Выбрать главу

Rhand schonk haar een zure grijns. ‘Ik heb niks rondverteld, Egwene. Maar ik zag wat ik heb gezien en het was geen boer die naar een verdwaalde koe zocht.’

Egwene haalde diep adem en opende haar mond om iets te zeggen toen de deur van de herberg openging en een man met pluizig wit haar zich naar buiten haastte, alsof hij werd achtervolgd.

4

De speelman

De deur van de herberg bonsde dicht achter de witharige man, die zich meteen nijdig omdraaide. Hij was mager en zou zonder zijn kromme rug lang zijn geweest. De vlugge manier waarop hij zich bewoog, leek niet te passen bij zijn leeftijd. Zijn mantel leek helemaal uit kleurige lapjes te bestaan, in allerlei vreemde vormen en maten, die bij ieder zuchtje wind opfladderden. Ondanks hetgeen meester Alveren had gezegd, zag Rhand dat de mantel vrij dik was. De lapjes waren er slechts als versiering opgenaaid.

‘De speelman,’ fluisterde Egwene opgewonden.

De witharige man draaide zich weer met flapperende mantel om. Zijn lange jas had vreemde, ruime mouwen en grote zakken. Een dikke snor, even sneeuwwit als het haar op zijn hoold, trilde rond zijn mond en zijn gezicht was even verweerd als een eeuwenoude boom. Met zijn lange, rijkversierde pijp waaruit een sliertje rook kringelde, maakte hij een gebiedend gebaar naar Rhand en de anderen. Blauwe ogen tuurden vanonder harige witte wenkbrauwen en boorden zich in alles waarnaar hij keek.

Rhand staarde strak naar de ogen van de man. In Tweewater had iedereen donkere ogen, net als de meeste kooplieden en hun lijfwachten, net als trouwens iedereen die hij ooit had ontmoet. De Kongars en Kopins hadden hem om zijn grijze ogen uitgelachen, tot de dag dat hij Ewal Kopin eindelijk een dreun op zijn neus had verkocht. De Wijsheid had hem daarover stevig onderhouden. Hij vroeg zich af of er een streek was waar niemand donkere ogen had. Misschien komt Lan ook uit zo’n streek.

‘Wat is dit voor dorp?’ vroeg de speelman bars. Hij had een diepe stem, die op de een of andere manier gebiedender klonk dan de stem van een gewone sterveling. Zelfs hierbuiten leek de stem een grote zaal te vullen en van de muren terug te kaatsen. ‘Die grappenmakers in dat dorp op de heuvel zeiden me dat ik hier voor donker kon zijn, maar vergaten te zeggen dat dat alleen lukte als ik vroeg in de morgen vertrok. En als ik eindelijk hier aankom, verkleumd tot op het bot en verlangend naar een warm bed, moppert jullie herbergier over te laat komen, alsof ik een zwervende varkenshoeder ben en jullie dorpsraad mij niet heeft gesmeekt mijn kunsten op dat feest van jullie te vertonen. En hij heeft me niet één keer gezegd dat hij ook de dorpsmeester is.’ Hij zweeg om adem te halen, nam hen allen in één oogopslag op, en ging meteen weer door: ‘Toen ik beneden kwam voor een pijpje bij het vuur en een pul bier, staarde iedere kerel in de gelagkamer me aan alsof ik hun vervelende zwager was die geld kwam lenen. Een ouwe opa begint tegen me te ratelen over het soort verhalen dat ik wel of niet behoor te vertellen, vervolgens schreeuwt een kindvrouwtje tegen me dat ik op moet donderen en bedreigt me met een grote knuppel als ik niet snel genoeg zou doorlopen. Dat heb ik nog nooit meegemaakt, dat een speelman zo wordt behandeld’

Egwenes gezicht was het aankijken waard. Haar opengesperde ogen waren een en al verbijstering door de aanblik van een echte speelman, en tegelijk verward door haar verlangen om Nynaeve te verdedigen.

‘Neemt u me niet kwalijk, meester speelman’ zei Rhand. Hij besefte dat hij ook dwaas stond te grijnzen. ‘Dat was onze Wijsheid en...’

‘Dat knappe opdondertje van een meisje?’ riep de speelman uit. ‘Een Dorpswijsheid? Nee maar, op haar leeftijd kan ze beter gaan vrijen met de jongelui dan het weer voorspellen en de zieken genezen.’

Rhand voelde zich niet op zijn gemak. Hij hoopte dat Nynaeve nooit zou horen wat de man van haar vond. Tenminste niet voordat hij had opgetreden. Perijn kromp bij de woorden van de speelman in elkaar en Mart floot geluidloos alsof ze beiden hetzelfde dachten als hij.

‘De mannen waren van de dorpsraad’ ging Rhand verder. ‘Ik weet zeker dat ze niet onbeleefd wilden zijn. Ziet u, we hebben net gehoord dat er oorlog is in Geldan en dat een man beweert de Herrezen Draak te zijn. Een valse Draak. Aes Sedai uit Tar Valon rijden erheen. De raad probeert te beslissen of we hier in gevaar verkeren.’

‘Oud nieuws, zelfs in Baerlon,’ zei de speelman verachtelijk, ‘en dat is wel de laatste plaats ter wereld waar je iets hoort.’ Hij zweeg, keek het dorp rond en voegde er droogjes aan toe: ‘De op één na laatste plaats.’ Toen vielen zijn ogen op de wagen voor de herberg, die er verlaten bij stond. ‘Ik dacht al dat ik daarbinnen Padan Fajin herkende.’ Zijn stem was nog diep, maar de galm was verdwenen en vervangen door hoon. ‘Fajin is altijd al een rappe onheilsbode geweest en hoe slechter, hoe sneller. Hij lijkt meer op een zwarte raaf dan op een man.’

‘Baas Fajin is vaak in Emondsveld geweest,’ zei Egwene terwijl er eindelijk iets van afkeuring in haar opgetogenheid doorklonk. ‘Hij lacht graag en vaak en brengt veel meer goed nieuws dan slecht.’

De speelman schonk haar een korte blik en glimlachte toen weer breeduit. ‘Nee maar, jij bent een lief ding. Je zou rozenknoppen in je haar moeten dragen. Jammer genoeg kan ik geen rozen uit de lucht plukken, tenminste niet dit jaar, maar hoe zou je het vinden om morgen naast me te staan bij mijn optreden? Mij de fluit aangeven als ik die wil en wat andere dingetjes. Ik laat altijd het mooiste meisje helpen’

Perijn grijnsde en Mart, die had staan grinniken, lachte nu hardop. Rhands ogen knipperden verrast; Egwene stond hem kwaad aan te kijken en hij had niet eens geglimlacht. Ze richtte zich op, draaide zich om en zei al te kalm: ‘Dank u, meester speelman. Ik wil u met alle genoegen bijstaan.’

‘Thom Merrilin,’ zei de speelman. Ze staarden hem aan. ‘Mijn naam is Thom Merrilin, niet meester speelman.’ Hij hees de veelkleurige mantel verder over zijn schouders en opeens schalde zijn stem weer alsof hij in een grote zaal stond. ‘Eens was ik hofbard, en hoewel ik nu gestegen ben tot de verheven rang van meestér-speelman, blijft mijn naam toch simpel Thom Merrilin en speelman is de eenvoudige titel waar ik me mee tooi.’ En hij maakte zo’n ingewikkelde buiging met zijn zwierige mantel dat Mart klapte en Egwene waarderend mompelde.

‘Meester... eh... baas Merrilin,’ zei Mart, onzeker over de juiste aanspreekvorm na alles wat Thom Merrilin had gezegd, ‘wat is er gaande in Geldan? Weet u iets van de valse Draak? Of van de Aes Sedai?’

‘Zie ik eruit als een marskramer, jongen?’ gromde de speelman terwijl hij zijn pijp uitklopte op de muis van zijn hand. Hij liet hem ergens in zijn mantel verdwijnen, of in zijn jas; Rhand wist niet zeker waar hij was gebleven. ‘Ik ben een speelman, geen nieuwsbode. En ik waak er zorgvuldig voor nooit iets van de Aes Sedai af te weten. Dat is veel veiliger.’

‘Maar de oorlog...’ begon Mart gretig, maar Thom Merrilin bracht hem tot zwijgen.

‘Jongen, in oorlogen doden dwazen andere dwazen om dwaasheden. Meer hoeft niemand te weten. Ik ben hier voor mijn kunst.’ Opeens wees hij naar Rhand. ‘Jij, kerel. Jij bent me een lange. Nog niet helemaal uitgegroeid, maar ik betwijfel of iemand anders in deze streek jouw lengte heeft. En er zijn er ook niet veel in dit dorp met jouw kleur ogen, wed ik. Het punt is, jij bent zo breed als een bijlsteel en even lang als een Aielman. Hoe heet je, kerel?’

Rhand gaf aarzelend zijn naam, onzeker of de man hem niet voor de gek hield, maar de speelman had zich al tot Perijn gewend. ‘En jij hebt haast dezelfde omvang als een Ogier. Bijna tenminste. Hoe heet jij?’

‘Pas als ik op mijn eigen schouders ga staan’ lachte Perijn. ‘Ik vrees dat Rhand en ik maar gewone mensen zijn, baas Merrilin, geen verzonnen schepsels uit uw verhalen. Ik ben Perijn Aybara’