Выбрать главу

Mompelend greep Bunt de zijkant van de bok vast en zette zijn voet op de wieldop.

Rhand aarzelde een ogenblik. Mart greep hem bij zijn arm toen hij ‘Ben je gek, Rhand. Hij zal ons vast en zeker herkennen!’ ‘Wil je liever hier blijven? Met een Schim in de buurt? Hoe ver denk jij dat we te voet kunnen komen voor hij ons vindt?’ Hij probeerde er niet aan te denken hoe ver ze op een kar konden komen. Hij rukte zich los en draafde de weg op. Zorgvuldig hield hij daarbij zijn mantel dicht, zodat het zwaard niet zichtbaar was; de wind en de kou zouden het verklaren.

‘Neemt u me niet kwalijk, maar ik hoorde wat u zei over Caemlin,’ begon hij.

Bunt schrok op en greep een vechtstok uit de kar. Zijn gelooide gezicht was een en al rimpels en de helft van zijn tanden was hij kwijt, maar zijn bottige handen hielden de stok stevig vast. Even later zette hij het ene eind op de bodem van de bok en hield die steun vast.

‘Dus jullie tweeën willen naar Caemlin. Om de Draak te zien, hè?’ Rhand had niet geweten dat Mart hem was gevolgd. Mart hield zich echter wat achteraf, bleef buiten het licht, terwijl hij zowel de herberg als de oude boer achterdochtig in de gaten hield.

‘De valse Draak,’ zei Rhand nadrukkelijk.

Bunt knikte. ‘Zeker. Zeker.’ Hij keek even zijdelings naar de herberg en schoof toen abrupt zijn vechtstok weer onder de bok. ‘Nou, als je een ritje wilt, stap dan in. Ik heb genoeg tijd verknoeid.’ Hij klom de bok al op.

Rhand klauterde achterop toen de boer met de leidsels klapte. Mart moest rennen om de al rijdende kar in te halen. Rhand greep hem bij zijn armen en trok hem erop.

Het dorp verdween al snel in de nacht door de draf die Bunt erin hield. Rhand lag op de kale planken en vocht tegen het slaapverwekkende gekraak van de wielen. Mart onderdrukte met zijn vuist elke geeuw, terwijl hij op zijn hoede naar de weg en het landschap staarde. De duisternis lag zwart en dik over de velden en akkers en was bezaaid met de lichten van boerderijen. De lichten leken veraf, schenen vergeefs te worstelen tegen de nacht. Een uil riep een treurige roep en de wind huilde als de verloren zielen in de Schaduw.

Hij kan overal zijn, dacht Rhand.

Bunt voelde zich ook bedrukt door de nacht, want opeens liet hij zich horen. ‘Zijn jullie tweeën ooit eerder in Caemlin geweest?’ Hij grinnikte kort. ‘Zal wel niet. Nou, wacht maar tot je het ziet. De geweldigste stad ter wereld. O, ik heb van alles over Illian, Ebo Dar en Tyr en zo gehoord – er is altijd wel een gek die denkt dat iets groter en beter is omdat het achter de kim ligt – maar ik houd het op Caemlin, de geweldigste. Kan niet grootser zijn. Nee, dat kan niet. Misschien alleen als koningin Morgase, het Licht verlichte haar, die heks uit Tar Valon kan kwijtraken.’

Rhand lag op zijn rug, met zijn hoofd op zijn dekenrol, die weer op de bundel van Thoms mantel lag, en zag de nacht voorbijschuiven. Hij liet de woorden van de boer langs zich kabbelen. Een menselijke stem hield de duisternis in toom en maakte de huilende wind wat minder hoorbaar. Hij draaide zich om, zodat hij de donkere vorm van Bunts rug kon zien. ‘Bedoelt u een Aes Sedai?’

‘Wat zou ik anders bedoelen? Zit daar als een spin in dat paleis. Ik ben een trouwe koninginneklant – zeg nooit dat ik het niet ben – maar het is gewoon niet juist. Ik ben niet een van die mensen die zeggen dat Elaida te veel invloed op de koningin heeft. Ik niet. En wat die dwazen betreft die zeggen dat Elaida wel niet in naam maar verder in alles koningin is...’ Hij spuugde de nacht in.

‘Dat op hun oog. Morgase is geen pop die danst aan de touwtjes van de heksen van Tar Valon’

Nog een Aes Sedai. Als... nee, wanneer Moiraine in Caemlin kwam, zou ze mogelijk naar een Aes Sedai-zuster gaan. In geval van uiterste nood zou die Elaida hen mogelijk kunnen helpen Tar Valon te bereiken. Hij keek Mart aan en het leek of hij het hardop had gezegd, want Mart schudde zijn hoofd. Hij kon Marts gezicht niet zien, maar hij wist dat het afwijzend stond.

Bunt ging gewoon door met praten en klapte slechts met de teugels wanneer zijn paard het kalmer aan deed, maar verder liet hij zijn handen op zijn knieën rusten. ‘Ik ben een goede koninginneklant, zoals ik al zei, maar zelfs dwazen zeggen soms iets wat de moeite waard is, zo nu en dan. Zelfs een blind varken vindt nog wel eens een eikel. De dingen moeten echt anders. Dit weer, gewassen die niet opkomen, koeien die opdrogen, doodgeboren kalfjes, lammetjes met twee koppen. Die vervloekte raven die niet eens wachten tot dieren doodgaan. De mensen zijn bang. Ze willen iemand de schuld geven.

De Drakentand die op de deuren van mensen opduikt. Dingen die rondsluipen in de nacht. Schuren die verbranden. Kerels op de weg, zoals die vriend van Houdwin, die mensen bang maken. De koningin moet iets doen voor het te laat is. Begrijp je dat, of niet?’

Rhand maakte een geluid dat van alles kon betekenen. Het klonk alsof ze zelfs nog meer geluk hadden dan hij had gedacht toen hij deze man met zijn kar zag. Ze zouden niet veel verder zijn gekomen dan dat laatste dorp als ze hadden gewacht op het daglicht. Dingen die rondsluipen in de nacht. Hij drukte zich op om over de zijkant van de kar de duisternis in te turen. Schaduwen en gestalten leken in het donker te kronkelen. Hij liet zich terugvallen voor zijn verbeelding hem ervan zou overtuigen dat daar iets was.

Bunt hield het voor instemming. ‘Goed. Ik ben voor de koningin en ik neem het op tegen iedereen die probeert haar kwaad te doen, maar ik heb gelijk. Neem nou vrouwe Elayne en heer Gawein. Nou, da’s een verandering die niemand kwaad doet en mogelijk wat goeds oplevert. Tuurlijk, ik weet dat wij in Andor het altijd zo hebben gedaan. Sturen de erfdochter naar Tar Valon om bij de Aes Sedai te leren en de oudste zoon om door de zwaardhanden geoefend te worden. Ik geloof in tradities, ik geloof er echt in, maar kijk nou eens wat het ons de laatste keer heeft opgeleverd? Luc dood in de Verwording voordat hij ooit tot Eerste Prins van het Zwaard was gezalfd en Tigraine verdwenen – weggelopen of dood – toen de tijd was gekomen dat ze de troon zou bestijgen. Bezorgt ons nog problemen, dat.

Er zijn mensen die zeggen dat ze nog leeft, weet je, dat Morgase niet de rechtmatige koningin is. Stomme dwazen. Ik weet nog wat er gebeurde. Weet het nog als de dag van gisteren. Geen erfdochter om de troon te bestijgen toen de oude koningin stierf, en ieder Huis in Andor beraamde plannen en vocht om die eer. En Taringael Damodred. Je zou nooit hebben gedacht dat hij zijn vrouw had verloren, zo ijverig zocht hij uit welk Huis zou winnen, zodat hij opnieuw kon trouwen en uiteindelijk toch prins-gemaal kon worden. Nou, het is hem gelukt, hoewel... waarom Morgase hem koos... ach, er is geen man die de gedachten van een vrouw kent. En een koningin is tweemaal een vrouw, getrouwd met een man, getrouwd met het land. Hij kreeg in ieder geval wat hij wilde, hoewel niet op de manier die hij wilde.

Betrok Cairhien bij het gekonkel voor hij er klaar voor was, en je weet hoe dat is afgelopen. De Boom omgehakt en zwartgesluierde Aiel die over de Drakenmuur stroomden. Nou ja, hij slaagde erin netjes om zeep gebracht te worden nadat hij Elayne en Gawein had verwekt, dus is het toch goed afgelopen, zou ik zeggen. Niet dan? Maar waarom is het nou nodig hen naar Tar Valon te sturen? Het is tijd dat de mensen niet meer tegelijk aan de troon van Andor en de Aes Sedai denken. Als ze dan zo nodig ergens anders de dingen moeten leren die ze nodig hebben, nou, Illian heeft een even goede librije als Tar Valon en ze kunnen vrouwe Elayne net zoveel over regeren en intrigeren leren als die heksen. Niemand weet meer van intrigeren dan een Illianer. En als de garde heer Gawein niet genoeg krijgskunsten kan bijbrengen, nou, in Illian hebben ze ook soldaten. Net als in Shienar en Tyr, wat dat betreft. Ik ben een goede koninginneklant, maar ik zou zeggen: laten we ophouden met die nonsens met Tar Valon. Drieduizend jaar is lang genoeg. Te lang. Koningin Morgase kan ons leiden en de zaken op orde stellen zonder hulp van de Witte Toren. Laat me je dit zeggen, dat is nou een vrouw die een man trots laat zijn wanneer hij knielt om haar zegen te ontvangen. Weet je, eens...’