Lan legde Egwenes hand in de zijne en Perijn greep met zijn vrije hand de bijl. Hij wilde maar dat de zwaardhand opschoot met hun ontsnapping, zodat hij zich niet meer met zijn wilde angstbeelden hoefde bezig te houden. Maar ze bleven gewoon staan, omringd door de tenten van de Kinderen, twee gestalten in witte mantels en een die je wel kon voelen maar niet kon zien.
‘Gauw,’ fluisterde Lan. ‘Heel gauw.’
Bliksem flitste door de nacht boven het kamp, zo dichtbij dat Perijn voelde dat elk haartje op zijn armen en hoofd rechtop ging staan terwijl de schicht de lucht doorkliefde. Net achter de tenten barstte de grond open van de inslag, die zich mengde met de slag in de lucht. Voor het licht verflauwde, trok Lan hen mee.
Bij hun eerste stap sneed een tweede flits door het zwart. De bliksem hagelde neer, zodat de nacht oplichtte alsof de duisternis steeds tussen het licht terugkwam. Donder roffelde wild; de ene slag ging rommelend over in de volgende, een aanhoudend, dreunend gegalm.
Door vrees bevangen paarden gilden, hun gehinnik onhoorbaar, behalve op die momenten dat de donder wegstierf. Mannen tuimelden hun tenten uit, sommigen in hun witte mantels en anderen slechts half gekleed, sommigen renden heen en weer en anderen stonden slechts verbijsterd stil.
Lan voerde hen hollend tussen de tenten door, Perijn vormde de achterhoede. Witmantels keken hen met schrikogen aan toen ze langskwamen. Enkelen schreeuwden hen iets toe, wat verloren ging in het gedonder, maar door hun witte mantels probeerde niemand hen tegen te houden. Tussen de tenten door, het kamp uit en de nacht in, en er was niemand die ook maar iets deed.
Perijn voelde de grond onder zijn voeten ongelijk worden en struiken sloegen tegen hem aan terwijl hij zich liet meetrekken. De bliksem flikkerde als bezeten en was verdwenen. Donder kaatste donker rond en rolde in de lucht voor hij wegstierf. Perijn keek om. Achter hem brandde een handvol vuren tussen de tenten. Enkele bliksemflitsen moesten daar zijn ingeslagen, of misschien hadden mannen in paniek hun lantaarns laten vallen. Er schreeuwden nog steeds mannen, iele stemmetjes in de nacht die trachtten de orde te herstellen en uit te zoeken wat er was gebeurd. Het land begon omhoog te lopen en ze lieten de tenten, de brandjes en het geschreeuw achter zich. Opeens trapte hij bijna op Egwenes hielen toen Lan bleef staan. Voor hen stonden drie paarden in het maanlicht.
Een schaduw bewoog en hij hoorde Moiraines stem, een en al ergernis. ‘Nynaeve is nog niet terug. Ik vrees dat die jongedame iets stoms heeft gedaan.’ Lan draaide zich snel om, alsof hij wilde terugkeren, maar een scherp ‘nee!’ van Moiraine hield hem tegen. Hij nam haar zijdelings op. Alleen zijn gezicht en handen waren zichtbaar, maar slechts als vage vlekken in de schaduw. Ze ging verder, op vriendelijker toon, maar even ferm. ‘Sommige dingen zijn belangrijker dan andere, je weet dat.’ De zwaardhand bewoog zich niet en haar stem verhardde zich. ‘Gedenk je eden, al’Lan Mandragoran, Heer van de Zeven Torens! Gedenk de eed van een Gekroonde Krijgsheer van de Malkieri!’
Perijn stond ervan te kijken. Was Lan dat allemaal? Egwene stond te mompelen, maar hij kon zijn ogen niet losrukken van het tafereel voor hem. Lan stond daar als een wolf van Vleks wolvenpak, een wolf die in het nauw was gebracht door de kleine Aes Sedai en die vergeefs probeerde aan zijn doem te ontsnappen.
Het verstilde moment werd verbroken door het gekraak van brekende takken in het bos. Met twee lange stappen was Lan tussen Moiraine en het geluid, terwijl het bleke maanlicht over zijn zwaard rimpelde. Op het gekraak en geknap van laag struikgewas volgden twee paarden, een ervan met een ruiter.
‘Bela!’ riep Egwene op hetzelfde moment dat Nynaeve op de rug van de merrie zei: ‘ik was bang dat ik jullie nooit meer terug zou vinden. Egwene! Licht zij dank, je bent in leven!’
Ze liet zich van Bela afglijden, maar toen ze op de Emondsvelders wilde afstormen, greep Lan haar arm. Ze bleef staan en keek naar hem op.
‘We moeten gaan, Lan,’ zei Moiraine. Ze klonk weer onverstoorbaar en de zwaardhand liet Nynaeve los.
Nynaeve wreef over haar arm terwijl ze zich naar Egwene haastte voor een omhelzing, maar Perijn dacht dat hij haar ook zacht hoorde lachen. Het verbaasde hem, omdat hij niet dacht dat het iets te maken had met haar blijdschap over hun weerzien.
‘Waar zijn Mart en Rhand?’ vroeg hij.
‘Elders,’ antwoordde Moiraine en Nynaeve mompelde iets wat Egwene naar adem deed snakken. Ook Perijn zette grote ogen op; hij had een deel van een wagenrijdersvloek opgevangen, en een grove ook. ‘Het Licht geve dat het goed met hen is,’ ging de Aes Sedai verder alsof ze niets had gehoord.
‘Het zal met geen van ons goed zijn,’ zei Lan, ‘als de Witmantels ons vinden. Trek jullie eigen mantel aan en stijg op.’
Perijn klom op het paard dat Nynaeve naast Bela had meegevoerd. Dat er geen zadel op zat, hinderde hem niet; thuis reed hij niet vaak, maar als dat wel gebeurde, was het vaker zonder dan met zadel. Hij had nog steeds de witte mantel hij zich, nu opgerold en aan zijn riem gebonden. De zwaardhand zei dat ze zo min mogelijk sporen voor de Witmantels moesten achterlaten. Perijn dacht nog steeds dat hij Byar kon ruiken.
Toen ze wegreden, ging de zwaardhand hen voor op zijn zwarte hengst. Perijn voelde hoe Vlek opnieuw zijn gedachten binnendrong. Ooit, op een dag. Meer een gevoel dan woorden, een zuchtende belofte van een voorbestemd weerzien, een afwachten van wat zou komen, een berusting in wat zou komen, dit alles overlapte elkaar. Hij probeerde te vragen wanneer en waarom, onhandig in zijn haast en plotselinge angst. Het spoor van de wolven werd zwakker, vervaagde. Op zijn onbesuisde vragen kwam telkens hetzelfde zwaarbeladen antwoord: ooit, op een dag. Het bleef in zijn geest rondspoken, lang nadat zijn besef van de wolven verdwenen was.
Lan zorgde ervoor dat ze langzaam maar gestaag naar het zuiden reden. De in duisternis gehulde wildernis – een en al golvende heuvels, struiken die waren verborgen tot ze vlak voor hen opdoemden en boomschaduwen die dik en zwart tegen de lucht afstaken – liet in ieder geval geen grote snelheid toe. Tweemaal verliet de zwaardhand hen om terug te rijden in de richting van de maansikkel. Mandarb en hij versmolten met de nacht achter hen. Beide keren kwam hij terug om te melden dat er geen achtervolgers te bekennen waren.
Egwene bleef vlak naast Nynaeve rijden. Af en toe dreef er wat zacht en opgewonden gepraat naar Perijn. De twee waren even opgetogen alsof ze weer thuis waren gekomen. Hij bleef aan de staart van hun kleine ruitergroep rijden. Soms draaide de Wijsheid zich om in haar zadel om naar hem te kijken en elke keer zwaaide hij even, alsof hij wilde zeggen dat alles met hem in orde was, maar hij bleef waar hij was. Hij had een heleboel om over na te denken, hoewel hij nog niets op een rijtje kon zetten. Wat nog zou komen. Wat kwam er nog meer?
Perijn dacht dat het vlak voor de dageraad was toen Moiraine eindelijk halt hield. Lan vond een lege bedding, waar hij een kampvuur in een oeverholte aanlegde.
Daar mochten ze zich eindelijk van hun witte mantels ontdoen. Die stopten ze in een gat dat vlak naast het vuur was gegraven. Net toen Perijn zijn witte mantel erin wilde gooien, viel zijn oog op de geborduurde gouden zon op de borst, met de twee gouden sterren eronder. Hij liet de mantel vallen alsof die hem had gestoken en terwijl hij zijn handen aan zijn eigen mantel afveegde, liep hij weg om zich van de anderen af te zonderen.
‘Zo,’ zei Egwene toen Lan het gat met aarde vulde, ‘wil iemand me misschien vertellen waar Rhand en Mart zijn?’
‘Ik geloof dat ze in Caemlin zijn,’ zei Moiraine zorgvuldig, ‘of op weg daarheen.’ Nynaeve gromde luid en minachtend, maar de Aes Sedai sprak verder of ze niet was onderbroken. ‘Als ze daar niet zijn, zal ik ze toch vinden. Dat beloof ik.’