Выбрать главу

Opeens werd hij om een bocht geduwd en daar was het paleis. Hoewel de straten de natuurlijke omtrekken van het land volgden, waren ze ook zo aangelegd dat ze hiernaartoe cirkelden. Het paleis leek een verhaal van een speelman, met bleke torenspitsen, gouden koepels en fraai bewerkte stenen bogen, en op ieder hoog punt wapperde de banier van Andor. Het vormde het hoogtepunt waarvoor elk vergezicht ontworpen leek te zijn. Het gebouw leek wel gebeeldhouwd te zijn door een kunstenaar.

Zijn eerste blik maakte hem al duidelijk dat hij niet dichterbij kon komen. Niemand werd dicht bij het paleis toegelaten. De koninginnegarde stond tien rijen dik voor de paleispoorten. Boven op de witte muren, op hoge balkons en torens, stonden nog meer gardisten stram in de houding, allemaal met hun bogen even schuin over hun borstkuras. Ook zij leken zo uit een verhaal te zijn gestapt; een erewacht, maar Rhand dacht niet dat zij er voor dat doel waren neergezet. De rumoerige menigte langs de straten vormde een zee van wit omwikkelde zwaarden, witte armbanden en witte pluimen. Slechts hier en daar werd het wit van die menigte onderbroken door een rood groepje. De gardisten in hun rode uniformen leken slechts een dunne muur tegen al dat wit.

Hij gaf zijn pogingen om nog dichter bij het paleis te komen op en zocht een plekje waar hij zijn lengte kon benutten. Hij hoefde niet vooraan te staan om alles te kunnen zien. De mensen verschoven voortdurend, ze persten zich naar voren of haastten zich naar een betere plek. Na een van die verschuivingen stonden er opeens nog maar drie mensen tussen hem en de vrijgehouden straat en ze waren allemaal kleiner dan bij, zelfs de piekeniers. Bijna iedereen was kleiner. Van beide kanten drongen mensen tegen hem aan, bezweet door de druk van zoveel lichamen. Degenen achter hem mopperden dat ze niets konden zien en probeerden langs hem te dringen. Hij maakte zich breed en vormde met de mensen naast hem een ondoordringbare muur. Hij was tevreden. Als de valse Draak langskwam, stond hij zo dicht bij de straat dat hij het gezicht van de man heel goed zou kunnen zien.

Aan de overkant van de straat, in de richting van de poorten naar de Nieuwe Stad, trok er bij een bocht een rimpeling door de dicht opeengepakte menigte. De mensen lieten iets passeren, maar het was niet als de open ruimte die de Witmantels op andere dagen om zich heen schiepen. Deze mensen deinsden achteruit, met geschokte blikken die grimassen van afkeer werden. Ze duwden zich uit de weg, wendden hun gezichten af van wat het ook was, maar bleven vanuit hun ooghoeken kijken tot het voorbij was.

Anderen rond hem zagen de opschudding ook. Omdat ze zich helemaal op de komst van de Draak hadden ingesteld, maar nu alleen maar konden wachten, vonden de mensen alles de moeite van het bespreken waard. Hij hoorde veronderstellingen die uiteenliepen van een Aes Sedai tot Logain zelf, en enkele grovere suggesties die de mannen ruw gelach ontlokte en de vrouwen afkeurend gesnuif. De rimpeling slingerde zich door de menigte, kwam steeds dichter bij de open ruimte tussen de rijen piekeniers. Niemand leek de doorgang te weigeren aan wat erlangs wilde, zelfs niet als dat inhield dat men zijn goede plekje verloor als de menigte de ruimte weer vulde nadat het was gepasseerd. Ten slotte, bijna recht tegenover Rhand, puilde de menigte de straat op. De mensen drongen daarbij de rood geklede piekeniers opzij. Die hadden de grootste moeite om de mensen terug te duwen tot de massa uiteen week. De gebogen gestalte die aarzelend tevoorschijn kwam, zag er meer uit als een baal vodden dan een man. Rhand hoorde een gemompel van afkeer om zich heen.

De voddige man bleef aan de overkant staan. Zijn kap, gescheurd en stijf van het vuil, zwaaide heen en weer alsof hij naar iets zocht of luisterde. Opeens slaakte hij een onverstaanbare kreet en stak hij een smerige klauwhand uit, die recht naar Rhand wees. Onmiddellijk begon hij als een luis de straat over te springen.

De bedelaar. Welk duister toeval deze man ook had geleid om hem zomaar te kunnen vinden, Rhand wist opeens zeker dat hij niet tegenover hem wilde staan, Duistervriend of niet. Hij kon de ogen van de bedelaar als vettig water op zijn huid voelen. Hij wilde absoluut niet dat die man in zijn buurt kwam, niet hier, waar hij werd omringd door mensen die al op het randje van een geweldsuitbarsting stonden. Dezelfde stemmen die hadden gelachen, scholden op hem toen hij zich naar achteren werkte, weg van de straat.

Hij haastte zich, in de wetenschap dat de opeengepakte massa, waar hij doorheen moest schuiven en wringen, voor de smerige kerel uit de weg zou gaan. Hij worstelde zich door de menigte en toen hij er opeens uit was, viel hij bijna. Met zijn armen zwaaiend om zijn evenwicht te bewaren, zette hij het struikelend op een rennen. De mensen wezen naar hem; hij was de enige die niet de andere kant opduwde, en hij holde nog ook. Geschreeuw achtervolgde hem. Zijn mantel fladderde achter hem aan, waardoor het in rood gewikkelde zwaard te zien was. Toen hij dat besefte, rende hij sneller. Een enkele weghollende volgeling van de koningin kon heel goed de vonk zijn die deze witte menigte veranderde in een moordlustige massa, zelfs vandaag. Hij rende en liet zijn lange benen hem zo ver mogelijk over het plaveisel wegvoeren. Pas toen hij het geschreeuw ver achter zich had gelaten, gunde hij zich even rust en leunde hijgend tegen een muur.

Hij wist niet waar hij was, behalve dat hij nog steeds in de Binnenstad was. Hij wist niet meer hoeveel hoeken hij was omgeslagen, hoeveel bochten hij was doorgerend in al die rondlopende straten. Klaar om verder te hollen keek hij om in de richting waaruit hij was gekomen. In de straat liep slechts één persoon, een vrouw met een mand, die kalm doorstapte. De hele stad leek te zijn uitgelopen om een glimp van de valse Draak op te vangen. Hij kan me onmogelijk hebben gevolgd. Ik moet hem achter me hebben gelaten.

De bedelaar zou het niet opgeven, dat wist hij zeker, hoewel hij niet kon zeggen waarom. Die voddige gestalte zou zich op dit moment een weg door de massa banen, zoekend, en als Rhand terugliep om Logain te zien, zou hij de kans lopen hem tegen te komen. Heel even dacht hij erover om terug te gaan naar De Koninginnezegen, maar hij wist heel goed dat hij nooit een tweede kans zou krijgen om een koningin te zien, en hij hoopte dat hij nooit meer een kans zou krijgen om een blik te werpen op de valse Draak. Het leek hem laf zich te verbergen nadat hij was verjaagd door een kromme bedelaar, ook al was die mogelijk een Duistervriend.

Hij keek nadenkend rond. Bij de aanleg van de Binnenstad waren de gebouwen laag gehouden, als er al bebouwing was, zodat iemand die op een bepaalde plek stond, zonder obstakels rond kon kijken en van het uitzicht kon genieten. Er moesten plaatsen zijn waar hij de stoet met de valse Draak kon zien. Zelfs als hij de koningin niet kon zien, kon hij wel naar Logain kijken.

Ineens vastbesloten begaf hij zich op weg.

In het volgende uur vond hij verschillende van die plekken, maar van de eerste tot de laatste stonden ze al schouder aan schouder volgepakt met mensen die de drukte langs de straten van de stoet wilden vermijden. Ze vormden een stevige muur van witte pluimen en armbanden. Nergens rood. Terwijl hij eraan dacht wat een dergelijke menigte zou doen als zijn zwaard gezien werd, liep hij voorzichtig en snel verder.

Geschreeuw dreef omhoog uit de Nieuwe Stad, geroep en het geschetter van trompetten, het krijgshaftig geroffel van trommen. Logain en zijn bewakers waren al in Caemlin, reeds op weg naar het paleis.

Ontmoedigd trok hij door de drukte, nog halfhartig hopend op een plek waar hij Logain kon zien. Zijn oog viel op een helling zonder gebouwen, die langs de straat oprees. In een gewoon voorjaar zou de helling een weelde van gras en bloemen vertonen, maar nu was ze tot aan de hoge muur op de top geheel dorbruin. Boven die muur waren boomkruinen te zien.