacht, terwijl Mart zat te doezelen. Rhand wist nooit zeker of ze nou echt waren of niet. Soms keek hij naar Mart, die met zijn hoofd op zijn borst zat te slapen, en vroeg zich af of Mart ze ook zou zien als hij wakker werd.
Egwene stapte de schaduwen uit, haar haren in een lange zwarte vlecht zoals in Emondsveld, haar gezicht smartelijk en treurig. ‘Waarom ben je van ons weggegaan?’ vroeg ze. ‘Wij zijn dood omdat je van ons bent weggegaan.’
Op het hooi schudde Rhand langzaam zijn hoofd. ‘Nee, Egwene, ik wilde niet weggaan. Alsjeblieft.’
‘We zijn allemaal dood,’ zei ze bedroefd, ‘en de dood is het koninkrijk van de Duistere. De Duistere heeft ons, omdat jij ons hebt verlaten.’
‘Nee, ik had geen keus, Egwene. Alsjeblieft, Egwene, ga niet weg. Kom terug, Egwene!’
Maar ze draaide in de schaduwen en werd een schaduw. Moiraines gezicht stond sereen, maar was bloedeloos en bleek. Haar mantel had een lijkwade kunnen zijn en haar stem een zweep. ‘Dat klopt, Rhand Altor. Je hebt geen keus. Jij moet naar Tar Valon of de Duistere zal je voor zichzelf nemen. Een eeuwigheid geketend in de Schaduw. Alleen Aes Sedai kunnen je nu redden. Alleen Aes Sedai.’
Thom grijnsde hem sarcastisch toe. De kleren van de speelman hingen in verkoolde rafels om hem heen en deden Rhand denken aan de lichtflitsen toen Thom met de Schim vocht om Mart en hem tijd te geven om te vluchten. De huid onder de rafels was geblakerd en verbrand. ‘Vertrouw Aes Sedai, jongen, en je zou willen dat je dood was. Denk eraan, de prijs voor de hulp van Aes Sedai is altijd kleiner dan je kunt geloven, altijd groter dan je je kunt voorstellen. En welke Ajah zou jou het eerst vinden, hè? Rood? Misschien Zwart. Je kunt beter vluchten, jongen. Vlucht.’
Lans blik was hard als graniet terwijl bloed zijn gezicht bedekte. ‘Vreemd, een reigerzwaard in de handen van een schaapherder te zien. Ben je het waard? Je kunt het maar beter waard zijn, want je staat er nu alleen voor. Nergens een veilige plek achter je, nergens een voor je, en iedereen kan een Duistervriend zijn.’ Hij glimlachte als een wolf en er stroomde bloed uit zijn mond. ‘Iedereen.’
Perijn kwam, beschuldigde hem en smeekte om hulp. Vrouw Alveren huilde om haar dochter, Baile Domon vervloekte hem omdat hij Schimmen op zijn schip had gebracht, baas Fits stond handenwringend bij de puinhopen van zijn herberg en Min krijste in de klauwen van een Trollok. Mensen die hij kende, mensen die hij slechts een maal had ontmoet. Het ergste was Tham. Tham rees boven hem op, fronste, schudde zijn hoofd en zei geen woord.
‘Je moet het me zeggen,’ smeekte Rhand. ‘Wie ben ik? Zeg het me, alsjeblieft. Wie ben ik? WIE BEN IK?’ schreeuwde hij.
‘Stil, Rhand.’
Heel even dacht hij dat Tham hem antwoord gaf, maar toen zag hij dat Tham er niet meer was. Mart boog zich over hem heen en hield een kop water tegen zijn lippen.
‘Blijf rustig liggen. Je bent Rhand Altor, dat ben je. Rhand Altor, met het lelijkste gezicht en de dikste kop van heel Tweewater. Hé, je ligt te zweten! De koorts is gebroken!’
‘Rhand Altor?’ fluisterde Rhand. Mart knikteen daar zat zoiets troostends in dat Rhand in slaap viel zonder het water zelfs maar aan te raken.
De slaap werd niet verstoord door dromen – hij herinnerde zich er tenminste niets meer van – maar was zo licht dat hij telkens zijn ogen opsloeg als Mart zich over hem boog. Eenmaal vroeg hij zich af of Mart wel genoeg slaap kreeg, maar hij viel weer in slaap voor hij er verder over kon nadenken.
Het gepiep van de deurscharnieren maakte hem wakker en heel even bleef hij stil in het hooi liggen. Hij wenste dat hij nog sliep, zodat hij zijn lichaam niet zou voelen. Zijn spieren deden zoveel pijn dat het leek of ze waren uitgewrongen en geen enkele kracht meer hadden. Zwakjes probeerde hij zijn hoofd op te tillen; het lukte hem pas de tweede keer.
Mart zat op zijn gebruikelijke plekje tegen de muur, op een armlengte van Rhand af. Zijn kin lag op zijn borst, die rees en daalde in het ontspannen ritme van de diepe slaap. De sjaal was over zijn ogen gegleden.
Rhand keek naar de deur.
Daar stond een vrouw die de deur met een hand openhield. Een tel lang was ze slechts een donkere gestalte in een gewaad, omlijnd door het zwakke licht van de vroege ochtend. Toen stapte ze naar binnen en liet de deur achter zich dichtvallen. In het lantaarnlicht kon hij haar beter zien. Ze was ongeveer even oud als Nynaeve, dacht hij, maar het was geen dorpsvrouw. Het bleke groen van haar zijden gewaad glom in het licht bij elke beweging die ze maakte. Haar mantel was zacht diepgrijs en een gesponnen kanten kapje hield haar haren bijeen. Ze speelde met een zware gouden halsketting, terwijl ze Mart en hem nadenkend bekeek.
‘Mart,’ zei Rhand. Toen harder: ‘Mart!’
Mart snurkte en viel bijna opzij toen hij wakker werd. Terwijl hij de slaap uit zijn ogen wreef, staarde hij naar de vrouw.
‘Ik kwam even naar mijn paard kijken,’ zei ze en ze gebaarde vaag jes opzij. Maar ze hield haar ogen op hen tweeën gericht, ‘Ben je ziek?’
‘Hij is in orde,’ zei Mart stijfjes. ‘Hij heeft alleen een koutje gevat in de regen, dat is alles.’