Ze maakten een eenvoudig maal klaar van brood en kaas en dronken hete thee. Zelfs Egwenes geestdrift werd door haar vermoeidheid overwonnen. De Wijsheid pakte een zalfje uit haar tas voor de opgezette striemen op Egwenes polsen en nog een voor haar andere kneuzingen. Toen liep ze naar Perijn, aan de rand van het kampvuur, maar hij keek niet op.
Ze bleef hem zwijgend een tijdlang aankijken, zette toen haar tas naast zich neer en zei bruusk: ‘Doe je jas en je hemd uit, Perijn. Ik hoor dat een van de Witmantels jou niet mocht.’
Hij gehoorzaamde traag, nog steeds denkend aan Vleks boodschap, tot Nynaeve naar adem snakte. Geschrokken keek hij naar zijn eigen blote lijf. Het was bont en blauw; nieuwe paarse plekken bedekten oudere, die vervaagd waren tot allerlei tinten bruin en geel. Alleen zijn massieve spierlagen, die hij verworven had door de uren aan het smidsvuur van baas Lohan, hadden hem gebroken ribben bespaard. Omdat hij alleen aan de wolven had zitten denken, was het hem gelukt de pijn te vergeten, maar nu hij eraan werd herinnerd, keerde die duidelijk en maar al te graag terug. Onwillekeurig zuchtte hij diep en zijn op elkaar geklemde lippen hielden een kreun binnen.
‘Waarom had die man zo’n hekel aan jou?’ vroeg Nynaeve verbaasd.
Ik heb twee man gedood. Hardop zei hij: ‘ik weet het niet.’
Ze zocht in haar tas en hij kromp ineen toen ze een vettige zalf over zijn blauwe plekken smeerde. ‘Hondsdraf, zilverschoon en zonnewikkewortel,’ zei ze.
Het was tegelijk warm en koud. Hij rilde ervan, terwijl het zweet hem uitbrak, maar hij protesteerde niet. Hij had ervaring opgedaan met Nynaeves zalfjes en drankjes. Toen haar vingers het smeersel voorzichtig inwreven, verdwenen de hitte en kou en ze namen de pijn mee. De paarse plekken zwakten af tot bruin, de bruine en gele verbleekten, sommige verdwenen helemaal. Hij probeerde diep adem te halen; hij voelde amper nog iets.
‘Je kijkt verbaasd,’ zei Nynaeve. Ze keek zelf ook wat verbaasd en vreemd angstig. ‘De volgende keer ga je maar naar haar toe.’
‘Niet verbaasd,’ zei hij sussend, ‘gewoon blij.’ Soms werkten Nynaeves zalfjes snel en soms langzaam, maar ze werkten altijd. ‘Wat... wat is er met Rhand en Mart gebeurd?’
Nynaeve begon haar flesjes en potjes in haar tas terug te stoppen, ramde ze er stuk voor stuk in, alsof ze hen door een muur moest duwen. ‘Zij zegt dat het goed is met ze. Zij zegt dat we ze zullen vinden. Zij zegt in Caemlin. Zij zegt dat het te belangrijk voor ons is om ze niet te vinden, wat dat ook moge betekenen. Zij zegt een heleboel.’
Perijn grinnikte onwillekeurig. Wat er verder ook veranderd mocht zijn, de Wijsheid was nog steeds zichzelf en zij en de Aes Sedai waren nog steeds bepaald geen vriendinnen.
Opeens verstarde Nynaeve en staarde hem aan. Ze liet haar tas vallen en drukte met beide handen op zijn wangen en voorhoofd. Hij probeerde zich los te trekken, maar ze had zijn hoofd met beide handen vast en duwde met haar duimen zijn oogleden omhoog. Ze keek strak in zijn ogen en mompelde in zichzelf. Ondanks haar geringe lengte hield ze hem met gemak vast; het was nooit gemakkelijk aan Nynaeve te ontsnappen als ze dat niet wilde.
‘Ik begrijp het niet,’ zei ze eindelijk, liet hem los en ging op haar hurken voor hem zitten. ‘Als het geeloogkoorts was, zou je niet eens kunnen staan. Maar je hebt helemaal geen koorts en het wit van je ogen is niet eens geel. alleen de irissen.’
‘Geel?’ zei Moiraine, zodat Nynaeve en Perijn beiden opveerden. De Aes Sedai was geruisloos op hen toe gelopen, Egwene lag bij het vuur te slapen, zag Perijn, en had haar mantel om zich heen geslagen. Zijn eigen oogleden wilden ook dichtvallen.
‘Het is niets,’ zei hij, maar Moiraine legde haar hand onder zijn kin en duwde zijn gezicht omhoog, zodat ze hem in de ogen kon kijken zoals Nynaeve had gedaan. Hij rukte zich los en kreeg kippenvel. De twee vrouwen behandelden hem als een kind. ‘Ik zei dat het niets is.’
‘Dit viel niet te voorspellen.’ Moiraine sprak alsof ze hel tegen zichzelf had. Haar ogen leken naar iets achter hem te kijken. ‘Iets wat voorbestemd is om verweven te worden, of een verandering in het Patroon? En als het verandert, door wie? Het Rad weeft wat het Rad wil. Dat moet het zijn.’
‘Weet u wat het is?’ vroeg Nynaeve bedeesd en aarzelde toen. ‘Kunt u iets voor hem doen? Uw Heling?’ Haar verzoek om hulp, de erkenning dat zij niets kon doen, kostte haar de grootste moeite.
Perijn keek beide vrouwen woest aan. ‘Als jullie over mij gaan praten, praat dan tegen mij. Ik zit hier vlak voor jullie.’ Geen van beiden keek hem aan.
‘Heling?’ Moiraine glimlachte. ‘Heling kan hier niets aan verhelpen. Het is geen ziekte en het zal...’ Ze aarzelde kort. Toen wierp ze een blik op Perijn, een snelle blik die vele dingen betreurde. De blik was echter niet voor hem bedoeld en hij mopperde zuur toen ze zich tot Nynaeve wendde. ‘Ik wilde zeggen dat het hem niet zal schaden, maar wie kan zeggen hoe het einde zal zijn? Ik weet wel dat het hem niet rechtstreeks zal schaden.’
Nynaeve stond op, klopte haar rokken af en stelde zich vierkant voor de Aes Sedai op om haar recht in de ogen te kijken. ‘Dat is niet goed genoeg. Als er iets verkeerds...’
‘Wat is, is. Wat reeds is verweven, kan niet worden gewijzigd.’ Moiraine wendde zich opeens af. ‘We moeten slapen nu we dat kunnen en in het eerste ochtendlicht vertrekken. Als de hand van de Duistere te sterk wordt... We moeten zo snel mogelijk naar Caemlin.’
Nynaeve greep boos haar tas en liep weg voor Perijn iets kon zeggen. Hij wilde een vloek grommen, maar een gedachte trof hem als de bliksem en hij staarde verbijsterd voor zich uit. Moiraine wist het.
De Aes Sedai wist van de wolven. En zij dacht dat de Duistere het kon veroorzaken. Een huivering trok door hem heen. Haastig schoot hij weer in zijn hemd, stopte het onhandig in zijn broek en trok zijn jas en mantel aan. De kleren hielpen niet veel; hij voelde zich koud tot op zijn hotten, zijn merg was net bevroren pap.
Lan liet zich met gekruiste benen op de grond neervallen en schoof zijn mantel terug. Perijn was daar blij om. Het was niet prettig om naar de zwaardhand te kijken en hem maar half te zien.
Lang staarden ze elkaar alleen maar aan. De harde vlakken op het gezicht van de zwaardhand zeiden hem niets, maar in zijn ogen las Perijn... iets. Medeleven? Nieuwsgierigheid? Allebei?
‘Weet u het?’ zei hij en Lan knikte.
‘Ik weet iets, niet alles. Heeft het jou gewoon overvallen of heb je een gids ontmoet, een tussenpersoon?’
‘Er was een man,’ zei Perijn langzaam. Hij weet het, maar denkt hij hetzelfde als Moiraine? ‘Hij zei dat hij Elyas heette, Elyas Machera.’
Lan haalde diep adem en Perijn keek hem scherp aan. ‘Kent u hem?’
‘Ik heb hem gekend. Hij heeft me veel geleerd, over de Verwording en over dit.’ Lan raakte zijn zwaard aan. ‘Hij was een zwaardhand, voordat... voor wat er gebeurde. De Rode Ajah...’ Hij keek opzij naar Moiraine, die bij het vuur lag.
Het was voor het eerst, voor zover Perijn het zich kon herinneren, dat de zwaardhand onzeker was. In Shadar Logoth was Lan zeker en sterk geweest, en ook toen hij tegenover Schimmen en Trolloks stond. Hij was op dit moment niet bang – daar was Perijn van overtuigd – maar eerder behoedzaam, alsof hij te veel kon zeggen. Alsof wat hij zei gevaarlijk kon zijn.
‘Ik heb van de Rode Ajah gehoord,’ vertelde hij Lan.
‘En ongetwijfeld is het meeste daarvan onjuist. Zie je, er zijn... groeperingen binnen Tar Valon. Sommige bestrijden de Duistere op de ene manier, sommige op een andere manier. Het doel is hetzelfde, maar de verschillen... de verschillen kunnen betekenen dat er levens veranderen... of eindigen. De levens van mensen of naties. Maakt hij het goed. Elyas?’
‘Ik denk het wel. De Witmantels zeggen dat ze hem hebben gedood, maar Vlek...’ Perijn keek de zwaardhand onzeker aan. ‘Ik weet het niet.’ Lan leek met tegenzin te aanvaarden dat hij het niet wist en dat sterkte hem om verder te praten. ‘Dat praten met wolven. Moiraine schijnt te denken dat het iets is van... iets is van de Duistere. Dat is het niet, hè?’ Hij wilde gewoon niet geloven dat Elyas een Duistervriend was.