Выбрать главу

Maar Lan aarzelde en het zweet begon over Perijns voorhoofd te lopen, koude druppels die door de nacht nog kouder werden. Ze gleden over zijn wangen toen de zwaardhand eindelijk antwoord gaf.

‘Niet op zichzelf, nee. Sommigen geloven van wel, maar zij hebben het verkeerd; het was al oud en verloren gegaan voor de Duistere werd gevonden. Maar hoe staat het hier met het toeval, smid? Soms heeft het Patroon iets willekeurigs – in onze ogen tenminste – maar hoe groot is de kans dat je een man tegenkomt die jou hierin kan leiden en dat jij iemand bent die zijn leiding kan volgen? Het Patroon is een Groot Web aan het vormen, dat sommigen het Weefsel der Eeuwen noemen en jullie drieën staan in het middelpunt ervan. Ik denk niet dat er in jullie levens nog veel toeval is overgebleven. Zijn jullie dan uitverkoren? En als dat zo is, door het Licht of door de Schaduw?’

‘De Duistere kan ons niet aanraken tenzij we hem noemen.’ Meteen dacht Perijn aan de dromen met Ba’alzamon, de dromen die meer waren dan dromen. Hij wiste het zweet van zijn gezicht. ‘Dat kan hij niet.’

‘Keiharde koppigheid,’ peinsde de zwaardhand. ‘Misschien zo koppig dat jullie jezelf uiteindelijk zullen redden. Denk aan de tijden waarin we leven, smid. Denk aan wat Moiraine Sedai je heeft verteld. In deze tijden blijken vele zaken te vervluchtigen of in stukken te breken. Oude grenzen verzwakken, oude muren vergruizen. De grenzen tussen wat is en wat was, tussen wat is en wat zal komen.’ Zijn stem werd grimmig. ‘De kerkermuren van de Duistere. Dit zou het eind van een Eeuw kunnen zijn. We zouden de geboorte van een nieuwe Eeuw kunnen meemaken voor we sterven. Of misschien is dit het eind der Eeuwen, het eind van de tijd zelf. Het einde van de wereld.’ Opeens grijnsde hij, maar zijn grijns was woest; zijn ogen schitterden opgewekt, een lach aan de voet van de galg. ‘Maar daar hoeven wij ons geen zorgen over te maken, nietwaar smid? Wij zullen de Schaduw bestrijden zolang we ademen, en als die ons onder de voet loopt, gaan we bijtend en klauwend ten onder. Jullie uit Tweewater zijn te koppig om je over te geven. Maak je geen zorgen dat de Duistere zich in je leven heeft gemengd. Je bent nu weer onder vrienden. Bedenk, het Rad weeft wat het Rad wil, en zelfs de Duistere kan dat niet veranderen, niet zolang Moiraine over je waakt. Maar je vrienden kunnen we maar beter heel snel vinden.’

‘Wat bedoelt u?’

‘Zij hebben geen Aes Sedai die de Ware Bron kan aanraken om hen te beschermen. Misschien zijn de muren al zo verzwakt, smid, dat de Duistere zelf gebeurtenissen kan beïnvloeden. Niet vrijelijk, anders zou het al afgelopen zijn met ons, maar misschien kleine verschuivingen in de draden. Een toevallige keuze van een ander pad, een toevallige ontmoeting, een toevallig woord, of iets anders wat toevallig lijkt, en ze kunnen zo diep in de Schaduw verkeren dat zelfs Moiraine hen niet kan terughalen.’

‘Nou, dan moeten we ze vinden,’ zei Perijn, en de zwaardhand lachte grommend. ‘Wat heb ik allemaal gezegd? Ga slapen, smid.’ Lans mantel zwaaide weer om hem heen toen hij opstond. In het zwakke licht van de maan leek hij bijna een deel van de schaduwen achter hem. ‘We hebben nog enkele zware dagen te gaan voordat we Caemlin bereiken. Laten we hopen dat we hen daar vinden.’ ‘Maar Moiraine... ze kan hen overal vinden, toch? Ze zegt dat ze dat kan.’ ‘Maar kan ze hen op tijd vinden? Als de Duistere sterk genoeg is om iets te doen, hebben we weinig tijd meer. Bid dat we hen in Caemlin vinden, smid, of we zijn allemaal verloren.’

39

Het weven van het Web

Rhand keek neer op de menigte, vanuit het hoge raam van zijn kamer in De Koninginnezegen. De mensen holden schreeuwend door de straat en stroomden allemaal in dezelfde richting, zwaaiend met wimpels en vlaggen waarop een staande leeuw duizenden rode velden bewaakte. Caemliners en buitenmensen holden eendrachtig ergens heen en voor de verandering leek niemand andermans hoofd te willen inslaan. Misschien was er vandaag maar een partij.

Hij keerde zich grijnzend van het raam af. Afgezien van de dag waarop Egwene en Perijn naar binnen zouden lopen, levend en lachend over wat ze hadden gezien, was dit de dag waarnaar hij het meest had uitgezien.

‘Ga je mee?’ vroeg hij opnieuw.

Mart keek hem broeierig aan; hij lag opgerold in zijn bed. ‘Neem die Trollokvriend van je maar mee.’

‘Bloed en as, Mart. Hij is geen Trollok. Je bent weer eens bloed koppig. Hoe vaak wil je hier nog ruzie over maken? Licht, het lijkt wel of je nooit van Ogier hebt gehoord.’

‘Ik heb nooit gehoord dat ze op Trolloks lijken.’ Mart drukte zijn gezicht in het kussen en rolde zich verder op.

‘Bloedkoppig,’ mopperde Rhand. ‘Hoe lang blijf je je hier verstoppen? Ik blijf je eten niet al die trappen op slepen. En een bad kun je ook wel gebruiken.’ Mart schoof op het bed rond alsof hij zich nog dieper in wilde graven. Rhand zuchtte en liep toen naar de deur.

‘Laatste kans om samen te gaan. Mart. Ik ga nu weg.’ Hij deed langzaam de deur dicht en hoopte dat Mart van mening zou veranderen, maar zijn vriend bewoog niet. De deur klikte dicht.

In de gang zocht hij steun tegen de deurpost. Baas Gil had gezegd dat er twee straten verder een oude vrouw was, moeder Grub, die kruiden en smeerseltjes verkocht, als vroedvrouw optrad, de zieken verzorgde en de toekomst voorspelde. Het klonk een beetje alsof ze een Wijsheid was. Mart had Nynaeve nodig, of misschien Moiraine, maar moeder Grub was alles wat hij had. Maar haar naar De Koninginnezegen brengen – als ze al wilde komen – kon het verkeerde soort aandacht trekken, dat gold zowel voor haar als voor Mart en hem. Kruidendokters en haaghelers hielden zich momenteel koest in Caemlin; er gingen allerlei praatjes rond over degenen die zich met helen of voorspellen bezighielden, iedere nacht werd de Drakentand op talloze deuren gekrast, soms zelfs overdag. Als de kreet ‘Duistervriend’ klonk, waren de mensen geneigd te vergeten wie hen van hun koorts hadden genezen of hun kiespijn hadden laten verdwijnen. Zo was de sfeer in de stad.

Niet dat Mart echt ziek was. Hij at alles wat Rhand uit de keuken meebracht – maar hij wilde niets van een ander aanpakken – en hij klaagde nooit over pijn of koorts. Hij weigerde enkel de kamer uit te komen. Maar Rhand wist zeker dat het vandaag anders zou zijn. Hij verschikte zijn mantel en verschoof zijn zwaardgordel, zodat het zwaard met de rode stof meer door zijn mantel werd bedekt.

Onder aan de trap kwam hij baas Gil tegen, die net naar boven wilde gaan. ‘Er is iemand in de stad die jou loopt te zoeken.’ mompelde de herbergier langs zijn pijp. Hoop golfde in Rhand op. ‘Vraagt naar jou en die vrienden van je, met naam en al. Jullie jongens, tenminste. Lijkt erop dat hij jullie drieën het liefst wil vinden.’

Hoop ging over in zorg. ‘Wie?’ vroeg Rhand. Hij kon het nog steeds niet laten telkens de gang in te kijken. Op baas Gil en hem na was de gang verlaten, van de uitgang op de steeg tot de deur naar de gelagkamer.

‘Weet zijn naam niet. Heb net over hem gehoord. Uiteindelijk hoor ik vrijwel alles in Caemlin. Bedelaar.’ De herbergier gromde. ‘Half gek, hoor ik. Zelfs dan kan hij best de koninginnegave bij het paleis gaan vragen, zelfs nu alles zo moeilijk is. Op hoogtijdagen deelt de koningin die hoogstpersoonlijk uit en er wordt nooit iemand zonder reden weggestuurd. In Caemlin hoeft niemand te bedelen. Zelfs een man die gezocht wordt, kan niet in de ijzers worden geslagen terwijl hij de koninginnegave vraagt.’

‘Een Duistervriend?’ vroeg Rhand schoorvoetend. Als de Duistervrienden onze namen kennen...

‘Jouw hoofd barst van de Duistervrienden, jongeman. Zeker, ze zijn er, maar dat die Witmantels iedereen maar opporren, is nog geen reden om te denken dat de stad er vol mee zit. Weet je wat voor gerucht er nou weer door die idioten wordt verspreid? “Vreemde gestalten.” Zou je niet geloven, hè. Vreemde gestalten die ’s nachts buiten de stad rondsluipen.’ De herbergier grinnikte tot zijn buik ervan schudde.