Выбрать главу

De mensen uit die streek waren niet alleen op hun hoede voor vreemdelingen, ze leken ook uit hun gewone doen. Er waren net genoeg mensen op de weg, net genoeg verspreid, om de gebruikelijke sukkelgang van de boerenkarren en wagens – die op de weg verschenen toen de zon zichtbaar werd – met de helft te vertragen. Geen van de menners was in de stemming om iemand mee te nemen. Een zure grijns en een vloek om het werk dat bleef liggen, kwamen vaker voor.

De wagens van de kooplui rolden vrijwel ongehinderd voorbij, afgezien van wat geschudde vuisten, of ze nu naar Caemlin reden of de andere kant op. De eerste karavaan verscheen in stevige draf vroeg in de ochtend, terwijl de zon net boven de kim achter de wagens stond. Rhand stapte ervoor opzij. Het zag er niet naar uit dat ze ergens voor zouden stoppen en hij zag ook andere mensen zich uit de voeten maken. Hij ging zo ver mogelijk naar de kant, maar liep gewoon door.

Een flikkerende beweging toen de eerste wagen langs hem rommelde was de enige waarschuwing. Terwijl hij zich plat op de grond liet vallen, knalde de zweep van de voerman op de plaats waar zo-even zijn hoofd was geweest. Liggend zag hij de ogen van de voerman op hem gericht toen de wagen voorbijreed. Harde ogen boven een strak grijnzende mond. Hij gaf er niets om dat hij Rhands huid had kunnen openhalen of hem een oog had kunnen uitslaan.

‘Het Licht verblinde je,’ schreeuwde Mart de wagen achterna. ‘Jullie kunnen...’ Een wachter te paard porde de achterkant van een speer in zijn schouder, zodat hij werd omgestoten en boven op Rhand viel.

‘Opzij, smerige Duistervriend,’ grauwde de wachter zonder in te houden.

Daarna bleven ze op veilige afstand van de wagens. Er waren er zeker meer dan genoeg. Het gekraak en gekletter van de een was net weggestorven of ze konden de volgende al horen aankomen, wachten en voerlui, ze keken allemaal naar de reizigers die op weg waren naar Caemlin alsof ze vuil zagen lopen.

Eén keer schatte Rhand de lengte van een zweep verkeerd in, en het scheelde maar een duimbreed. Hij sloeg zijn hand tegen de ondiepe snee boven zijn wenkbrauw en slikte hevig om niet over te geven bij de gedachte hoe dicht die bij zijn oog zat. De voerman grijnsde naar hem. Met zijn andere hand hield hij Mart tegen die een pijl wilde aanleggen.

‘Laat zitten,’ zei hij, en hij maakte een hoofdbeweging naar de wachten die naast de wagens reden. Sommigen van hen zaten te lachen; anderen keken dreigend naar Marts boog. ‘Als we geluk hebben, geven ze ons een aframmeling met hun speerschachten. Als we geluk hebben.’

Mart bromde zuur, maar liet zich door Rhand meetrekken.

Tweemaal kwamen afdelingen van de koninginnegarde over de weg aangalopperen, de vaantjes aan hun lansen wapperend in de wind. Sommige boeren hielden hen aan, omdat ze wilden dat er iets aan die vreemdelingen werd gedaan en de gardisten waren altijd bereid hen aan te horen. Tegen de middag stopte Rhand om naar zo’n gesprek te luisteren.

Achter de spijlen van zijn helm vormde de mond van de gardekapitein een strakke streep. ‘Als een van die mensen iets steelt of zonder toestemming op je land komt,’ bromde hij de magere boer toe die boos naast zijn stijgbeugel stond, ‘dan sleur ik hem voor een rechter, maar zij overtreden de Wet van de Koningin niet door op een koninginneweg te lopen.’

‘Maar ze zitten overal,’ protesteerde de boer. ‘Niemand weet wie of wat ze zijn. Al dat gepraat over de Draak...’

‘Licht, man! Je hebt er hier maar een handjevol. De muren van Caemlin puilen uit en iedere dag komen er meer bij.’ De blik van de kapitein werd nog dreigender toen zijn ogen op Rhand en Mart vielen, die vlakbij op de weg stonden te luisteren. Hij wuifde ze weg met een met staal beklede handschoen. ‘Doorlopen jullie, of ik pak je op voor het hinderen van het verkeer.’

Zijn stem had niet ruwer geklonken dan toen hij tegen de boer sprak, maar ze liepen door. De ogen van de kapitein bleven hen een tijdlang volgen; Rhand kon ze op zijn rug voelen. Hij vermoedde dat de garde weinig geduld had met de zwervers en geen enkel mededogen met een hongerige dief. Hij besloot dat hij Mart zou tegenhouden als hij weer zou voorstellen wat eieren te pikken.

Toch zat er ook een goede kant aan al die wagens en mensen op de weg, vooral aan alle jongemannen die naar Caemlin trokken. Voor Duistervrienden die op hen jaagden, zou het zijn of ze twee speciale duiven uit een vlucht moesten pikken. Als de Myrddraal met Winternacht niet precies had geweten wie hij moest hebben, dan zouden anderen het nu niet beter weten.

Zijn maag rommelde regelmatig en herinnerde hem eraan dat ze vrijwel geen geld meer hadden – zeker niet genoeg voor een maaltijd tegen de prijzen die zo dicht bij Caemlin gevraagd werden. Hij besefte opeens dat zijn hand op de fluitkist lag en schoof die vastberaden op zijn rug. Gode had alles geweten van de fluit en het jongleren. Ze konden onmogelijk weten hoeveel Ba’alzamon voor Godes einde van hem had vernomen – als wat Rhand had gezien inderdaad zijn einde was geweest – of hoeveel er aan andere Duistervrienden was doorgegeven.

Hij keek met spijt naar een boerderij die ze voorbijliepen. Een man hield de wacht bij de hekken, met twee grommende en trekkende honden aan een riem. De man keek of hij elke reden zou aangrijpen om ze los te laten. Niet iedere boerderij had de honden losgemaakt, maar er was geen enkele die werk aanbood.

Voor de zon onderging, kwamen Mart en hij nog door twee dorpen. De dorpelingen stonden in groepjes met elkaar te praten en zagen de gestage stroom vreemdelingen langskomen. Ze keken zeker niet vriendelijker dan de boeren, de voerlui of de koninginnegarde. Al die vreemdelingen die de valse Draak wilden gaan zien. Dwazen die niet genoeg verstand hadden om te blijven waar ze hoorden. Misschien volgelingen van de valse Draak. Misschien zelfs Duistervrienden. Als er al verschil was tussen die twee.

Toen de avond viel, begon de stroom reizigers bij het tweede dorp uit te dunnen. De enkeling met geld verdween een herberg in, hoewel ze vaak moesten pleiten voor ze werden binnengelaten; anderen begonnen te zoeken naar goede hagen of velden zonder honden. In de late schemering hadden Mart en hij de Caemlinweg voor zichzelf. Mart liep al te praten over hooi, maar Rhand hield vol dat ze verder moesten gaan.

‘Zolang we de weg kunnen zien,’ zei hij. ‘Hoe verder we komen voor we stoppen, hoe verder we voorliggen.’ Als ze je achtervolgen. Waarom zouden ze je nu achtervolgen, terwijl ze je tot nog toe steeds hebben opgewacht?

Meer was er niet nodig om Mart te overtuigen. Hij liep sneller door en keek regelmatig om. Rhand moest voortmaken om hem bij te houden.

De duisternis verdiepte zich, slechts verzacht door wat schamel maanlicht.

Marts golf van wilskracht verflauwde en hij begon weer te klagen. In Rhands kuiten vormden zich pijnlijke knopen. Hij zei bij zichzelf dat hij vroeger tijdens een zware dag op de boerderij met Tham grotere afstanden had afgelegd, maar hoe vaak hij dat ook bij zichzelf herhaalde, hij kon er zelf niet in geloven. Tandenknarsend negeerde hij de pijnscheuten, hij wilde niet rusten.

Door al Marts geklaag en doordat zijn aandacht gericht was op het bewegen van zijn benen, waren ze bijna een dorp binnengelopen voor ze de lichten zagen. Toen Rhand hinkend stilhield, besefte hij opeens hoe alle spieren in zijn voeten en benen in brand leken te staan. Hij dacht dat hij een blaar op zijn rechtervoet had.

Toen Mart de lichten van het dorp zag, zakte hij kreunend door zijn knieën. ‘Kunnen we nu stoppen?’ hijgde hij. ‘Of wil je een herberg opzoeken en een bord uithangen voor Duistervrienden of een Schim?’

‘De andere kant van dit stadje,’ antwoordde Rhand, terwijl hij naar de lichtjes staarde. Op deze afstand, in de nacht, leek het dorp net Emondsveld. Wat staat ons hier te wachten? ‘Nog een span, dat is alles.’

‘Alles?! Ik loop geen ene span meer!’