Выбрать главу

Rhand richtte zich weer op zijn eten, maar hij zag dat Mart niet verder at. ‘Ik dacht dat je honger had’ zei hij. Mart bleef naar zijn bord staren en duwde met zijn vork een stuk aardappel in een cirkel over het bord. ‘Je moet eten, Mart. We hebben het nodig om kracht op te doen als we Tar Valon willen bereiken’

Mart liet een zacht, verbitterd gelach horen. ‘Tar Valon! De hele tijd is het Caemlin geweest. Moiraine zou in Caemlin op ons wachten. We zouden Perijn en Egwene in Caemlin vinden. Alles komt in orde als we maar eenmaal in Caemlin zijn. Nou, we zijn nu in Caemlin en er is niks in orde. Geen Moiraine, geen Perijn, niemand. Nu zal alles in orde zijn, als we Tar Valon maar weten te bereiken’

‘We leven nog’ zei Rhand, scherper dan hij had bedoeld. Hij haalde diep adem en probeerde het wat vriendelijker te laten klinken. ‘We leven nog. Dat is al heel wat. En ik ben van plan in leven te blijven. Ik ben van plan uit te zoeken waarom wij zo belangrijk zijn. Ik geef het niet op.’

‘Zoveel mensen en ieder kan een Duistervriend zijn. Baas Gil beloofde wel verschrikkelijk snel ons te helpen. Wat voor man doet Aes Sedai en Duistervrienden af met een schouderophalen? Het klopt gewoon niet. Ieder fatsoenlijk mens zou zeggen dat we moeten maken dat we wegkwamen, of... of... of zoiets.’

‘Eet nou maar’ zei Rhand vriendelijk en hij keek hem aan tot Mart op een stuk vlees begon te kauwen.

Hij liet zijn eigen handen lang naast zijn bord liggen en drukte ze stevig op het tafelblad om ze niet te laten beven. Hij was bang. Niet voor baas Gil natuurlijk, maar er waren genoeg andere dingen. Die hoge stadsmuren zouden een Schim niet tegenhouden. Misschien moest hij het de herbergier zeggen. Maar stel dat Gil het geloofde, zou hij dan nog willen helpen als hij dacht dat een Schim in De Koninginnezegen kon verschijnen? En de ratten. Misschien ging het ratten inderdaad goed wanneer er veel mensen waren, maar hij dacht terug aan de droom die geen droom was, in Baerlon, en hoorde weer een kleine ruggengraat knappen. Soms gebruikt de Duistere aasvreters als zijn ogen. Lan had dat gezegd. Raven, kraaien, ratten...

Hij at door, maar toen hij klaar was, kon hij zich niet herinneren wat hij gegeten had.

Een dienstmeid, degene die kandelaars poetste toen ze binnenkwamen, bracht hen naar de zolderkamer. Er was een uitbouw aangebracht in de schuine buitenmuur, met aan weerszijden een bed. Naast de deur zaten haken waaraan ze hun kleren konden ophangen. Het meisje met de donkere ogen had de neiging haar rok te laten zwieren en te giechelen als ze naar Rhand keek. Ze was leuk, maar hij wist dat hij zichzelf voor gek zou zetten als hij iets tegen haar zei. Hij wilde dat hij even gemakkelijk als Perijn met meisjes kon omgaan en was blij toen ze wegging.

Hij verwachtte wat pesterige opmerkingen van Mart, maar ze was nog niet weg of Mart liet zich met kleren en al op een bed vallen en ging met zijn gezicht naar de muur liggen.

Rhand hing zijn spullen op en keek naar Marts rug. Hij meende dat Mart zijn hand onder zijn mantel had en zijn dolk weer vastklemde. ‘Blijf je hier gewoon liggen om je te verstoppen?’ vroeg hij ten slotte.

‘Ik ben moe,’ mompelde Mart.

‘We moeten baas Gil nog meer vragen. Hij zou ons misschien zelfs kunnen vertellen hoe we Egwene en Perijn kunnen vinden. Als het hun gelukt is bij hun paarden te blijven, zouden ze al in Caemlin kunnen zijn.’

‘Ze zijn dood,’ zei Mart tegen de muur.

Rhand weifelde even en gaf het toen op. Hij sloot de deur zachtjes achter zich en hoopte dat Mart echt zou slapen.

Toen hij beneden was, bleek baas Gil onvindbaar, hoewel de scherpe ogen van de kokkin duidelijk maakten dat zij de baas eveneens zocht. Een tijdlang bleef Rhand in de gelagkamer zitten, waar hij iedere nieuwe klant opnam; elke vreemdeling kon iedereen zijn – of iets – vooral op het moment dat de binnenkomer slechts een zwartgemantelde gestalte in de deuropening was. Een Schim in het vertrek zou net een vos in een kippenren zijn.

Een gardist kwam binnen. De man in het rode uniform bleef net binnen de deuropening staan en keek koel naar degenen in het vertrek die duidelijk van buiten de stad waren. Rhand keek aandachtig naar het tafelblad toen de ogen van de gardist op hem vielen; toen hij weer opkeek, was de man verdwenen.

Het meisje met de donkere ogen kwam langs, met haar armen vol handdoeken. ‘Dat doen ze soms,’ zei ze vertrouwelijk. ‘Gewoon om te kijken of er geen moeilijkheden zijn. Ze zorgen inderdaad goed voor het volk van de koningin. Niets om je zorgen over te maken.’ Ze giechelde.

Rhand schudde zijn hoofd. Niets om zich zorgen over te maken. Niet dat de gardist naar hem toe was gekomen om te vragen of hij Thom Merrilin kende. Hij werd al even erg als Mart. Hij schoof zijn stoel achteruit.

Een ander meisje keek de muurlampen na om te zien of er nog genoeg olie in zat.

‘Is er een ander vertrek waarin ik zou kunnen zitten?’ vroeg hij. Hij wilde niet naar boven om zich op te sluiten met Marts norse geslotenheid. ‘Misschien een aparte eetkamer die niet wordt gebruikt?’

‘Er is een boekenkamer.’ Ze wees naar een deur. ‘Daardoor, rechtsaf, aan het eind van de gang. Zal op dit uur wel leeg zijn.’

‘Dank je. Als je baas Gil ziet, kun je hem dan zeggen dat Rhand Altor hem graag wil spreken als hij even tijd heeft?’

‘Ik zal het hem zeggen,’ zei ze, en ze grinnikte toen. ‘De kokkin wil hem ook spreken.’

De herbergier had zich waarschijnlijk verstopt, dacht hij terwijl hij naar de aangewezen deur liep.

Toen hij de kamer binnenstapte die ze hem had gewezen, bleef hij met open mond staan staren. Op de planken moesten wel driehonderd, vierhonderd boeken staan, meer dan hij ooit bij elkaar had gezien. Boeken met stofomslagen, met leren omslagen, met vergulde ruggen. Slechts enkele boeken hadden houten omslagen. Zijn ogen proefden de titels, zochten naar oude lievelingsboeken. De reizen van Jaim Kimstapper. De lessen van Willim van Maneches. Hij hield zijn adem in toen hij een in leer gebonden exemplaar zag van Mijn reizen met het Zeevolk. Tham had dat altijd al willen lezen.

Hij stelde zich Tham voor, hoe die het boek met een glimlach om en om zou draaien, het van zijn ene in zijn andere hand zou laten overgaan, het zou voelen voor hij lekker bij de haard ging zitten, een pijp zou aansteken en het zou gaan lezen. Zijn eigen hand greep het zwaardgevest steviger vast, met een gevoel van verlies en leegte dat elk plezier om die vele boeken onderdrukte.

Achter hem werd een keel geschraapt en opeens besefte hij dat hij niet alleen was. Hij draaide zich om en wilde zich voor zijn onbeleefdheid verontschuldigen. Hij was eraan gewend dat hij langer was dan vrijwel iedereen die hij ontmoette, maar deze keer keek hij omhoog en omhoog en omhoog, en zijn mond viel open. Eindelijk zag hij een hoofd, dat vrijwel tot het tien voet hoge plafond reikte. Een neus zo breed als het gezicht, zo breed dat het meer een snoet was dan een neus. Wenkbrauwen die als staarten omlaag hingen, rond bleke ogen zo groot als kopjes. Spitse oren met pluimpuntjes tussen ruige zwarte manen. Trollok! Hij slaakte een kreet en probeerde achteruit te stappen en zijn zwaard te trekken. Hij bleef met zijn voet ergens achter haken en viel met een plof op de grond.

‘Ik wenste dat jullie mensen dat niet deden,’ rommelde een stem even diep als een trommel. De pluimoren bewogen hevig en de stem werd droevig. ‘Zo weinig mensen herinneren zich ons. Het is onze eigen schuld, veronderstel ik. Slechts weinigen van ons zijn naar buiten gekomen sinds de Schaduw over de saidinwegen viel. Dat is nu... o, zes generaties geleden. Vlak na de Oorlog van de Honderd Jaren, inderdaad.’ Het ruige hoofd schudde en liet een zucht horen die een stier niet misstaan zou hebben. ‘Te lang, te lang, en zo weinigen reizen en zien, het zouden er net zo goed geen geweest kunnen zijn.’