‘Weet je zeker dat je dit wilt?’ vroeg Mart.
‘Natuurlijk’ zei Rhand. Hij haalde diep adem en duwde de deur open.
De gelagkamer was groot en bekleed met donker hout, en twee haardvuren verwarmden de ruimte. Een dienstmeid veegde de vloer aan, hoewel die schoon was, en een ander was in een hoekje de kandelaars aan het poetsen. Beiden lachten de nieuwkomers toe voor ze verdergingen met hun werk.
Slechts enkele tafeltjes waren bezet, maar zo vroeg op de dag was een tiental mannen al een menigte, en al keek niemand echt blij dat ze hem en Mart zagen, ze zagen er tenminste netjes en nuchter uit. De geur van gebraden vlees en gebakken brood dreef binnen vanuit de keuken en het water liep Rhand in de mond. De herbergier was dik, zag hij verheugd, een man met een roze gezicht, een gesteven wit schort en grijze haren die naar achteren waren gekamd, over een kale plek die ze niet geheel bedekten. Zijn scherpe ogen namen hen van top tot teen op, stoffige kleren en bundels en versleten laarzen, maar hij had wel een snelle, prettige glimlach. Hij heette Basel Gil.
‘Baas Gil,’ zei Rhand, ‘een vriend van ons heeft ons gezegd hierheen te gaan. Thom Merrilin. Hij...’ De glimlach van de herbergier verdween. Rhand keek Mart aan, maar die had het te druk met het opsnuiven van de keukenluchtjes om op iets anders te lenen. ‘Is er iets niet in orde? Kent u hem?’
‘Ik ken hem,’ zei Gil kort. Hij leek meer aandacht te hebben voor de fluitkist op Rhands heup dan voor wat dan ook. ‘Kom mee’ Hij knikte naar achteren. Rhand gaf Mart een ruk om hem mee te krijgen en liep toen achter Gil aan, terwijl hij zich afvroeg wat er aan de hand was.
In de keuken bleef baas Gil even met de kokkin praten, een ronde vrouw met haar haren in een knot, die de herbergier vrijwel pond voor pond evenaarde. Ze bleef in haar pannen roeren terwijl baas Gil aan het woord was. De geuren waren zo heerlijk – twee dagen honger maken rauwe bonen zoet, maar dit rook even goed als vrouw Alverens keuken – dat Rhands maag luid knorde. Mart leunde naar de pannen toe en liet zijn neus werken. Rhand gaf hem een por; Mart veegde haastig zijn kin af, waar het water hem uit de mond was gedropen.
Toen nam de herbergier hen snel mee de achterdeur uit. Op het erf keek hij rond om er zeker van te zijn dat er niemand in de buurt was en ging toen voor Rhand staan. ‘Wat zit er in dat kistje, jongen?’ ‘Thorns fluit,’ zei Rhand langzaam. Hij deed het kistje open, alsof de aanblik van de zilvergouden fluit zou helpen. Marts hand kroop onder zijn jas.
Baas Gil bleef Rhand aankijken. ‘Tja, ik herken hem. Ik heb vaak genoeg gezien dat hij bespeeld werd en het is niet erg waarschijnlijk dat er binnen het koninklijk hof twee van die fluiten zijn.’ Zijn prettige glimlach was verdwenen en zijn blik was opeens vlijmscherp.
‘Hoe ben je eraan gekomen? Thom zou liever zijn arm kwijtraken dan zijn fluit.’
‘Hij heeft hem me gegeven.’ Rhand schoof de bundel van Thom van zijn rug en legde die op de grond, waarbij hij genoeg van Thoms mantel terugsloeg om de gekleurde lapjes te laten zien en het puntje van de harpkist. ‘Thom is dood, baas Gil. Als hij uw vriend was, dan spijt me dat. Hij was ook mijn vriend.’
Dood, zeg je? Hoe?’
‘Een... een man probeerde ons te doden. Thom drukte dit in mijn handen en zei ons dat we moesten vluchten’ De lapjes fladderden in de wind, als vlinders. Rhand voelde een brok in zijn keel; hij sloeg de mantel weer zorgvuldig terug. ‘We zouden gedood zijn als hij er niet was geweest. We waren samen onderweg naar Caemlin. Hij zei tegen ons dat we hierheen moesten gaan, naar uw herberg’
‘Ik geloof pas dat hij dood is,’ zei de herbergier langzaam, ‘als ik zijn lijk zie’ Hij duwde de punt van zijn schoen tegen de opgerolde mantel en schraapte ruw zijn keel. ‘Ho, ho, ik geloof echt wel dat je hebt gezien wat je zag; ik geloof alleen niet dat hij dood is. Hij is moeilijker te doden dan je zult geloven, die oude Thom Merrilin’
Rhand legde een hand op Marts schouder. ‘Het is in orde, Mart. Hij is een vriend.’
Baas Gil keek even naar Mart en zuchtte. ‘Ja, ik neem aan dat ik dat ben’
Mart ging langzaam rechtop staan en sloeg zijn armen over elkaar. Hij bleef echter behoedzaam naar de herbergier kijken en er trilde een spiertje in zijn wang.
‘Onderweg naar Caemlin, hè?’ De herbergier schudde zijn hoofd. ‘Dit is de laatste plaats ter wereld waar ik Thom zou verwachten, misschien afgezien van Tar Valon’ Hij wachtte tot een stalknecht die een paard meeleidde, was gepasseerd en praatte daarna nog zachter.
‘Jullie hebben problemen met de Aes Sedai, neem ik aan?’
‘Ja’ gromde Mart op hetzelfde moment dat Rhand zei: ‘Waarom denkt u dat?’
Baas Gil grinnikte droog, ik ken de man, daarom. Hij zou dat soort problemen opzoeken, vooral als hij een stel jongens zou kunnen helpen van jullie leeftijd...’ De herinnering aan Thom flakkerde weg en hij rechtte zijn rug met een behoedzame blik. ‘Nou... eh... ik wil niemand ergens van beschuldigen hoor, maar... eh... ik neem aan dat geen van jullie beiden me kan... eh... wat ik bedoel is... eh... wat voor soort problemen hebben jullie met Tar Valon, als je me de vraag vergeeft?’
Rhands huid prikte toen hij besefte waar de man op doelde. De Ene Kracht. ‘Nee, nee, zoiets is het helemaal niet, ik zweer het. Er was zelfs een Aes Sedai die ons hielp. Moiraine was...’ Hij wilde zijn tong afbijten, maar het gezicht van de herbergier veranderde totaal niet.
‘Blij dat te horen. Niet dat ik zoveel op heb met Aes Sedai, maar beter zij dan... dat andere.’ Hij schudde langzaam zijn hoofd. ‘Er wordt te veel over dat soort dingen gepraat, nu Logain hierheen is gebracht.
Ik wilde je niet beledigen, begrijp je, maar... nou, ik moest het weten, zie je?’
‘Ik voel me niet beledigd,’ zei Rhand. Marts gemompel kon van alles betekenen, maar de herbergier leek maar aan te nemen dat hij hetzelfde bedoelde.
Jullie tweeën lijken me van het goeie slag en ik geloof ook dat jullie vrienden waren... zijn van Thom, maar het zijn moeilijke tijden en zware dagen. Ik neem aan dat jullie niet kunnen betalen? Nee, dat vermoedde ik al. Er is van niets echt genoeg en wat er is, kost een fortuin. Ik zal jullie een bed geven – niet het beste, maar warm en droog – en iets te eten, maar meer kan ik je niet beloven, hoe graag ik ook zou willen.’
‘Dank u,’ zei Rhand met een onderzoekende blik op Mart. ‘Het is meer dan waar ik op hoopte.’ Wat was het goede slag en waarom zou de man meer willen beloven’
‘Tja, Thom is een goede vriend. Een oude vriend. Heetgebakerd en met de neiging het allerergste te zeggen tegen diegene tegen wie je dat net niet moet doen, maar desondanks een goede vriend. Als hij hier niet meer komt opdagen... nou ja, dat zien we dan wel weer. Maar het is het beste dat je niets meer zegt over Aes Sedai die jullie helpen. Ik ben een goede koninginneklant, maar er zijn nu te veel mensen in Caemlin die dat verkeerd zullen opvatten, en ik bedoel niet alleen de Witmantels’
Mart snoof. ‘Wat mij betreft, mogen de raven elke Aes Sedai recht naar Shayol Ghul slepen.’
‘Houd je mond,’ snauwde baas Gil. ‘Ik zei dat ik ze niet mocht, ik zei niet dat ik een van die dwazen ben die denken dat ze achter alles zitten wat er mis is. De koningin steunt Elaida en de garde staat voor de koningin. Het Licht geve dat de dingen niet zo slecht worden dat dat verandert. In ieder geval, de laatste tijd hebben enkele gardisten hun plaats vergeten en hebben ze hardhandig opgetreden tegen mensen die ze over Aes Sedai hoorden klagen. Niet in diensttijd, het Licht zij dank, maar het is wel gebeurd. Ik wil geen gardisten op verlof die de gelagkamer klein slaan om jullie een lesje te leren en ik wil geen Witmantels die iemand aansporen de Drakentand op mijn voordeur te schilderen. Dus als jullie hulp van mij willen, houd dan je gedachten over Aes Sedai voor je, of ze nou goed zijn of slecht.’ Hij zweeg nadenkend en voegde eraan toe: ‘Misschien is het beter dat je ook Thoms naam niet noemt als een ander het kan horen. Sommige gardisten hebben een goed geheugen, net als de koningin. We hoeven geen risico te nemen.’