De zwaardhand en de Aes Sedai waren al bijna tussen de bomen uit het zicht verdwenen toen ze achter hen aan ging. Ze haastte zich. Lan keek vaak naar haar om en gebaarde dat ze voort moest maken, maar hij bleef naast Moiraine rijden en de Aes Sedai bleef voor zich uit kijken.
Op een avond nadat ze de weg hadden verlaten, was het onzichtbare spoor verdwenen. Moiraine, de onverstoorbare Moiraine, kwam plotseling overeind bij het kleine kampvuur waar de theeketel op stond en haar ogen werden groot. ‘Het is weg,’ fluisterde ze voor zich heen.
‘Hij is...’ Nynaeve kon haar vraag niet afmaken. Licht, ik weet zelfs niet eens wie het is!
‘Hij is niet dood’ zei de Aes Sedai langzaam, ‘maar hij heeft het teken niet meer’ Ze ging zitten. Haar stem klonk vlak en haar handen waren rustig toen ze de ketel van het vuur nam en er een handvol thee in gooide. ‘In de ochtend houden we dezelfde richting aan. Als ik dichtbij ben, kan ik hem zonder munt vinden.’
Toen van het vuur nog slechts de kooltjes gloeiden, rolde Lan zich in zijn mantel en viel in slaap. Nynaeve kon niet slapen. Ze keek naar de Aes Sedai. Moiraine had haar ogen dicht, maar ze was rechtop blijven zitten en Nynaeve wist dat ze wakker was.
Lang nadat de laatste gloed van de kooltjes was gedoofd, deed Moiraine haar ogen open en keek haar aan. Ze kon de glimlach van de Aes Sedai voelen, zelfs in het donker. ‘Hij heeft de munt weer terug, Wijsheid. Alles komt in orde.’ Ze ging met een zucht op haar dekens liggen en viel bijna meteen in een diepe sluimer.
Het kostte Nynaeve veel tijd voor ze hetzelfde kon doen, ook al was ze erg moe. In haar hoofd tolden de ergste gedachten rond, hoeveel moeite ze ook deed er niet aan te denken. Alles komt in orde. Na Wittebrug kon ze zichzelf niet langer wijsmaken dat het zo gemakkelijk zou zijn.
Opeens werd Nynaeve met een schok uit haar herinneringen gerukt, terug naar de nacht; er lag een hand op haar arm. Ze smoorde de kreet die in haar keel opsteeg en greep naar het mes in haar gordel. Terwijl haar hand zich om het handvat sloot, besefte ze dat het Lans hand was.
De kap van zijn mantel was teruggeslagen, maar zijn verandermantel ging zo volkomen in het donker op, dat zijn gezicht als een losse, vage vlek in de nacht leek te hangen. De hand op haar arm leek zomaar uit het duister te komen.
Ze haalde bevend adem. Ze dacht dat hij zou opmerken hoe gemakkelijk hij ongemerkt bij haar had kunnen komen, maar in plaats daarvan deed hij een greep in zijn zadeltas. ‘Je bent nodig,’ zei hij en hij knielde neer om de paarden te kluisteren.
Zodra de paarden veilig waren vastgebonden, richtte hij zich op, greep haar hand en liep de nacht weer in. Zijn donkere haar was in de nacht even onzichtbaar als zijn mantel en hij maakte zelfs nog minder geluid dan zij. Met tegenzin moest ze toegeven dat ze hem nooit in het donker had kunnen volgen als zijn greep haar niet had geleid. Ze was er trouwens ook niet zeker van of ze zich los kon rukken, want hij had heel sterke handen.
Toen ze op een lage helling kwamen, amper een heuvel, zakte hij neer op een knie en trok haar mee omlaag. Het kostte haar een ogenblik om te zien dat Moiraine daar ook zat. De Aes Sedai bewoog zich niet en kon in haar donkere mantel voor een schaduw zijn doorgegaan. Lan maakte een gebaar naar beneden, naar een grote open plek tussen de bomen.
Nynaeve fronste in het vage maanlicht en glimlachte opeens omdat ze het begreep. Die bleke vlekken waren tenten, opgesteld in keurige rijen: een verduisterd kampement.
‘Witmantels,’ fluisterde Lan. Tweehonderd, misschien meer. Er is goed water daar beneden. En de jongen die we zoeken.’
‘In het kamp?’ Ze voelde meer dat Lan knikte dan dat ze het zag. ‘Er middenin. Moiraine kan hem zo aanwijzen. Ik kwam dichtbij genoeg om te zien dat hij wordt bewaakt.’
‘Een gevangene?’ vroeg Nynaeve. ‘Waarom?’
‘Ik weet het niet. De Kinderen zouden voor dorpsjongens geen belangstelling moeten hebben, tenzij er iets is wat hun achterdocht heeft opgewekt. Het Licht weet dat daarvoor niet veel nodig is, maar het verontrust me.’
‘Hoe ga je hem bevrijden?’ Pas toen hij haar even snel van opzij opnam, besefte ze hoezeer zij ervan overtuigd was dat hij een kamp van tweehonderd man kon binnendringen en met de jongen zou terugkomen. Nou, hij is een zwaardhand. Een paar van die verhalen moeten toch wel waar zijn.
Ze vroeg zich af of hij haar uitlachte, maar zijn stem klonk vlak en zakelijk. ‘Ik kan hem eruit halen, maar hij is waarschijnlijk niet in staat om weg te sluipen. Als we gezien worden, kunnen we tweehonderd Witmantels achter ons aan krijgen en moeten we tweemaal zo hard rijden. Tenzij ze het te druk hebben om ons te achtervolgen. Ben je bereid iets te wagen?’
‘Om een Emondsvelder te helpen? Natuurlijk! Wat moet ik doen?’
Hij wees in de duisternis achter de tenten. Ditmaal zag ze niets anders dan schaduwen. ‘Daar staan hun paarden. Als de touwen worden doorgesneden, niet helemaal, maar genoeg om te breken als Moiraine voor afleiding zorgt, zullen de Witmantels het te druk hebben met het vangen van hun paarden om achter ons aan te gaan. Aan die kant van het kamp staan twee wachten, voorbij de paarden, maar als je half zo goed bent als ik denk dat je bent, zullen ze je niet eens zien.’
Ze slikte hevig. Konijnen besluipen was één ding, maar bewakers met speren en zwaarden... Dus hij denkt dat ik goed ben, hè ‘ik doe het.’
Lan knikte weer, alsof hij niets anders had verwacht. ‘Nog iets. Er zijn vannacht wolven in de buurt. Ik heb er twee gezien en als ik er zoveel heb gezien, zijn er waarschijnlijk meer.’ Hij zweeg en hoewel zijn stem niet anders klonk, had ze het gevoel dat hij verbaasd was.
‘Het was haast alsof ze wilden dat ik hen zag. Nou ja, ze zullen je geen last bezorgen. Wolven blijven meestal uit de buurt van mensen.’
‘Dat heb ik nooit geweten,’ zei ze liefjes. ‘Maar ik ben dan ook opgegroeid tussen schaapherders.’ Hij gromde en ze glimlachte in het donker.
‘Goed, dan doen we het nu,’ zei hij.
Haar glimlach verdween toen ze omlaag tuurde naar het kamp vol gewapende mannen. Tweehonderd man met speren en zwaarden en...
Voor ze op andere gedachten kon komen, voelde ze even aan het mes in zijn schede en wilde wegglippen. Bijna meteen hield Moiraine haar tegen, in een greep die bijna net zo sterk was als die van Lan.
‘Wees voorzichtig,’ zei de Aes Sedai zachtjes. ‘Zodra je de touwen hebt doorgesneden, kom je zo snel mogelijk terug. Jij bent ook een deel van het Patroon en ik zou je niet aan dit gevaar blootstellen, net zo min als een van de anderen, als de hele wereld dezer dagen geen gevaar liep’
Nynaeve wreef voorzichtig over haar arm toen Moiraine haar liet gaan. Ze was niet van plan de Aes Sedai te laten merken dat haar greep pijn had gedaan. Maar Moiraine had zich afgewend om naar het kamp te kijken zodra ze Nynaeve had losgelaten. En de zwaardhand was weg, besefte de Wijsheid met een schok. Ze had hem niet horen weggaan. Het Licht verblinde die kerel! Vlug bond ze haar rokken op, om gemakkelijker te kunnen lopen, en haastte zich de nacht in.
Na het eerste snelle stuk, met gevallen takken die onder haar voeten kraakten, ging ze langzamer verder, blij dat niemand haar blos kon zien. Het idee was stil te zijn en ze was niet bezig zich te meten met de zwaardhand. O nee?
Ze liet de gedachte varen en richtte al haar aandacht op het vinden van een pad tussen de donkere bomen. Dat was op zich niet zo moeilijk; het zwakke licht van de afnemende maan was meer dan genoeg voor iedereen die het van haar vader had geleerd, en de grond liep vlak en geleidelijk af. Maar de bomen, kaal en scherp afstekend tegen de nachthemel, herinnerden haar er voortdurend aan dat dit geen kinderspelletje was, en de wind klonk als het gehuil van Trollokhoorns. Nu ze alleen was in de duisternis herinnerde ze zich dat de wolven, die gewoonlijk voor mensen wegrenden, zich deze winter in Tweewater anders hadden gedragen.