Een handvol gardisten stond bij de poorten. Hun schone rood-witte overmantels en glimmend gepoetste kurassen vormden een scherpe tegenstelling met de meeste mensen die onder de stenen boog door stroomden. Met rechte ruggen en geheven hoofden bekeken ze de nieuwkomers laatdunkend. Het was duidelijk dat ze de meesten het liefst hadden teruggestuurd. Maar ze hinderden niemand en hielden alleen een baan vrij voor het verkeer uit de stad. Soms wisselden ze een hartig woord met mensen die te veel drongen.
‘Blijf op je plaats. Niet dringen. Niet dringen, het Licht verblinde je! Er is plaats voor iedereen, moge het Licht ons helpen. Niet voordringen.’
Bunts kar rolde de poort in met de trage gang van de mensenmassa, en ze waren in Caemlin.
De stad was gelegen op lage heuvels, als treden die naar een middelpunt opliepen. Daar lag een tweede muur, die zuiver wit glansde en over de heuvels liep. Daarbinnen waren zelfs nog meer torens en koepels, van wit, goud en purper; door hun hoge plaats boven op de heuvels leek het alsof ze op de rest van Caemlin neerkeken. Rhand dacht dat dat de Binnenstad moest zijn, waarover Bunt had verteld. De Caemlinweg zelf veranderde zodra hij de stad inkwam en werd een brede laan, die in tweeën gedeeld werd door ruime stroken gras en bomen. Het gras was bruin en de boomtakken kaal, maar de mensen die zich er langsrepten, leken het niet ongewoon te vinden; ze lachten, praatten, redeneerden, deden alle dingen die mensen doen. Net alsof ze geen idee hadden dat er dit jaar nog geen lente was en dat die er mogelijk ook niet zou komen. Ze zagen het niet, besefte Rhand; ze konden of wilden het niet zien. Hun ogen gleden langs de bladerloze takken en ze liepen over het dode gras zonder eenmaal omlaag te kijken. Wat ze niet zagen, konden ze negeren; wat ze niet zagen, was er eigenlijk niet.
Kijkend naar de stad en de mensen werd Rhand opeens verrast doordat de kar een zijstraat insloeg, smaller dan de laan, maar nog steeds tweemaal zo breed als elke straat in Emondsveld. Bunt hield het paard in, draaide zich om en keek hen aarzelend aan. Het verkeer was hier wat minder, de menigte passeerde de kar zonder langzamer te lopen.
‘Wat je onder je mantel verbergt, is dat echt wat Houdwin zei?’ Rhand was net bezig zijn zadeltassen over zijn schouder te gooien. Hij gaf geen krimp. ‘Wat bedoelt u?’ Zijn stem klonk kalm. Zijn maag vormde een zure knoop, maar zijn stem klonk kalm.
Mart onderdrukte met een hand een geeuw, maar hij schoof de andere onder zijn jas – greep de dolk van Shadar Logoth, wist Rhand – en onder de sjaal rond zijn hoofd hadden zijn ogen een harde opgejaagde blik. Bunt vermeed naar Mart te kijken, alsof hij wist dat er een wapen in die verborgen hand lag.
‘Bedoel er niets mee, wou ik zeggen. Kijk eens, als je hebt gehoord dat ik naar Caemlin ging, dan stond je daar lang genoeg om de rest te horen. Als ik op een beloning uit was, dan zou ik wel een smoes hebben verzonnen om De Gans en Kroon binnen te gaan om met Houdwin te praten. Maar ik mag Houdwin niet erg, en die vriend van hem al helemaal niet. Het lijkt of hij jullie tweeën meer wil dan...wat dan ook.’
‘Ik weet niet wat hij wil,’ zei Rhand. ‘Wij hebben hem nooit eerder gezien.’ Het zou zelfs de waarheid kunnen zijn; hij kon de ene Schim niet van de andere onderscheiden.
‘Uh... huh. Nou, zoals ik zeg, ik weet van niets en ik vermoed dat ik ook niets wil weten. Er zijn al genoeg problemen voor iedereen zonder dat ik er nog meer opzoek.’
Mart verzamelde traag zijn spullen en Rhand stond al op straat voor zijn vriend van de kar klom. Hij wachtte ongeduldig. Mart liep stijfjes van de kar weg en hield boog, pijlkoker en dekenrol tegen zijn borst geklemd, terwijl hij binnensmonds mopperde. Diepe schaduwen tekenden zich onder zijn ogen af.
Rhands maag knorde en hij maakte een grimas. Door zijn honger en het oprispende zuur in zijn maag vreesde hij dat hij ging overgeven. Mart stond hem vol verwachting aan te staren. Welke kant op? Wat moesten ze nu?
Bunt boog zich opzij en wenkte hem naderbij. Hij ging naar hem toe in de hoop wat raad over Caemlin te krijgen.
‘Ik zou dat verstoppen...’ De oude boer wachtte even en keek behoedzaam rond. Mensen drongen aan beide kanten langs de kar, maar behalve wat gevloek over het versperren van de weg schonk niemand hen enige aandacht. ‘Draag het niet,’ zei Bunt. ‘Verberg het, verkoop het. Geef het weg. Dat is mijn raad. Zo’n ding zal zeker de aandacht trekken en ik vermoed dat je daar niets van moet hebben.’
Abrupt richtte hij zich op, klakte tegen zijn paard en reed langzaam verder de volle straat in, zonder om te kijken of nog iets te zeggen.
Een wagen vol vaten ratelde recht op hen af. Rhand sprong opzij, bijna struikelend. Toen hij weer opkeek, waren Bunt en zijn kar uit het zicht verdwenen.
‘Wat gaan we nu doen?’ wilde Mart weten. Hij maakte zijn lippen nat en staarde met grote ogen naar al die mensen die langs hen heen drongen en naar de gebouwen die wel zes verdiepingen boven de straat uitstaken. ‘We zijn in Caemlin, maar wat gaan we doen?’ Hij hield zijn handen niet meer tegen zijn oren gedrukt, maar ze bewogen alsof hij het weer wilde doen. De hele stad leek te gonzen dankzij de voortdurende dreun van honderden drukke ambachtslui en duizenden pratende mensen. Rhand had de indruk dat hij in een reusachtige zoemende bijenkorf stond. ‘Al zijn ze hier, Rhand, hoe kunnen we ze dan in deze wirwar vinden?’
‘Moiraine zal ons vinden,’ zei Rhand langzaam. De enorme afmetingen van de stad leken als een gewicht op zijn schouders te drukken; hij wilde weg, zich verstoppen voor al die mensen en de herrie.
De leegte ontglipte hem, ondanks alle lessen van Tham; zijn ogen zogen de stad op, vulden de leegte ermee. Dus concentreerde hij zich maar liever op wat hij om zich heen zag en negeerde alles wat daarachter te zien viel. Als hij alleen naar deze ene straat keek, was het net Baerlon. Baerlon, de laatste plaats waar ze allemaal hadden gedacht veilig te zijn. Niemand is meer veilig. Misschien zijn ze allemaal dood. Wat ga je dan doen?
Ze leven nog! Egwene leeft nog!’ zei hij heftig. Diverse voorbijgangers keken hem vreemd aan.
‘Misschien’ zei Mart. ‘Misschien. En als Moiraine ons nou niet vindt? Als niemand ons vindt, behalve de... de...’ Hij huiverde, kon het niet zeggen.
‘Daar zullen we over denken wanneer het zover is,’ zei Rhand ferm. ‘Als het zover komt.’ In het ergste geval moesten ze Elaida, die Aes Sedai in het paleis, opzoeken. Hij ging liever naar Tar Valon. Hij wist niet of Mart zich nog herinnerde wat Thom over de Rode Ajah – en de Zwarte – had gezegd, maar hij wist het nog al te goed. Zijn maag draaide zich weer om. ‘Thom had het erover dat we een herberg moesten zoeken die De Koninginnezegen heet. Laten we daar eerst heen gaan.’
‘Hoe? We kunnen geen maaltijd betalen, zelfs niet samen.’
‘Het is in ieder geval een beginpunt. Thom dacht dat we daar hulp konden vinden.’
‘Ik kan het niet... Rhand, ze zijn overal.’ Mart keek naar de straatstenen en leek ineen te schrompelen, probeerde te ontkomen aan de mensen om hem heen. ‘Waar we ook heen gaan, ze zijn altijd vlak achter ons, of staan ons op te wachten. Ze zullen ook in De Koninginnezegen zijn. Ik kan het niet... Ik... Niets zal een Schim tegenhouden.’
Rhand greep Mart bij zijn kraag en probeerde uit alle macht het beven van zijn vuist tegen te gaan. Hij had Mart nodig. Misschien waren de anderen nog in leven – Licht! Alsjeblieft! – maar hier en nu, waren alleen Mart en hijzelf. De gedachte dat hij zonder hem verder moest... Hij slikte diep, proefde zuur.
Hij keek snel rond. Niemand leek te hebben gehoord wat Mart over de Schim zei; de dichte massa mensen liep voorbij en ieder leek met zijn eigen zorgen bezig te zijn. Hij hield zijn gezicht vlak bij dat van Mart. ‘We hebben het toch al tot hier gebracht, niet?’ vroeg hij hees fluisterend. ‘Ze hebben ons nog niet. Het kan ons best lukken, als we maar niet bij de pakken neerzitten. Ik geef het niet zomaar op, als een schaap dat op de slachter wacht. Ik niet! Nou? Blijf je daar staan tot je omkomt van de honger? Of tot ze je in een zak komen ophalen?’