Rhand bleef met open mond zitten en staarde naar deze verschijning, met zijn brede, platte, kniehoge laarzen. Zijn donkerblauwe jas was dichtgeknoopt van hals tot middel en liep uit tot aan de rand van zijn laarzen, als een gewaad over een wijde broek. In één hand lag een boek, klein in vergelijking, dat werd opengehouden door een vinger die dik genoeg was voor drie.
‘Ik dacht dat u...’ begon hij en hield zich net op tijd in. ‘Wat bent...’ Dat was niet veel beter. Hij stond op en stak een behoedzame hand uit. ‘Ik heet Rhand Altor.’
Een hand zo groot als een ham sloot zich om de zijne; het gebaar ging vergezeld van een formele buiging. ‘Loial, zoon van Arent, zoon van Halan. Uw naam zingt in mijn oren, Rhand Altor’
Dat klonk als een rituele begroeting. Hij boog op zijn beurt. ‘Uw naam zingt in mijn oren, Loial, zoon van Arent... eh... zoon van Halan.’
Het leek allemaal wat onwezenlijk. Hij wist nog steeds niet wat Loial was. De greep van Loials enorme vingers was verrassend zacht, maar hij voelde zich wel opgelucht toen hij zijn hand onbeschadigd terugkreeg.
‘Jullie mensen zijn zo snel opgewonden,’ zei Loial met die rommelende bas. ‘Ik had alle verhalen natuurlijk gehoord en de boeken gelezen, maar ik had het niet beseft. Op mijn eerste dag in Caemlin kon ik niet geloven dat er zo’n opschudding ontstond. Kinderen huilden en vrouwen gilden en een menigte heeft me dwars door de stad achternagezeten, zwaaiend met knuppels en messen en fakkels, en maar “Trollok!” schreeuwend. Ik raakte er bijna van overstuur. Moeilijk te zeggen wat er gebeurd zou zijn als de koninginnegarde niet was opgedaagd.’
‘Gelukkig maar,’ zei Rhand zwakjes.
‘Ja, maar de gardisten leken bijna even bang voor mij als de anderen. Ik ben nu vier dagen in Caemlin en ik heb mijn neus nog niet buiten de herberg kunnen steken. De goede baas Gil vroeg me zelfs de gelagkamer niet te gebruiken.’ Zijn oren wipten. ‘Niet dat hij niet uiterst gastvrij is geweest, begrijp me goed. Maar er waren wat problemen die eerste avond. Alle mensen leken tegelijk weg te willen. Wat een gegil en geschreeuw! Iedereen probeerde op hetzelfde moment door de deur te gaan. Sommigen hadden zich kunnen bezeren.’
Rhand staarde geboeid naar zijn wippende oren.
‘Ik wil je wel zeggen dat ik niet hiervoor de stedding heb verlaten.’
‘U bent een Ogier!’ riep Rhand uit. ‘Wacht eens. Zes generaties? U zei iets over de Oorlog van de Honderd Jaren! Hoe oud bent u?’ Zodra hij het had gevraagd, wist hij dat het onbeleefd was, maar Loial werd eerder wat schuw dan beledigd.
‘Negentig jaar,’ zei de Ogier stijfjes. ‘Nog maar tien jaar tot ik in staat zal zijn de Stomp toe te spreken. Ik denk dat de Ouderen me hadden moeten laten spreken, aangezien zij zouden besluiten of ik mocht weggaan, of niet. Maar ze maken zich altijd bezorgd over iedereen die naar Buiten gaat, oud of niet. Jullie mensen zijn zo haastig, zo veranderlijk.’ Hij knipperde met zijn ogen en maakte een korte buiging. ‘Vergeef me, alstublieft. Ik had dat niet mogen zeggen. Maar jullie vechten wel voortdurend, zelfs als het niet hoeft.’
‘O, dat geeft niet,’ zei Rhand. Hij probeerde nog steeds aan Loials leeftijd te wennen. Ouder dan de oude Cen Buin en nog steeds niet oud genoeg om... Hij ging zitten in een van de stoelen met de hoge ruggen. Loial nam een andere, eentje waar wel twee mensen in konden, en vulde die helemaal. Zittend was hij even groot als iemand die stond. Ze hebben u tenminste laten gaan.’
Loial keek naar de vloer, trok zijn neus op en wreef er met een dikke vinger over. Tja, wat dat betreft, nou ja. Zie je, de Stomp was nog niet lang bijeen, nog geen jaar, maar uit wat ik hoorde, kon ik opmaken dat ik tegen de tijd dat ze een besluit hadden genomen, oud genoeg zou zijn om zonder hun instemming te vertrekken. Ik ben bang dat ze zullen zeggen dat ik een lange steel aan mijn bijl heb bevestigd, maar het was gewoon... ik ben weggegaan. De Ouderen zeiden altijd dat ik te heethoofdig was en ik vrees dat ik hun gelijk heb bewezen. Ik vraag me af of ze al beseft hebben dat ik ben vertrokken.
Maar ik moest gaan.’
Rhand beet op zijn lippen om niet te gaan lachen. Als Loial een heethoofdige Ogier was, dan kon hij zich voorstellen hoe de meeste Ogier waren. Waren nog niet zo lang aan het vergaderen, nog geen jaar?
Meester Alveren zou stomverbaasd zijn hoofd schudden. Als een bijeenkomst van de dorpsraad een halve dag duurde, zou iedereen het heen en weer krijgen, zelfs Haral Lohan. Een golf heimwee overspoelde hem en benam hem bijna de adem toen hij dacht aan Tham, Egwene, De Wijnbron en Beltije op de Brink in gelukkiger dagen. Hij onderdrukte zijn herinneringen.
‘Neem me niet kwalijk dat ik het vraag,’ zei hij, en hij kuchte even. ‘Waarom wilde u zo graag naar... Buiten? Zelf wou ik dat ik nooit van huis was gegaan.’
‘Wat? Nou, om te zien,’ zei Loial, alsof dat de duidelijkste zaak van de wereld was. ‘Ik las de boeken, alle verslagen van reizigers, en het begon in me te branden dat ik moest zien, niet alleen lezen.’ Zijn bleke ogen straalden en zijn oren stonden stijf rechtop, ‘ik heb iedere snipper gelezen die ik kon vinden over reizen, over de saidinwegen, over de gebruiken in mensenlanden en de steden die wij voor jullie mensen hebben gebouwd na het Breken van de Wereld. En hoe meer ik las, hoe beter ik wist dat ik naar Buiten, naar die plaatsen, moest gaan waar we waren geweest en de gaarden zelf moest bekijken.’
Rhand zette grote ogen op. ‘Gaarden?’
‘Ja, de gaarden. De bomen. Slechts enkele van de Grote Bomen, natuurlijk, die hemelhoog rijzen om de herinnering aan de stedding levend te houden’ Zijn stoel kreunde toen hij met beide handen gebarend vooroverleunde, waarvan een nog steeds het boek vasthield. Zijn ogen werden steeds glanzender en zijn oren trilden bijna. ‘Meestal gebruikten ze de bomen van het land en de plaats, je kunt het land zich niet tegen zichzelf laten keren. Niet voor lang, het land komt in opstand. Je moet je inzicht vormen naar het land, niet het land naar het inzicht. In iedere gaarde werd elke boom geplant die op die piek zou groeien en gedijen, elk in evenwicht met de volgende, elk geplant om de andere aan te vullen, voor de beste groei natuurlijk, maar ook zo dat het evenwicht zou zingen in het oog en het hart. Ach, de boeken spreken van gaarden die Ouderen lieten huilen en lachen tegelijk, gaarden die in de herinnering voor eeuwig groen bleven.’
‘Hoe staat het met de steden?’ vroeg Rhand. Loial keek hem verbaasd aan. ‘De steden. De steden die de Ogier bouwden. Hier bijvoorbeeld. Caemlin. Ogier hebben Caemlin toch gebouwd? De verhalen zeggen dat.’
‘Werken met steen...’ Loial haalde zijn geweldige schouders op. ‘Dat was slechts iets wat in de jaren na het Breken werd geleerd, tijdens de Ballingschap, toen we nog steeds probeerden de stedding te hervinden. Het is best mooi, denk ik, maar niet het ware. Hoe je ook je best doet – en ik heb gelezen dat de Ogier die deze steden bouwden het echt hebben geprobeerd – je kunt steen niet laten leven. Enkelen werken nog wel met steen, maar alleen omdat jullie mensen met jullie oorlogen de gebouwen zo vaak beschadigen. Er was een handvol Ogier in... eh... Cairhien wordt het nu genoemd... toen ik er was. Ze waren gelukkig van een andere stedding, dus wisten ze niets van mij, maar ze waren toch achterdochtig dat ik zo jong al alleen Buiten was. Ik veronderstel dat het maar goed is dat er voor mij geen reden was om daar te blijven rondhangen. In ieder geval, zie je, werken met steen is gewoon iets wat ons door het weven van het Patroon werd toegeworpen; de gaarden kwamen uit het hart.’
Rhand schudde zijn hoofd. De helft van de verhalen die hij kende, had Loial net op hun kop gezet. ‘Ik wist niet dat Ogier geloofden in het Patroon, Loial.’