Rhands benen leken een vurige massa, maar hij dwong zichzelf een stap te zetten, en toen nog een. Het was niet gemakkelijk, maar hij hield vol, stap na stap. Voor hij tien pas verder was, hoorde hij Mart mopperend achter zich aan struikelen. Hij bedacht dat het maar goed was dat hij hem niet kon verstaan.
Het was al zo laat dat de straten van het dorp verlaten waren, hoewel in de meeste huizen minstens één kamer verlicht was. De herberg in het midden van het plaatsje lag in een gouden lichtcirkel, die de duisternis verdreef. Uit het gebouw klonken muziek en gelach, gedempt door dikke muren. Het bord boven de deur piepte in de wind. Aan de dichtstbijzijnde kant van de herberg stonden een paard en wagen op de Caemlinweg, met een man die het tuig nakeek. Aan de andere kant van het gebouw, op de rand van het lichtschijnsel, stonden twee mannen.
Rhand bleef staan in de schaduw van een huis waarbinnen geen licht brandde. Hij was veel te moe om zijweggetjes te zoeken om zo de hoofdweg te ontwijken. Heel even rusten kon geen kwaad. Heel even. Gewoon tot die mannen verdwenen. Mart zakte met een dankbare zucht tegen de muur op de grond en leunde achterover alsof hij van plan was op die plek in slaap te vallen.
Iets aan die twee mannen aan de rand van de schaduw maakte Rhand ongerust. Hij kon het eerst niet precies aanwijzen, maar hij besefte dat de man bij de boerenkar zich net zo voelde. Hij kwam bij het laatste stukje van de riem die hij nakeek, schoof toen het bit in de paardenmond weer goed, liep terug en begon van voren af aan. De hele tijd hield hij zijn hoofd gebogen, keek strak naar wat hij aan het doen was, weg van de andere mannen. Het had kunnen zijn dat ze hem niet opvielen, hoewel ze minder dan vijftig voet van hem af stonden, ware het niet dat hij zich zo stijfjes bewoog en zich telkens zo moeilijk draaide om te vermijden dat hij naar hen keek.
Een van de mannen in de schaduw was slechts een zwarte gestalte, maar de ander stond iets meer in het licht, met zijn rug naar Rhand toe. Zelfs zo was duidelijk dat hij niet echt blij was met het gesprek. Hij wrong zijn handen en bleef naar de grond kijken. Zo nu en dan knikte hij heftig, om te beamen wat de ander zei. Rhand kon niets horen, maar hij kreeg de indruk dat de man in de schaduw de enige was die praatte; de zenuwachtige man luisterde alleen maar, knikte en wrong benauwd zijn handen.
Uiteindelijk wendde degene die in duisternis gehuld was zich af en de zenuwachtige kerel liep terug het licht in. Ondanks de kou bette hij zijn gezicht met zijn lange schort, alsof hij baadde in het zweet. Rhand zag de gestalte in de nacht verdwijnen en voelde zijn huid prikken. Hij wist niet waarom, maar zijn onrust leek bij die verdwijnende gestalte te horen. In zijn nek voelde hij een zwakke tinteling en de haartjes op zijn arm bewogen, alsof hij opeens besefte dat er iemand op hem afsloop. Hij schudde zijn hoofd en wreef stevig over zijn armen. Je wordt al net zo’n dwaas als Mart, nietwaar?
Op dat moment glipte de gestalte langs het randje van een lichtschijnsel van een raam en Rhand kreeg kippenvel. De wind zorgde ervoor dat het herbergbord grie-grie-grie heen en weer ging, maar de donkere mantel bewoog totaal niet.
‘Schim,’ fluisterde hij, en Mart sprong op alsof hij had geschreeuwd. ‘Wat?!’
Hij hield zijn hand over Marts mond geklemd. ‘Stil.’ De donkere vorm was in het donker verdwenen. Waarheen ‘Hij is nu weg. Denk ik. Hoop ik.’ Hij nam zijn hand weg; het enige geluid dat Mart maakte, was een lang ingehouden zucht.
De zenuwachtige man kwam bij de herbergdeur Hij bleef staan, streek zijn schort glad en wilde zich duidelijk vermannen voor hij naar binnen ging.
‘Jij hebt vreemde vrienden, Raimun Houdwin,’ zei de man bij de kar opeens. Het was de stem van een oude man, maar nog krachtig. De spreker richtte zich op en schudde zijn hoofd. ‘Vreemde vrienden in het duister voor een herbergier.’
De zenuwachtige man veerde op toen de ander sprak en keek om of hij de kar en de man nu pas zag. Hij haalde diep adem, vermande zich en vroeg scherp: ‘En wat bedoel je daarmee, Aimen Bunt?’
‘Precies wat ik zei, Houdwin. Vreemde vrienden. Hij komt niet hiervandaan, hè? Veel vreemd volk op de weg, de laatste weken. Verschrikkelijk veel vreemd volk.’
‘Kun jij over meepraten.’ Houdwin knipoogde naar de man bij de kar. ‘Ik ken heel veel mensen, zelfs mensen uit Caemlin. Ik sluit me niet alleen op, zoals jij op die boerderij van je.’ Hij zweeg even en ging toen verder, alsof hij dacht dat hij meer had uit te leggen. ‘Hij kwam uit Vierkoningen. Zocht een stel dieven, jongens. Ze hebben een reigerzwaard van hem gestolen.’
Rhand hield zijn adem in, toen Vierkoningen werd genoemd, maar bij het zwaard keek hij snel naar Mart. Zijn vriend had zijn rug stevig tegen de muur gedrukt en staarde met zulke grote ogen de duisternis in dat haast al zijn oogwit te zien was. Rhand wilde ook de duisternis doorzoeken – de Halfman kon overal zijn – maar zijn ogen gingen weer terug naar de twee mannen voor de herberg.
‘Een reigerzwaard!’ riep Bunt uit. ‘Geen wonder dat hij het wil terug hebben.’
Houdwin knikte. ‘Ja, en hen ook. Mijn vriend is rijk, een... een koopman, en ze hebben moeilijkheden veroorzaakt met de mannen die voor hem werken. Vertelden wilde verhalen en maakten mensen van streek. Het zijn Duistervrienden en volgelingen van Logain.’
‘Duistervrienden én volgelingen van de valse Draak? En ze vertellen ook nog eens woeste verhalen? Gebeurt vaak bij die jonge kerels. Zei je dat ze jong waren?’
Er klonk vermaak door in Bunts stem, maar de herbergier leek het niet te merken.
‘Ja, nog geen twintig. Er is een beloning – honderd gouden kronen – voor hen beiden.’ Houdwin aarzelde en voegde er toen aan toe: ‘Een en al sluwe praatjes, die twee. Het Licht mag weten wat voor verhalen ze vertellen, hoe ze proberen mensen tegen elkaar op te zetten. En nog gevaarlijk ook, al zien ze er niet naar uit. Kwaadaardig. Je kunt het beste uit hun buurt blijven als je denkt dat je ze ziet. Twee jonge mannen, een met een zwaard, en ze kijken allebei steeds om. Als het de juisten zijn, zal mijn... mijn vriend ze oppikken zodra ze gevonden zijn.’
‘Je klinkt net of je ze meteen zult herkennen.’
‘Ik ken ze als ik ze zie,’ zei Houdwin vol vertrouwen. ‘Probeer ze alleen niet zelf te grijpen. Niet nodig dat er iemand gewond raakt. Kom het me maar zeggen als je ze ziet. Mijn... mijn vriend zal wel met ze afrekenen. Honderd kronen voor het tweetal, maar hij wil ze allebei.’
‘Honderd gouden kronen voor de twee’ peinsde Bunt. ‘En hoeveel voor het zwaard dat hij zo graag terug wil?’
Houdwin leek opeens door te hebben dat de ander hem voor de gek hield. ‘Ik weet niet waarom ik het jou vertel,’ snauwde hij. ‘Jij denkt alleen nog maar aan dat stomme plan van je, zie ik.’
‘Niet zo’n stom plan,’ antwoordde Bunt kalm. ‘Er zal wel geen andere valse Draak opstaan die ik kan bekijken voor ik sterf – Het Licht geve dat! – en ik ben te oud om koopmansstof te moeten slikken op de Caemlinweg. Ik heb de weg voor mezelf en ben morgenochtend hoog en droog in Caemlin.’
‘Voor jezelf?’ In de stem van de herbergier klonk een nare trilling. ‘Niemand kan zeggen wat daarbuiten in de nacht rondzwerft, Almen Bunt. Helemaal alleen op de weg, in het donker? Zelfs als iemand je hoort krijsen, zal niemand zijn deurbalk optillen om je te helpen. Niet in deze dagen, Bunt. Zelfs je naaste buur niet.’
Niets van wat hij zei, leek de oude boer ongerust te maken; hij antwoordde even kalm als eerst. ‘Als de koninginnegarde de weg zo vlak bij Caemlin niet veilig kan houden, dan is niemand van ons veilig, zelfs niet in zijn eigen bed. Als je het mij vraagt, kan de garde de weg zeker een stuk veiliger maken door die vriend van jou in de ijzers te slaan. Rondsluipen in het donker, bang dat iemand hem zal zien. Je maakt mij niet wijs dat hij geen kwaad van zins is.’
‘Bang!’ riep Houdwin uit. ‘Jij ouwe dwaas, als je wist...’ Hij sloot met een klap zijn mond en rilde even. ‘Ik weet niet waarom ik mijn tijd aan je verdoe. Maak dat je wegkomt! Maak die plek voor mijn zaak vrij.’ De deur van de herberg sloeg achter hem dicht.