Rhand was niet in de stemming om te lachen. Hijam Kins had het over vreemde gestalten gehad, en er was heel zeker een Schim geweest in dat dorp. ‘Wat voor gestalten?’
‘Wat voor? Ik weet het niet. Vreemde gestalten. Trolloks, waarschijnlijk. De Schaduwman. Lews Therin Verwantslachter zelf, vijftig voet lang, die terugkomt. Wat voor soort gestalten denk je dat mensen zich verbeelden nu het idee in hun kop zit? Daar hoeven we ons geen zorgen over te maken.’ Baas Gil nam hem even op. ‘Je gaat uit, hè? Nou, ik kan niet zeggen dat ik er veel om geef, zelfs vandaag niet, maar er is hier bijna niemand meer, behalve ik. Je vriend gaat niet mee?’
‘Mart voelt zich niet lekker. Misschien later.’
‘Nou. laat hem dan maar liggen. Maar kijk goed uit. Ook vandaag zijn de trouwe onderdanen van de koningin in de minderheid. Het Licht hale de dag dat ik dat nog mee moet maken. Je kunt het beste door de steeg weggaan. Aan de andere kant van de straat zitten twee van die Lichtverlaten verraders naar mijn herberg te loeren. Zij weten waar ik sta. bij het Licht.’
Rhand stak zijn hoofd naar buiten en keek beide kanten op voor hij de steeg in glipte. Een grote sterke kerel die baas Gil had ingehuurd, leunde bij het begin van de steeg op zijn lans en keek ogenschijnlijk zonder belangstelling naar de mensen die langs hem heen holden. Het was maar schijn, wist Rhand. De man – hij heette Langwin – zag alles vanonder zijn zware oogleden en ondanks zijn forse omvang kon hij zich als een kat bewegen. Hij vond ook dat koningin Morgase het vleesgeworden Licht was, of tenminste bijna. Er stond een tiental van deze mannen rond De Koninginnezegen.
Langwins oor bewoog toen Rhand door de steeg liep, maar hij bleef ongeïnteresseerd de straat inkijken. Rhand wist dat de man hem had gehoord.
‘Zorg vandaag dat je ogen in je achterhoofd hebt, man.’ Langwins stem klonk als grind in een pan. ‘Als er opstootjes komen, zou het handig zijn als je hier bent en niet ergens op straat ligt met een mes in je rug.’
Rhand wierp een blik op de vierkante man, maar hij was niet echt verbaasd. Hij had steeds geprobeerd het zwaard uit het zicht te houden, maar dit was niet de eerste keer dat een van de mannen van baas Gil aannam dat hij zijn mannetje wist te staan. Langwin keek niet om. De taak van de man was de herberg te bewaken, en dat deed hij.
Rhand schoof het zwaard een beetje verder onder zijn mantel en voegde zich in de stroom mensen. Hij zag de twee mannen die de herbergier had genoemd.
Ze stonden op omgekeerde tonnen aan de overkant van de herberg, zodat ze over de mensen heen konden kijken. Hij dacht niet dat ze hem uit de steeg hadden zien komen. Ze maakten geen geheim van hun loyaliteit. Ze hadden niet alleen hun zwaarden gewikkeld in wit met rood, maar droegen ook witte armbanden en witte pluimen op hun hoofddeksels.
Het had niet lang geduurd of hij had geleerd dat rode wikkels om een zwaard, of een rode armband of pluim, steun betekenden voor koningin Morgase. Wit gaf aan dat de band van de koningin met de Aes Sedai en Tar Valon de oorzaak was van alles war fout was gegaan. Voor het weer en de mislukte oogst. Misschien zelfs voor de valse Draak.
Hij wilde niet betrokken raken bij de politiek van Caemlin. Maar daar was het nu te laat voor. Niet alleen omdat hij al gekozen had – door toeval, maar het was gebeurd. De toestand in de stad was zo dat niemand zich nog afzijdig kon houden. Zelfs mensen van buiten droegen pluimen en armbanden of hadden hun zwaard omwikkeld, en er waren er meer die wit droegen dan rood. Misschien dachten sommigen helemaal niet zo, maar ze waren ver van huis en momenteel overheerste die mening in Caemlin. Mannen die de koningin steunden, gingen omwille van hun eigen veiligheid in groepen de straat op, als ze al uitgingen.
Maar vandaag was het anders. Oppervlakkig gezien dan. Vandaag vierde Caemlin een overwinning van het Licht op de Schaduw. Vandaag werd de valse Draak de stad binnengereden om aan de koningin te worden getoond voordat hij naar het noorden, naar Tar Valon, zou worden gebracht.
Niemand had het daar echter over. Niemand dan een Aes Sedai kon een man bedwingen die echt de Ene Kracht kon geleiden, natuurlijk niet, maar daarover wilde niemand praten. Het licht had de Schaduw verslagen en soldaten van Andor waren in het heetst van de strijd geweest. Voor vandaag was dat het enige dat telde. Voor vandaag kon al het andere even vergeten worden.
Zou dat kunnen? vroeg Rhand zich af. De menigte holde voort, zingend en lachend, vlaggen zwaaiend, maar de mannen van de rode partij bleven in groepjes van tien of twintig bij elkaar, en er waren geen vrouwen of kinderen onder hen. Tegenover elke man die trouw was aan de koningin, stonden er minstens tien die wit droegen. Niet voor het eerst wenste hij dat de witte stof goedkoper was geweest. Maar zou baas Gil hen hebben geholpen als hij met wit was binnengestapt?
De menigte was zo groot dat men onvermijdelijk tegen elkaar aan botste.
Zelfs Witmantels genoten vandaag in de drukte niet van een lege ruimte om hen heen. Terwijl Rhand zich door de menigte liet meesleuren naar de Binnenstad, besefte hij dat niet alle vijandigheid werd onderdrukt. Hij zag hoe iemand zo hard tegen een van enkele Kinderen van het Licht opliep, dat deze bijna viel. De Witmantel kon nog net zijn evenwicht bewaren en wilde de man kwaad uitschelden, toen een ander tegen hem aanliep en hem opzettelijk een duw gaf. Voor de zaak uit de hand kon lopen, trokken twee metgezellen hem naar de kant van de straat, waar ze in een deuropening even konden schuilen. Op de gezichten van het drietal streed woede met ongeloof. De menigte stroomde verder alsof niemand iets had gemerkt en misschien was dat ook wel zo.
Niemand zou zoiets twee dagen eerder hebben gedurfd. Sterker nog, bedacht Rhand, de twee mannen die opzettelijk tegen de Witmantel waren opgebotst, droegen witte pluimen op hun hoeden, iedereen nam aan dat de Witmantels diegenen steunden die tegen de koningin en haar Aes Sedai-raadgeefster waren, maar dat leek nu niet uit te maken. Mannen deden dingen waarvan ze nooit eerder hadden gedroomd. Vandaag een Witmantel pesten, morgen misschien in opstand komen tegen een koningin? Opeens wenste hij dat er wat meer mannen met rood in zijn buurt waren; de tartende witte pluimen en armbanden maakten dat hij zich opeens heel erg alleen voelde.
De Witmantels zagen dat hij naar hen keek en staarden terug alsof ze hem wilden uitdagen. Hij liet zich meevoeren door een zingende golf in de menigte en verloor hen uit het zicht, terwijl hij hard meezong.
Door welke straten men de valse Draak Caemlin zou binnenbrengen, was alom bekend. Die straten waren afgezet door lange rijen gardisten en piekeniers in rode jassen. Vlak achter hen pakten de mensen zich samen, schouder aan schouder, ze zaten zelfs in vensters en op de daken. Rhand baande zich een weg naar de Binnenstad en probeerde zo dicht mogelijk bij het paleis te komen. Hij vlaste erop om te zien hoe Logain voor de koningin gevoerd zou worden. Om de valse Draak en een koningin te zien, tegelijk... dat was iets waar hij thuis in Tweewater nooit van had durven dromen.
De Binnenstad was gebouwd op heuvels en veel bouwwerken van de Ogier stonden er nog. Waar de straten van de Nieuwe Stad in een wild patroon bijna elke richting uit liepen, volgden ze hier de bochten van de heuvels, alsof ze een natuurlijk deel van de wereld waren. Vloeiende hellingen en dalen boden bij iedere bocht een prachtig vergezicht. De parken konden vanuit elke hoek worden bekeken, zelfs van boven, waar hun wandelpaden en beeldhouwwerken patronen vormden die een lust voor het oog waren, ook al was er nauwelijks iets groens te zien. Onverwacht opdoemende torens en betegelde muren glinsterden in het zonlicht in honderden wisselende kleuren. Er waren plotselinge hoogten waar men over de hele stad kon uitkijken naar de glooiende vlakten en wouden erachter. Alles was prachtig, maar de menigte voerde hem mee voordat hij de kans kreeg het echt in zich op te nemen. En al die bochtige straten maakten het onmogelijk van het uitzicht te genieten.