Toen ze eindelijk de lucht van paarden opving, srroomde opluchting als een warme gloed door haar heen. Ze hield bijna haar adem in, ging plat op haar buik liggen en kroop boven de wind verder, naar de paardenlucht.
Ze was bijna op de wachten gestoten voor ze hen uit de nacht zag aanstampen. De witte mantels wapperden in de wind en glansden haast in het maanlicht. Ze hadden net zo goed fakkels bij zich kunnen hebben, zo duidelijk waren ze zichtbaar. Ze verstarde en probeerde één met de grond te worden. Bijna vlak voor haar, op geen tien pas afstand, kwamen de Witmantels dof stampend tot stilstand en keken elkaar aan met hun speer over de schouder. Net achter hen kon ze schaduwen zien, dat moesten de paarden zijn. Er hing een sterke stallucht, van paarden en mest.
‘Alles is veilig in de nacht,’ kondigde een gestalte in de witte mantel aan. ‘Het Licht verlichte ons en bescherme ons tegen de Schaduw.’
‘Alles is veilig in de nacht,’ antwoordde de ander. ‘Het Licht verlichte ons en bescherme ons tegen de Schaduw.’
Daarna draaiden ze zich om en stampten weer weg, de duisternis in. Nynaeve wachtte en telde hoe lang hun rondgang duurde. Ze deed het tweemaal en beide keren duurde het precies hetzelfde aantal tellen, en iedere keer herhaalden ze steevast dezelfde aanroep, geen woord meer of minder. Geen van hen keek ook maar eenmaal opzij; ze staarden recht voor zich uit als ze kwamen aanstampen en stampten dan weer weg. Ze vroeg zich af of ze haar zouden hebben gezien, al ging ze staan.
Voordat de nacht de bleke, wapperende mantels voor de derde keer had opgeslokt, was ze al overeind en rende gebukt naar de paarden toe. Toen ze dichterbij kwam, liep ze trager om de dieren niet aan het schrikken te maken. De wachten van de Witmantels zagen misschien niet wat vlak onder hun neus lag, maar ze zouden zeker onderzoeken waarom de paarden opeens begonnen te hinniken.
De paarden aan de lijnen – er waren verschillende rijen – waren in de duisternis amper herkenbare vormen, met hangende hoofden. Zo nu en dan snoof of stampte er een in zijn slaap. In het vage maanlicht was ze bijna bij het eind van de lijn voor ze die zag. Ze wilde het touw pakken en bevroor toen het paard naast haar zijn hoofd ophief en haar aankeek. Zijn loopteugel was in een grote lus rond het duimdikke touw gewikkeld dat aan het paaltje vastzat. Eén keer hinniken. Haar hart probeerde uit haar lijf te bonzen; het klonk volgens haar luid genoeg om de wachten te alarmeren.
Ze bleef het paard aankijken, sneed in het duimdikke touw en voelde boven het lemmet hoever ze het al had doorgesneden. Het paard gooide zijn hoofd op en haar adem stokte. Maar één keertje hinniken. Slechts enkele dunne strengetjes hennep waren nog heel. Langzaam schoof ze door naar de volgende lijn; ze bleef het paard aankijken tot ze niet meer kon zien of het haar aankeek of niet en haalde toen beverig adem. Als ze allemaal zo waren, dacht ze niet dat ze het zou overleven.
Maar bij de volgende lijn, en de volgende, en de volgende, bleven de paarden slapen, zelfs toen ze zich een keer in haar duim sneed en een kreun moest onderdrukken. Ze zoog aan de snee en keek voorzichtig om naar de plek waar ze vandaan was gekomen. Ze was boven de wind en kon de woorden die de wachten wisselden niet meer volgen, maar ze hadden haar kunnen horen als ze op de juiste plek stonden. Als ze eraan kwamen om te zien waar dat geluid vandaan kwam, zou ze hen door de wind niet opmerken tot ze vlak bij haar stonden. Tijd om te gaan. Als vier van de vijf paarden losgeslagen zijn, zullen ze niemand achtervolgen.
Maar ze ging niet weg. Ze kon zich Lans ogen voorstellen als hij hoorde wat ze had gedaan. Er zou geen beschuldiging in liggen; ze had een goede reden en hij zou niets meer van haar verwachten. Ze was een Wijsheid, geen vervloekt grote onoverwinnelijke zwaardhand die zichzelf vrijwel onzichtbaar kon maken. Met opeengeklemde kaken schoof ze naar de laatste lijn. Het eerste paard dat eraan vaststond, was Bela.
Ze kon zich onmogelijk vergissen in die hoekige, ruige vorm, want nog zo’n paard hier zou wel al te toevallig zijn. Opeens was ze zó blij dat ze de laatste lijn niet had laten zitten dat ze stond te beven. Haar armen en benen trilden zo heftig, dat ze de lijn bijna niet durfde aanraken, maar haar gedachten waren even helder als de Wijnvloed. Wie van de jongens ook in het kamp was, Egwene was er ook. En als ze met z’n tweeën op een paard moesten zitten, zouden enkele Kinderen hen toch nog in kunnen halen, in hoeveel richtingen de paarden ook zouden weghollen, en sommigen van hen zouden sterven. Ze wist dat even zeker alsof ze naar de wind luisterde. Dat bezorgde haar een vlijmscherpe angst in haar maag, een vrees over hóé ze daar zo zeker van kon zijn. Dit had niets te maken met het weer, oogst en ziekte. Waarom beeft Moiraine me verteld dat ik de Kracht kan gebruiken? Waarom liet ze me niet met rust?
Vreemd genoeg stopte de angst het beven. Met handen die even vast waren alsof ze kruiden in haar eigen huis fijn wreef, sneed ze het touw net zo door als de vorige lijnen. Ze stak het mes terug in zijn schede en maakte Bela’s loopteugel los. De ruige merrie werd met een schok wakker, gooide haar hoofd op, maar Nynaeve streek over haar neus en fluisterde troostende woordjes in haar oor. Bela snoof kort en leek gerustgesteld.
Andere paarden aan die lijn waren ook wakker en keken naar haar. Ze dacht aan Mandarb en stak aarzelend haar hand uit naar het volgende teugeltouw, maar dat paard had geen bezwaren tegen een onbekende hand. Het leek eigenlijk wel of het ook een aai over de neus wilde, net als Bela. Ze greep Bela’s teugels stevig vast en draaide de andere om haar vrije pols, terwijl ze al die tijd zenuwachtig naar het kamp bleef kijken. De bleke tenten lagen maar dertig pas verder en ze kon er mannen tussen zien lopen. Als die zagen dat de paarden onrustig waren en kwamen kijken waardoor dat kwam...
Wanhopig wilde ze dat Moiraine niet wachtte tot ze terugkeerde. Wat de Aes Sedai ook ging doen, ze moest het nu doen. Licht, zorg dat ze het nu doet, voordat..
Opeens verbrijzelde een bliksemflits de nacht boven haar, een ogenblik de duisternis verdrijvend. Een donderslag deed haar oren tuiten en ze dacht dat haar knieën het zouden begeven toen een scherpe drietand van licht juist achter de paarden insloeg, waardoor aarde en stenen als een fontein omhoog werden gegooid. De klap van de openscheurende aarde wedijverde met de donderslag. De paarden werden gek van angst, gilden en sloegen wild rond, de lijnen knapten als garen op de plaats waar ze waren doorgesneden. Een tweede bliksemschicht flitste omlaag voor de eerste van hun netvlies verdwenen was.
Nynaeve had het te druk om ervandoor te gaan. Bij de eerste klap schoot Bela de ene kant op, terwijl het andere paard juist de andere kant op steigerde. Ze dacht dat haar armen uit hun kom werden getrokken. Een eindeloze minuut lang hing ze tussen de paarden, los van de grond. Haar schreeuw werd gesmoord door de tweede klap.
Opnieuw sloeg de bliksem toe, en opnieuw en opnieuw, terwijl het razende gebrul van de hemel bleef aanhouden. Omdat ze niet in de richting konden rennen die ze wilden, drongen de paarden naar achteren en viel ze neer. Ze wilde neerhurken op de grond en haar gemartelde schouders wrijven, maar daar was geen tijd voor. Bela en het andere paard botsten tegen haar aan, rolden wild met hun ogen tot alleen het wit zichtbaar was en dreigden haar om te stoten en te vertrappen. Op de een of andere manier kon ze haar armen omhoog krijgen, met haar handen Bela’s manen grijpen en zich op de rug van de hijgende merrie trekken. De andere teugel zat nog om haar pols gewikkeld en was diep in haar vlees gedrongen.
Haar mond viel open toen een lange grijze schaduw haar grauwend voorbijsnelde, haar en haar twee paarden leek te negeren, maar met klappende kaken naar de dolle beesten hapte die nu alle richtingen uitsprongen. Een tweede schaduw volgde er vlak achteraan. Nynaeve wilde opnieuw schreeuwen, maar er kwam geen enkel geluid uit haar keel. Wolven! Licht help me! Wat is Moiraine aan het doen?
De hielen die ze in Bela’s flanken begroef, waren niet nodig. De merrie rende al en het andere paard volgde maar al te graag. Het maakte niet uit waarheen, zolang ze maar konden rennen, zolang ze maar konden ontsnappen aan het vuur uit de hemel dat de nacht doodde.