‘Ik kan wel even naar hem kijken,’ zei ze. ‘Ik weet er wel iets van...’
Rhand vroeg zich af of ze Aes Sedai was. Niet alleen door haar kleren, maar meer door haar zelfverzekerde manier van doen en de wijze waarop ze haar hoofd hield, alsof ze op het punt stond om een bevel te geven, maar dat alles paste hier niet. En als ze Aes Sedai is, welke Ajah dan?
‘Ik voel me weer best,’ zei hij tegen haar. ‘Echt, het is niet nodig.’
Maar ze liep de stal door, hield haar rokken op en zette haar grijze schoentjes behoedzaam neer. Ze grimaste vanwege het stro, knielde naast hem neer en voelde aan zijn voorhoofd.
‘Geen koorts,’ zei ze, terwijl ze hem fronsend bestudeerde. Ze zag er aardig uit, maar ze had scherpe trekken. Haar gezicht was emotieloos en leek elk soort gevoel te missen. ‘Maar je bént wel ziek geweest. Ja. Ja. En nog zo slap als een eendagskuiken. Ik denk...’ Ze reikte onder haar mantel en opeens gebeurde alles zo snel dat Rhand alleen maar een verstikte schreeuw kon geven.
Haar hand flitste onder haar mantel vandaan; er glom iets toen ze over Rhand naar Mart toe sprong. Mart viel op hetzelfde moment opzij en er klonk een doffe klap toen metaal in hout werd gedreven. Het duurde maar een ogenblik, toen was alles stil.
Mart lag half op zijn rug; zijn hand greep haar pols boven de dolk die zij in het hout had gestoken, waar zijn borst was geweest, en zijn andere hand hield het wapen van Shadar Logoth tegen haar keel. Terwijl ze alleen haar ogen bewoog, probeerde ze omlaag te kijken naar de dolk die Mart vasthield. Haar ogen werden groot, ze haalde gejaagd adem en probeerde zich achteruit te werken, maar hij bleef de rand tegen haar hals houden. Daarna hield ze zich doodstil.
Terwijl Rhand zijn lippen aflikte, staarde hij naar het tafereel boven zijn hoofd. Zelfs als hij niet zo zwak was geweest, dacht hij niet dat hij zich had kunnen bewegen. Toen vielen zijn ogen op haar dolk en werd zijn mond droog. Het hout rond het lemmet werd zwart; dunne rookpluimen stegen op uit het roet.
‘Mart! Mart, haar dolk!’
Marts ogen schoten even opzij, toen weer terug naar de vrouw, maar ze had zich niet bewogen. Zij likte nu zenuwachtig haar lippen af.
Ruw trok Mart haar hand van de greep en gaf haar een duw. Ze viel wijdbeens achteruit en ving zich met haar handen achter haar op, maar bleef naar het wapen in zijn hand kijken. ‘Beweeg je niet,’ zei hij. ‘Ik gebruik dit als je je beweegt. Geloof me, ik doe het.’ Ze knikte langzaam, haar ogen strak op zijn dolk gevestigd. ‘Houd haar in de gaten, Rhand.’
Rhand wist niet zeker wat hij werd verondersteld te doen als ze iets probeerde – schreeuwen misschien. Hij zou haar zeker niet achterna kunnen rennen als ze probeerde te vluchten – maar ze bleef roerloos zitten terwijl Mart haar dolk uit het hout trok. De zwarte vlek breidde zich niet langer uit, hoewel er nog een klein sliertje rook uit kringelde.
Mart keek rond naar een plekje voor de dolk, maar hield die toen Rhand voor. Die nam hem heel voorzichtig over, alsof het ding een levende adder was. Hij zag er gewoon uit, wel bewerkt, met een bleek ivoren handvat en een smal glanzend lemmet, niet langer dan zijn handpalm. Gewoon een dolk. Maar hij had gezien wat hij kon doen. De greep was niet eens warm, maar zijn hand begon te zweten. Hij hoopte dat hij hem niet in het hooi liet vallen.
De vrouw bleef met gestrekte benen zitten, toen Mart zich langzaam naar haar toe keerde. Ze bekeek hem alsof ze zich afvroeg wat hij hierna zou doen, maar Rhand zag opeens het verstrakken van de spieren rond zijn ogen, het verstrakken van zijn greep op de dolk.
‘Mart, nee!’
‘Ze probeerde me te doden, Rhand. Ze zou jou ook gedood hebben. Ze is een Duistervriend!’ Mart spuugde het woord uit.
‘Maar wij niet,’ zei Rhand. De vrouw snakte naar adem alsof ze net had beseft wat Mart van plan was geweest. ‘Wij zijn dat niet, Mart.’
Heel even bleef Mart doodstil staan. Het wapen in zijn vuist glinsterde in het licht van de lantaarn. Toen knikte hij. ‘Daarheen,’ zei hij tegen de vrouw en hij gebaarde met de dolk naar de deur van de tuigkamer.
Ze stond langzaam op en nam even tijd om het stro van haar gewaad te slaan. Zelfs toen ze de kant op liep die Mart had aangewezen, liep ze alsof er helemaal geen reden was om voort te maken. Maar Rhand zag dat ze de robijndolk in Marts handen behoedzaam in het oog hield. ‘Jullie zouden echt moeten ophouden ertegen te vechten,’ zei ze. ‘Het is uiteindelijk voor iedereen het beste. Dat zul je zien.’
‘Het beste?’ zei Mart droog en hij wreef over zijn borst waar haar dolk hem zou hebben getroffen. ‘Ga daar staan.’
Ze haalde terloops haar schouders op, maar gehoorzaamde. ‘Een fout. Er is een behoorlijke... verwarring geweest na wat er is gebeurd met die zelfzuchtige dwaas Gode. Om maar te zwijgen over die idioot die de paniek in Sieranmarkt begon. Niemand weet precies wat daar is gebeurd, of hoe. Dat maakt het voor jullie nog gevaarlijker, snap je dat niet? Jullie zullen ereplaatsen innemen als je uit eigen vrije wil naar de Grote Heer komt, maar zolang jullie op de vlucht zijn, achtervolgen we jullie en wie zal zeggen wat er dan kan gebeuren?’
Rhand voelde een huivering. Mijn honden zijn jaloers en zullen niet achtzinnig zijn.
‘Dus jullie hebben moeilijkheden met een paar boerenjongens.’ Marts lach klonk grimmig. ‘Misschien zijn jullie Duistervrienden niet zo gevaarlijk als ik altijd heb gehoord.’ Hij zwaaide de deur van de tuigkamer open en stapte naar achteren.
Ze bleef even in de deuropening staan en keek om. Haar blik was ijskoud, haar stem nog kouder. ‘Je zult wel merken hoe gevaarlijk wij zijn. Als de Myrddraal hier is...’
Wat ze nog meer had willen zeggen, kon Rhand niet meer horen, want Mart had de deur achter haar dichtgeslagen en liet de balk in zijn beugels vallen. Toen hij zich omdraaide, keek hij bezorgd. ‘Schim,’ zei hij strak en hij stak de dolk terug onder zijn jas. ‘Komt hierheen, zegt ze. Hoe zijn jouw benen?’
‘Ik kan niet dansen,’ mompelde Rhand, ‘maar als jij me omhoog helpt, kan ik wel lopen.’ Hij keek naar het wapen in zijn hand en rilde. ‘Bloed en as, ik kan rennen.’
Nadat hij haastig al hun bezittingen had omgehangen, trok Mart Rhand overeind. Rhands benen voelden slap en hij moest op zijn vriend steunen om overeind te blijven, maar hij probeerde Mart niet op te houden. De dolk van de vrouw hield hij een eind van zich af. Buiten de stal stond een emmer water. Hij gooide de dolk erin toen hij er langsliep. Sissend verdween het wapen in het water, terwijl stoom opsteeg van het oppervlak. Met een grimas op zijn gezicht probeerde hij sneller door te lopen.
Nu het licht was, waren er vrij veel mensen op straat, zelfs zo vroeg al. Maar die hielden zich met hun eigen dingen bezig en niemand had enige aandacht voor twee jongemannen die het dorp uit liepen, niet nu er zoveel vreemdelingen onderweg waren. Rhand probeerde met inspanning van al zijn krachten rechtop te blijven. Bij iedere stap vroeg hij zich af of er tussen het volk dat zich haastig verder repte, Duistervrienden waren. Stond er iemand op de vrouw met de dolk te wachten? Op de Schim?
Een span buiten het dorp kon hij niet meer. Het ene moment liep hij hijgend verder, steunend op Mart, het volgende moment zaten ze beiden op de weg. Mart trok hem opzij.
‘We moeten verder,’ zei Mart. Hij streek met zijn hand door zijn haar en trok toen de sjaal weer omlaag tot boven zijn ogen. ‘Vroeg of laat zal iemand haar eruit laten en dan komen ze ons weer achterna.’
‘Weet ik.’ Rhand hijgde. ‘Weet ik. Geef me een hand.’
Mart trok hem weer op, maar hij bleef wankelend staan en wist dat het niet ging. Rij de eerste stap zou hij weer plat op de grond vallen. Mart hield hem overeind en wachtte ongeduldig tot een paard en wagen die uit het dorp naderden, hen zouden passeren. Mart gaf een grom van verrassing toen de kar langzamer begon te rijden en bij hen stopte. Een man met een verweerd gezicht keek van de bok omlaag.
‘Mankeert hem iets?’ vroeg de man met de pijp.