Dit gedeelte van de straat was niet ontworpen voor een groots uitzicht, maar vlak voor hem, boven de boomtoppen, kon hij enkele torenspitsen van het paleis zien, die allemaal getooid waren met de wapperende vlaggen van de Witte Leeuw. Hij wist niet hoe de straat precies verder liep, voorbij de heuvel voor hem, maar opeens kreeg hij een ingeving over die muur boven op de heuvel.
De trommels en trompetten naderden, het geschreeuw werd luider. Haastig klauterde hij naar de top. De helling was niet bedoeld om beklommen te worden, maar hij boorde zijn laarspunten in de dode grond en trok zich aan de kale struiken omhoog. Zwaar hijgend, zowel door zijn gretigheid als door de inspanning, klom hij de laatste passen tot de muur. Die rees boven hem op, zeker tweemaal zo hoog als hij. De lucht donderde van het getrommel en schalde van het geschetter.
De buitenkant van de muur was vrijwel in de natuurlijke staat van de steen gelaten; de geweldige blokken pasten zo goed op elkaar dat de naden bijna onzichtbaar waren; de stenen waren zo ruw dat de muur bijna een natuurlijke rotswand leek. Rhand grijnsde. De rotswanden net achter de Zandheuvels waren hoger en zelfs Perijn had die beklommen. Zijn handen zochten uitsteeksels, zijn laarzen vonden richels. De trommen joegen hem omhoog. Die stoet zou het niet winnen. Hij zou boven zijn voordat de stoet bij het paleis zou zijn. In zijn haast verwondden de stenen zijn handen en schaafde hij ondanks zijn broek zijn knieën, maar hij sloeg zijn armen over de rand en trok zich met een triomfantelijk gevoel op. Haastig draaide hij zich om, zodat hij op de vlakke, smalle bovenkant van de muur kon zitten. De bebladerde takken van een enorme boom staken boven zijn hoofd uit, maar daar dacht hij verder niet over na. Hij keek over de daken heen en had een volmaakt uitzicht. Hij boog zich een heel klein beetje naar voren en kon de paleispoort zien, met de opgestelde koninginnegarde en de wachtende menigte. Wachtend. Hun geschreeuw werd overstemd door de donderende trommels en schetterende trompetten, maar ze stonden nog te wachten. Hij grijnsde. Ik heb gewonnen.
Op het moment dat hij het zich gemakkelijk maakte, rondde de kop van de stoet de laatste bocht voor het paleis. Twintig rijen trompetters kwamen eerst en spleten de lucht met hun schallende triomfstoten, een overwinningsfanfare. Achter hen roffelden even zoveel trommelslagers. Toen volgden de vlaggen van Caemlin, witte leeuwen op rood, gedragen door mannen te paard, gevolgd door de soldaten van Caemlin; vele gelederen ruiters, in glimmende harnassen, met fier geheven lansen en bloedrode, wapperende vaandels. Driedubbele rijen piekeniers en boogschutters liepen aan weerszijden, en het bleef maar doorgaan toen de ruiters tussen de wachtende gardisten door reden en de paleispoorten binnentrokken.
Het laatste voetvolk rondde de bocht en achter hen volgde een geweldige wagen. Zestien paarden trokken hem, in spannen van vier. Midden op de platte wagenvloer stond een grote kooi van ijzeren staven en bij iedere hoek zaten twee vrouwen die de kooi ingespannen in het oog hielden, alsof de stoet en de menigte niet bestonden. Dat moesten Aes Sedai zijn. Tussen de wagen en het voetvolk, en aan weerszijden, reed een tiental zwaardhanden; hun mantels vertoonden een werveling van kleuren die het oog verwarde. De Aes Sedai mochten de menigte negeren, maar de zwaardhanden keken scherp rond, alsof zij de enige bewakers waren.
Ondanks dit alles was het de man in de kooi die Rhands ogen trok en zijn aandacht vasthield. Hij was te veraf en kon Logains gezicht niet onderscheiden, zoals hij eigenlijk had gewild, maar opeens vond hij dat hij zo dichtbij was als hij wilde zijn. De valse Draak was een lange man, met lang, donker krullend haar dat tot op zijn brede schouders hing. Hij hield zichzelf in de deinende wagen overeind door de tralies boven zijn hoofd met een hand vast te houden. Zijn kleren leken gewoon, een mantel, jas en kniebroek die in geen enkel boerendorp zouden misstaan. Maar zoals hij ze droeg. Zoals hij zich vasthield. Logain was in elke duim van zijn gestalte een koning. De kooi had er net zo goed niet hoeven zijn. Hij hield zich kaarsrecht, zijn hoofd hoog geheven, en hij keek naar de menigte alsof die er was om hem eer te bewijzen. Waar zijn blikken vielen, werden de mensen stil en staarden vol ontzag terug. Als Logains ogen verder gleden, gilden ze met verdubbelde woede alsof ze hun stilte wilden goedmaken, maar het maakte geen enkel verschil in de wijze waarop de man stond of voor de stilte die met hem meeschoof. Toen de wagen door de poort van het paleis reed, draaide hij zich om en keek naar de toegestroomde menigte. Ze huilden naar hem. zonder woorden, een golf van puur dierlijke haat en vrees, en Logain wierp zijn hoofd in zijn nek en lachte tot het paleis hem opslokte. Andere krijgstroepen volgden de wagen, met banieren die de anderen vertegenwoordigden die de valse Draak hadden bestreden en verslagen. De Gouden Bijen van lllian, de drie Witte Maansikkels van Tyr, de Rijzende Zon van Cairhien, andere, vele andere, van vele naties en steden en van grote heren, met hun eigen trompetten en hun eigen trommen om hun grootsheid rond te roffelen. Na Logain was het een tegenvaller.
Rhand leunde wat meer naar voren om te proberen een laatste blik op de gekooide man te werpen. Hij was toch verslagen? Licht, hij zou niet in zo’n vervloekte kooi zitten als hij niet was verslagen.
Plotseling uit balans gleed hij weg. Hij greep de bovenkant van de muur en trok zichzelf wat verder achteruit, naar een veiliger plekje. Nu Logain verdwenen was, werd hij zich er opeens van bewust dat zijn handen schrijnden waar de ruwe steen zijn handpalmen en vingers had geschramd. Toch kon hij de beelden niet van zich afzetten. De kooi en de Aes Sedai. Logain, niet verslagen. De kooi deed er niet toe: dit was geen verslagen man. Hij rilde en wreef met zijn zere handen langs zijn heupen.
‘Waarom hielden de Aes Sedai hem in de gaten?’ vroeg hij zich hardop af.
‘Zij voorkomen dat hij de Ware Bron aanraakt, suffie.’
Hij schoot overeind, zocht de meisjesstem, en opeens was zijn hachelijke zitje er niet meer. Hij had nog net tijd om te beseffen dat hij achterovertuimelde, toen er iets tegen zijn hoofd sloeg en een lachende Logain hem in een tollende duisternis najoeg.
40
Het Web spant zich
Voor Rhand leek het of hij aan rafel zat met Logain en Moiraine. De Aes Sedai en de valse Draak zaten hem zwijgend aan te kijken, alsof de een niet wist dat de ander er ook was. Ineens besefte hij dat de muren van de kamer onduidelijk werden, tot grijs vervaagden. Hij kreeg het gevoel dat er iets dringends was. Alles verdween, ging op in een nevel. Toen hij weer naar de tafel keek, waren Moiraine en Logain verdwenen en zat Ba’alzamon op hun plaats. Rhands hele lichaam beefde van het dringende gevoel; het zoemde in zijn hoofd, luider en luider. Het zoemen werd een geklop van bloed in zijn oren. Met een ruk ging hij rechtop zitten; meteen kreunde hij en greep duizelig zijn hoofd vast. Zijn hele schedel deed pijn; zijn linkerhand voelde een kleverig vocht in zijn haar. Hij zat op de grond, op groen gras. Dat maakte hem vaag bezorgd, maar zijn hoofd tolde en alles wat hij zag, danste op en neer. Het enige waaraan hij kon denken, was dat hij wilde liggen tot het over was.
De muur! De stem van het meisje!
Hij zocht met zijn vlakke hand steun op het gras en keek langzaam rond. Hij moest het langzaam doen. Als hij probeerde snel rond te kijken, begon alles weer te tollen. Hij was in een tuin of een park, en nog geen zes voet verder slingerde een wandelpad van plavuizen tussen bloeiende struiken door. Ernaast stond een witte bank onder een boom vol bladeren voor de schaduw. Hij was binnen de muur gevallen. En het meisje?
Hij vond de boom, vlak achter zich, en ook het meisje — ze klom net uit de boom. Ze bereikte de grond, draaide zich om en keek hem aan, waarop hij met zijn ogen knipperde en naar de grond keek. Een diepblauwe fluwelen mantel afgezet met licht bont lag om haar schouders; de kap hing op haar rug en reikte tot haar middel en had een trosje zilveren belletjes aan de punt. Ze tinkelden als ze zich bewoog. Een kunstig zilveren diadeem hield haar lange, roodgouden krullen bijeen en in haar oren had ze fijne zilveren ringetjes. Ze droeg een halsketting van zware zilveren schakels en donkergroene stenen, waarschijnlijk smaragden. Haar lichtblauwe gewaad vertoonde vlekkerige strepen van de boomschors, maar het bleef zijde, geborduurd met uiterst verfijnde, ingewikkelde patronen. De rok was geplooid en eronder was roomkleurige zijde te zien. Om haar middel had ze een brede ceintuur van gevlochten zilver en fluwelen schoentjes staken hun neuzen onder het gewaad uit.