Hij liet Mart los en draaide zich om. Zijn nagels priemden in zijn handpalmen, maar ze bleven beven. Opeens liep Mart naast hem, zijn ogen nog neergeslagen. Rhand liet zijn adem langzaam ontsnappen.
‘Het spijt me, Rhand,’ mompelde Mart..
‘Geeft niet,’ zei Rhand.
Mart keek net voldoende op om niet tegen andere mensen op te botsen, terwijl hij op een levenloze toon sprak. ‘Ik moet er steeds maar aan denken dat ik nooit meer thuis zal komen. Ik wil naar huis. Lach maar als je wilt, het kan me niet schelen, ik zou er alles voor geven als mijn moeder me op dit moment zou uitfoeteren. Het zijn net zware gewichten in mijn hoofd. Gloeiendhete gewichten. Overal vreemden om ons heen en met geen mogelijkheid weet je wie je kunt vertrouwen, als je al iemand kunt vertrouwen. Licht, Tweewater is zo ver weg dat het wel aan de andere kant van de wereld kan liggen. We zijn alleen en we komen nooit meer thuis. We gaan sterven, Rhand.’
‘Nee, nog niet, dat gaan we niet,’ antwoordde Rhand. ‘Iedereen sterft. Het Rad draait. Maar ik kruip niet in een hoekje weg om te wachten tot het gebeurt.’
‘Je klinkt net als meester Alveren,’ mopperde Mart, maar er zat weer wat leven in zijn stem.
‘Goed,’ zei Rhand. ‘Goed.’ Licht, laat de anderen in orde zijn. Laat ons alsjeblieft niet alleen zijn.
Hij begon de weg te vragen, naar De Koninginnezegen. De antwoorden verschilden enorm; een vloek voor alle mensen die niet bleven waar ze thuishoorden of een schouderophalen en een lege blik kwamen het meeste voor. Sommigen liepen door met niet meer dan een blik opzij, als ze dat al deden.
Een man met een breed gezicht, bijna even groot als Perijn, hield zijn hoofd scheef en zei: ‘De Koninginnezegen, hè? Boerenjongens als jullie zijn koninginneklanten?’ Hij droeg een witte pluim op zijn breedgerande hoed en een witte armband om de mouw van zijn lange jas. ‘Nou, dan zijn jullie mooi te laat.’
Hij liep brullend van het lachen verder en liet Rhand en Mart achter terwijl ze elkaar stomverbaasd aankeken. Rhand haalde zijn schouders op; er waren meer dan genoeg vreemde mensen in Caemlin, mensen zoals hij nooit eerder had gezien.
Sommigen vielen erg op: door een huid die te donker of te bleek was, door jassen van vreemde snit of felle kleuren, door hoeden met hoge punten of lange veren. Er waren vrouwen met sluiers voor hun gezicht, vrouwen in stijve gewaden die even breed waren als lang, vrouwen in kleding die meer huid bloot liet dan elke kroegmeid die hij ooit had gezien. Af en toe drong er een felgekleurd rijtuig door de overvolle straten, achter een span van vier of zes paarden met pluimen op hun tuig. Overal waren draagstoelen met stokdragers die zich door de menigte duwden en er niet om gaven wie ze opzij moesten porren.
Rhand zag zo een gevecht beginnen, een schreeuwende kluwen mannen die met elkaar op de vuist gingen. Een man met een bleke huidskleur klom uit een draagstoel die op zijn kant lag. Twee mannen in grove kleren die net op dat moment langs leken ie komen, sprongen op hem af voor hij er helemaal uitwas. De mensen die hadden toegekeken, begonnen dreigend te mopperen en met hun vuisten te schudden. Rhand trok aan Marts mouw en haastte zich verder. Mart hoefde geen tweede keer aangespoord te worden. Het getier van het opstootje volgde hen toen ze verder liepen.
Verschillende keren kwamen er mannen op hen af in plaats van omgekeerd. De stoffige kleren van de Emondsvelders gaven aan dat ze nieuw waren in de stad en dat leek op sommige types als een magneet te werken. Steelse kerels met schichtige ogen boden een aandenken aan Logain te koop aan, de voeten klaar om weg te hollen. Rhand berekende dat hij genoeg stukjes mantel van de valse Draak en delen van zijn zwaard kreeg aangeboden om er minstens twee zwaarden en vijf mantels van te maken. Marts gezicht klaarde belangstellend op, de eerste keer tenminste, maar Rhand zei alleen kort nee. Dat slikten ze met een korte knik, waarna ze verdwenen met een ‘het Licht verlichte de koningin, goede meester’. Veel winkels hadden borden en bekers waarop bizarre tafereeltjes waren geschilderd die lieten zien hoe de valse Draak in ketenen voor de koningin werd geleid. En er waren Witmantels in de straten. Net als in Baerlon bewogen ze zich in een kring van leegte, die met hen meeschoof.
Rhand dacht er voortdurend aan dat ze zich onopvallend moesten gedragen. Hij hield zijn mantel over zijn zwaard, maar vroeg of laat zou iemand zich afvragen wat hij daar verborgen hield. Hij zou Bunts raad niet opvolgen. Hij kón gewoon het zwaard niet afdoen. Het was zijn band met Tham. Met zijn vader.
In de menigte droegen ook anderen zwaarden, maar niemand trok de aandacht met een reigerzwaard. Alle Caemliners, en ook sommige vreemdelingen, hadden hun zwaard met stof omwikkeld, zowel schede als gevest: rood doek met een wit koord of wit doek met een rood koord. Er konden tientallen reigertekens onder die stof verborgen zitten en niemand zou het zien. Zo’n aanpassing aan de plaatselijke mode zou ervoor zorgen dat ze minder opvielen.
Een groot aantal winkels had tafels buiten staan met die stof en de koorden en Rhand bleef er bij een staan. De rode stof was goedkoper dan de witte, hoewel hij behalve de kleur geen verschil kon zien, dus kocht hij die en een wit koord dat erbij leek te horen, ondanks Marts gemopper dat ze vrijwel geen geld hadden. De stuurse winkelier vertrok zijn mond misprijzend en bekeek Rhand van onder tot boven, terwijl hij zijn koperstukken aannam. Toen Rhand vroeg of hij binnen zijn zwaard even mocht omwikkelen, schold de man hem weg.
‘We zijn hier niet om Logain te zien,’ zei Rhand geduldig. ‘We kwamen alleen Caemlin bekijken.’ Hij dacht aan Bunt en voegde eraan toe: ‘De geweldigste stad in de wereld.’ De grimas van de winkelier verdween niet. ‘Het Licht verlichte de goede koningin Morgase,’ zei Rhand hoopvol.
‘Als jullie herrie willen schoppen,’ zei de man zuur, ‘dan is een schreeuw van mij voldoende om honderd man te roepen die jullie een lesje kunnen leren, voor het geval de garde het niet doet.’ Hij zweeg, spuwde en miste net Rhands voet. ‘Ga je smerige zaakjes maar ergens anders doen.’
Rhand knikte, alsof de man hem opgewekt gedag had gezegd, en trok Mart mee. Mart bleef in zichzelf mopperend naar de winkel omkijken, tot Rhand hem een verlaten steeg introk. Als ze met hun rug naar de straat stonden, kon geen enkele voorbijganger zien wat ze uitvoerden. Rhand deed zijn zwaardriem af en begon de schede en het gevest in te wikkelen.
‘Ik wed dat hij je dubbel heeft laten betalen voor die rotstof,’ zei Mart. ‘Driedubbel.’
Het was niet zo simpel als het had geleken, de doek en het koord op zo’n manier vast te maken dat ze niet onmiddellijk losraakten.
‘Ze zullen allemaal proberen ons te bedriegen, Rhand. Zij denken dat we hier zijn voor de valse Draak, net als ieder ander. We hebben geluk als niemand onze hoofden inslaat terwijl we slapen. Dit is geen plaats voor ons. Er zijn te veel mensen. Laten we nu naar Tar Valon vertrekken. Of naar het zuiden, naar Illian. Ik zou wel willen zien hoe ze zich voor de Jacht op de Hoorn verzamelen. Als we niet naar huis kunnen, laten we dan verdergaan.’
‘Ik blijf,’ zei Rhand. ‘Als ze er nog niet zijn, dan komen ze ons vroeg of laat zoeken.’
Hij wist niet zeker of de stof zat zoals bij de anderen, maar de reigers op de schede en het gevest waren verborgen en hij dacht dat alles goed vastzat. Toen ze de straat weer inliepen, wist hij zeker dat er nu één ding minder was om zich zorgen over te maken voor het geval er problemen kwamen. Mart liep onwillig naast hem mee, alsof hij werd meegetrokken aan een riem.
Stukje bij beetje kreeg Rhand de aanwijzingen die hij nodig had. Eerst waren ze vaag: ‘Ergens die kant uit,’ of: ‘Daarnaartoe.’ Maar hoe meer ze in de buurt kwamen, hoe duidelijker de aanwijzingen, tot ze ten slotte voor een breed stenen gebouw stonden. Op het bord boven de deur knielde een man voor een gekroonde vrouw met roodgoud haar, die een hand op zijn gebogen hoofd hield. De Koninginnezegen.